GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 9 september 2009 Zaaknummer : 200.009.174.01 Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-625 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. M.J.J.A. Ooms te Nieuwerkerk aan den IJssel, tegen [geintimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 13 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2008. De moeder heeft op 15 augustus 2008 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 11 juli 2008 en 28 november 2008 aanvullende stukken ingekomen. Op 12 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door haar advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Ooms onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. Nadien is, volgens afspraak ter zitting, van de zijde van de vader bij het hof op 5 januari 2009 een salarisspecificatie ingekomen. De moeder heeft bij brief, ingekomen bij het hof op 20 januari 2009, medegedeeld dat zij geen opmerkingen heeft ten aanzien van de salarisspecificatie van de vader. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast. Bij de echtscheidingsbeschikking van 28 januari 2002 heeft de rechtbank te Rotterdam bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen zal uitkeren een bedrag van € 204,20 per maand per kind. Daarnaast is bepaald dat hij een uitkering tot levensonderhoud van de moeder zal voldoen van € 136,13 per maand. Partijen zijn deze bijdragen overeengekomen bij echtscheidingsconvenant van 13 december 2001. Voorts zijn zij overeengekomen dat de vader voor de minderjarigen de volgende kosten voor zijn rekening zal nemen, welke ongeveer € 170,- per maand zullen bedragen: - het jaarlijks te betalen schoolgeld; - de kosten van het sporten van de minderjarigen en - de jaarlijkse kosten van schoolboeken. De echtscheidingsbeschikking is [in] 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader om, met ingang van 18 januari 2007, de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 194,50 te bepalen en de bijdrage in het levensonderhoud van de moeder op nihil te bepalen, afgewezen. Daarnaast is het verzoek van de moeder om, met ingang van 1 januari 2007, de bijdragen ten behoeve van de minderjarigen op € 253,- per maand per kind te bepalen en de bijdrage ten behoeve van haar op € 400,- per maand te bepalen, afgewezen. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen: [naam], geboren te [geboorteplaats] [in] 1994 en; [naam], geboren te [geboorteplaats] [in] 1997, hierna tezamen te noemen: de minderjarigen. Daarnaast is de bijdrage in het levensonderhoud van de moeder in geschil. 2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 18 januari 2007 wordt gesteld op in totaal € 194,50 per maand per kind, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een datum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren; II. te bepalen dat hij naast voormelde bijdrage geen extra kosten voor schoolgeld, sporten en schoolboeken meer hoeft te voldoen; III. te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de moeder met ingang van 18 januari 2007 wordt gesteld op nihil, dan wel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een datum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. 3. De moeder bestrijdt zijn beroep. Behoefte van de minderjarigen 4. De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder nog immer behoefte heeft aan de opgelegde onderhoudsbijdragen ten behoeve van de minderjarigen. Volgens de vader bedraagt de behoefte van de minderjarigen totaal € 530,- per maand, derhalve € 265,- per maand per kind, welke kosten naar rato van draagkracht over partijen verdeeld dienen te worden. De vader dient dan met een bedrag van totaal € 255,- per maand bij te dragen in de kosten van de minderjarigen. 5. De moeder betwist de stellingen van de vader. 6. Het hof overweegt als volgt. De vader onderbouwt zijn stelling dat de behoefte van de minderjarigen totaal € 530,- per maand bedraagt met de stelling dat bij de vaststelling van hun behoefte uitgegaan moet worden van zijn huidige inkomen. Het hof is van oordeel dat voor het bepalen van de behoefte van de minderjarigen in dit geval bepalend is het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen en, indien het inkomen van degene op wie een plicht tot bijdrage rust is toegenomen, verhoogd met die toename. Het hof stelt vast dat partijen reeds in 2001 feitelijk uiteen zijn gegaan. Om die reden passeert het hof de stelling van de vader ter zake van de behoefte van de minderjarigen. Gelet op het inkomen van de moeder, zoals dat hierna zal worden vastgesteld, is het hof van oordeel dat zij niet in staat kan worden geacht bij te dragen in de kosten van de minderjarigen. Behoefte van de moeder 7. De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder nog immer behoefte heeft aan de opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van haarzelf. Volgens de vader kan de moeder meer gaan werken. Daarbij is hij van mening dat de moeder de hoogte van haar inkomen onvoldoende heeft onderbouwd met stukken; volgens zijn berekening dient uitgegaan te worden van een inkomen van € 1.465,75 bruto per maand. 8. De moeder heeft zijn stelling gemotiveerd weesproken. 9. Het hof overweegt als volgt. De moeder heeft in eerste aanleg haar behoefte gesteld op € 1.008,- netto per maand. Daarnaast heeft zij in eerste aanleg een behoefteoverzicht overgelegd. Het hof stelt vast dat de moeder in haar behoefteoverzicht niet heeft gespecificeerd welke maandelijkse kosten betrekking hebben op haar en welke op de minderjarigen. Het hof laat dit behoefteoverzicht en de opmerkingen van de vader daarover dan ook buiten beschouwing. Het hof gaat uit van de door de moeder gestelde behoefte van € 1.008,- netto per maand, aangezien het hof deze behoefte - mede gelet op de bijstandsnorm - niet bovenmatig voorkomt. 10. Het hof is van oordeel dat de moeder op dit moment niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien en overweegt daartoe als volgt. De moeder werkt thans, het hof begrijpt, gedurende 20 uur per week. In 2007 bedroeg haar netto maandsalaris € 914,50 per maand. Met ingang van 1 januari 2008 verdient zij een inkomen van € 907,96 netto per maand, inclusief € 78,- reiskostenvergoeding, zo blijkt uit de brief van haar werkgever van 28 januari 2008 (bijlage bij haar brief van 29 januari 2008, die zij in eerste aanleg heeft overgelegd), die zij heeft toegelicht. Het hof laat de reiskostenvergoeding buiten beschouwing, nu die ter delging van de te maken reiskosten is. Het hof ziet in de stellingen van de vader geen aanleiding om ter zake van het inkomen van de moeder van een hoger bedrag uit te gaan. 11. Het hof houdt, gelet op het inkomen van de moeder, rekening met de zorgtoeslag. De kindertoeslag laat het hof bij het vaststellen van de behoeftigheid van de moeder buiten beschouwing. 12. Het hof houdt rekening met de door de vader gestelde inkomsten uit verhuur van de garage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.