GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.007.177/01 Rolnummer Hoge Raad: C04/199HR Rolnummer Rechtbank: 00/32 Rolnummer Kantonrechter: 98/4749 arrest van de negende civiele kamer d.d. 18 augustus 2009 inzake 1. [appellante sub 1], wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], 2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats], 3. [appellante sub 3], wonende te [woonplaats], 4. [appellante sub 4], wonende te [woonplaats], appellanten na verwijzing, hierna gezamenlijk te noemen: ”de Erven”, advocaat: mr. E. Grabandt te ’s-Gravenhage, tegen Van Buuren – Van Swaay B.V., gevestigd te Zoetermeer, geïntimeerde na verwijzing, hierna te noemen: Van Buuren, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage. Het geding Op 8 november 2007 hebben de Erven het geding aangebracht bij dit hof, nadat de Hoge Raad bij arrest van 17 februari 2006 de vonnissen van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2001, 27 november 2002 en 24 maart 2004 (de laatste hierna: het eindvonnis) had vernietigd. Bij memorie na verwijzing hebben de Erven twintig producties overgelegd en geconcludeerd tot toewijzing van hun vordering. Bij memorie van antwoord heeft Van Buuren het door de Erven aangevoerde bestreden. Partijen hebben schriftelijk gepleit, de Erven onder overlegging van twee producties. Vervolgens heeft Van Buuren de stukken overgelegd en is arrest gevraagd. Beoordeling 1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.1 [H] is van 8 december 1965 tot en met 8 december 1967 als monteur in loondienst werkzaam geweest voor (de rechtsvoorganger van) Van Buuren. Van 1974 tot 1975 is hij als lasser in dienst geweest bij Curaçaose Dokmaatschappij. Van 1975 tot en met 1998 is hij zelfstandig rijschoolhouder geweest. 2.2 In september 1997 is bij [H] de ziekte mesothelioom vastgesteld. Van deze ziekte is maar één oorzaak bekend, namelijk blootstelling aan asbest. 2.3 Bij brief van 17 oktober 1997 heeft [H] Van Buuren aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn ziekte. 2.4 [H] heeft Van Buuren op 28 oktober 1998 gedagvaard voor de kantonrechter te Delft en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat Van Buuren als werkgever jegens [H] tekortgeschoten is en daardoor schadeplichtig geworden is jegens hem; 2. Van Buuren dientengevolge te veroordelen om aan [H] volledig te vergoeden de door hem geleden en nog te lijden schade, bestaande uit: a. de immateriële schade van fl. 150.000 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum waarop de ziekte mesothelioom bij [H] werd vastgesteld; b. de materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum dagvaarding; c. de kosten tot vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag de dagvaarding; 3. Van Buuren te veroordelen in de proceskosten. 2.5 [H] is op 15 december 1998 overleden. De Erven (de weduwe van [H] en zijn kinderen) zijn [H]s erfgenamen; zij zijn tot diens volle nalatenschap gerechtigd. De Erven hebben de procedure voortgezet. 2.6 De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 september 1999 de vorderingen van de Erven afgewezen. De Erven hebben hoger beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Gravenhage. 2.7 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 januari 2001 de Erven tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 27 november 2002 de zaak naar de rol verwezen voor uitlaten aan de zijde van de Erven. Bij eindvonnis van 24 maart 2004 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende: - voor recht verklaard dat Van Buuren als werkgever jegens [H] is tekortgeschoten en daardoor schadeplichtig is geworden jegens de Erven; - Van Buuren veroordeeld om aan de Erven te vergoeden de door [H] geleden schade, bestaande uit de immateriële schade van € 40.840,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1997; - Van Buuren veroordeeld om aan de Erven te vergoeden de door [H] gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 1.542,--; - Van Buuren veroordeeld om aan de Erven te vergoeden de door [H] geleden materiële schade en de door hem gemaakte kosten tot vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, de voor de dagvaarding (28 oktober 1998) opgekomen schadeposten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 1998, de na de dagvaarding opgekomen schadeposten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de kosten zijn gemaakt; - Van Buuren veroordeeld in de proceskosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, aan de zijde van de Erven; - dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. 2.8 Van Buuren heeft tegen de drie vermelde vonnissen van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De Erven hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. 2.9 Bij arrest van 17 februari 2006 (LJN: AU6927) heeft de Hoge Raad de drie voormelde vonnissen van de rechtbank vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing, een en ander met veroordeling van de Erven in de proceskosten van het geding in cassatie. 3. In dit geding na verwijzing dient te worden beoordeeld of [H] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Van Buuren is blootgesteld aan asbest en, als dat komt vast te staan, of Van Buuren heeft voldaan aan zijn zorgplicht ex artikel 7:658 lid 1 BW. Voor de beoordeling van het laatste heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.8 van genoemd arrest een verwijzingsinstructie gegeven. Tevens dient in dit geding te worden beoordeeld of de vorderingen van de Erven zijn verjaard. 4. Het hof zal eerst beoordelen of [H] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Van Buuren is blootgesteld aan asbest. 5. Van Buuren heeft op dit punt gesteld dat in dit geding nog slechts moet worden beoordeeld of [H] tijdens de, gedurende zijn dienstbetrekking met Van Buuren verrichte werkzaamheden in het oude postkantoor te Den Haag, is blootgesteld aan asbeststof, en dat de overige twee door [H] gestelde blootstellingen (scheepswerf Boele Bolnes en het Marconihuis) geen onderwerp meer zijn van het processuele debat. Daarbij baseert Van Buuren zich op rechtsoverweging 4.1 van het arrest van de Hoge Raad. Daarin is overwogen dat de rechtbank haar oordeel (over de blootstelling aan asbest) klaarblijkelijk uitsluitend heeft gebaseerd op blootstelling van [H] aan asbeststof tijdens de gedurende zijn dienstbetrekking met Van Buuren verrichte werkzaamheden in het oude postkantoor te Den Haag. Het hof verwerpt dit standpunt van Van Buuren. In het oordeel van de rechtbank ligt niet besloten dat [H] bij werkzaamheden op de scheepswerf Boele Bolnes en (in het ketelhuis van) het Marconihuis niet is blootgesteld aan asbest; de rechtbank heeft dat eenvoudigweg in het midden gelaten. Het hof zal daarom ook deze gestelde blootstellingen in de beoordeling dienen te betrekken. 6. Het hof stelt voorop dat het op grond van artikel 150 Rv in beginsel aan de Erven is te stellen en bij betwisting te bewijzen, dat [H] gedurende zijn dienstbetrekking met Van Buuren verrichte werkzaamheden is blootgesteld aan asbeststof. 7. De Erven hebben bij memorie na verwijzing en bij pleitnotities in totaal tweeëntwintig nieuwe producties in het geding gebracht, voornamelijk bestaande uit wetenschappelijke publikaties en gerechtelijke uitspraken, met een uitgebreide en nieuwe toelichting daarop. Het hof zal geen acht slaan op bedoelde produkties en toelichting. Naar het oordeel van het hof heeft Van Buuren zich terecht op het standpunt gesteld dat het hof de zaak dient te beoordelen in de stand waarin zij verkeerde toen de uitspraken van de rechtbank werden vernietigd, en dat de cassatieprocedure en het geding na verwijzing er niet toe dienen om voor partijen de gelegenheid tot een nieuwe instructie van de zaak te scheppen. Het arrest van de Hoge Raad biedt geen aanknoping om partijen toe te staan hun stellingen en weren aan te passen en/of nadere producties in het geding te brengen. Gesteld noch gebleken is dat de bedoelde produkties en toelichting zien op na de vernietigde uitspraken (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.