GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer: 200.026.350/01 Rolnummer Rechtbank: 327488 / KG ZA 08-1669 arrest van de negende civiele kamer d.d. 1 december 2009 inzake:
(2008)plotseling adviseert om nagenoeg de gehele oppervlakte van het terrein van het Hoogheemraadschap, 5.000 m3, af te graven, laat staan hoe zij komt tot het hiermee gepaard gaande exorbitante bedrag van 7,5 ton.” Inmiddels zijn namelijk de plekjes op het perceel van het Hoogheemraadschap die gesaneerd moesten worden, gesaneerd en heeft de provincie, als bevoegd gezag, geoordeeld dat het perceel van het Hoogheemraadschap schoon is. Het ging in werkelijkheid om omstreeks 550 m3 grond en geen 5.000 m
- Het evaluatieverslag is goedgekeurd en de gemeente acht de locatie thans geschikt voor de toekomstige bestemming op het moment dat er een bouwvergunning wordt aangevraagd. Wat heeft een en ander nu gekost? Geen bedrag van € 750.000,-- maar een bedrag van omstreeks € 53.000,-- vermeerderd met nog een aantal extra kosten ad € 40.
- [geïntimeerden] hebben, zoals door de kwekers steeds betoogd, in eerste aanleg en ook in deze procedure, de vervuiling schromelijk overdreven. Dit blijkt gewoon uit de feiten, aldus de tuinders. 7.3 Naar het voorlopig oordeel van het hof bevestigen deze gegevens op relevante onderdelen veeleer de stellingen van [geïntimeerden] dan dat zij deze weerspreken. Het rapport van BMA (vonnis vz.rechter rov. 2.6), de daarop aansluitende mail van dezelfde datum en de door [geïntimeerden] bij MvA overgelegde nadere toelichting van 18 maart 2009 reppen in onderling verband en samenhang gelezen over verontreinigingen die in de eerdere rapporten van Syncera B.V. (vonnis vz.rechter rov. 2.5) niet aldus aan de orde zijn gesteld. Wat er zij van de schatting van 5.000 m3 af te voeren materiaal en het daarmee gemoeide bedrag van € 750.000,--, de naar het hof begrijpt afgevoerde 550 m3 is aanzienlijk meer dan de 125 m3 waarop [geïntimeerden] ingevolge de Syncera-rapporten bedacht kon zijn en de kosten navenant hoger. Naar het voorlopig oordeel van het hof was deze verontreini¬ging hinderlijk voor de realisatie van de plannen van [geïntimeerden] en vormde een belemmering voor de afgifte van de benodigde bouwvergunning voor de “cluster Beekenkamp”, zoals blijkt uit de bodemtoets van de gemeente Westland van 1 augustus 2008 en de daarop aansluitende e-mail van 8 augustus 2008 (rov. 2.7 vonnis Vz.rechter). Het moge zo zijn dat de gemeente de locatie thans geschikt acht voor de toekomstige bestemming, dat is dan ná het inroepen van de ontbindende voorwaarde door [geïntimeerden] en het uitvoeren van saneringswerk¬zaamheden op het perceel van Hoogheemraadschap Delfland. Daarmee faalt grief
- 7.4 Grief 2 luidt: “Ten onrechte en zonder goede motivering heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat een beroep van [geïntimeerden] op de ontbindende voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.” 7.5 Gelet op de toelichting op de grief ligt in de eerste plaats de vraag voor naar de uitleg van zowel de door partijen gesloten koopovereenkomsten als de koopovereenkomst tussen Hoogheemraadschap Delfland en [geïntimeerden], meer in het bijzonder het bepaalde in artikel 5.3 van de laatstbedoelde koopovereenkomst en de ontbindende voorwaarde volgens artikel 15 lid 3 (rov. 2). De toelichting stelt voorts het bepaalde in artikel 14.7 van de koopovereenkomst tussen het Hoogheemraadschap Delfland en [geïntimeerden] (rov. 2.1 vonnis vz.rechter) aan de orde, welke bepaling volgens de tuinders meebrengt dat al het redelijke moet worden gedaan om te voorkomen dat een beroep op een ontbindende voorwaarde wordt gedaan. 7.6 Bij die uitleg komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Deze maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang, vgl. o.m. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199 en HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493). 7.7 Het hof verwerpt de stelling van de tuinders dat er door de verwijzing in de ontbindende voorwaarde naar het bepaalde in artikel 5.3 inhoudend dat de onroerende zaak bij de eigendomsoverdrachten feitelijke eigenschappen dient te bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn) een koppeling bestaat tussen de ontbindende voorwaarden en het moment van eigendomsoverdracht en dat er (eerst) op dat moment sprake zou moeten zijn van grond die voldeed aan die eigenschappen. Honorering van deze stelling zou ertoe leiden dat de betekenis aan de ontbindende voorwaarde volgens artikel 14.1 van de koopovereenkomst tussen het Hoogheemraadschap Delfland en [geïntimeerden] zou komen te ontvallen en dat geheel voorbij gegaan zou worden aan de in dat artikel genoemde termijn waarbinnen [geïntimeerden] een beroep op de ontbindende voorwaarde zouden kunnen doen. De tekst “(i)ndien verontreiniging wordt aangetroffen die hinderlijk is voor de normale exploitatie van de onroerende zaak zoals die in artikel 5.3 is omschreven of het voorgenomen gebruik van koper” geeft kennelijk het criterium aan dat bepaalt of [geïntimeerden] de overeenkomst na uitvoering van het bodemonderzoek kan ontbinden. Dat de verwijzing naar artikel 5.3 de gestelde koppeling naar het moment van eigendomsoverdracht zou meebrengen is onvoldoende feitelijk onderbouwd, mede in het licht van de slotzin van artikel 14.1 (“Na het verstrijken van deze datum enz.”). Het voorgaande geldt op gelijke voet voor de stelling van de tuinders dat degene die zich op ontbinding wenst te beroepen haar wederpartij eerst gelegenheid dient te bieden tot correcte nakoming. 7.8 Op zichzelf terecht wijzen de tuinders op de grote financiële en persoonlijke belangen die spelen voor alle betrokkenen zodat niet lichtzinnig mag worden ontbonden. Voorzover de tuinders met dit laatste evenwel een ander criterium aanleggen dan het criterium dat geldt ingevolge artikel 6:248 lid 2 BW, “(e)en tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn” gaat het hof daaraan voorbij. 7.9 De tuinders hebben in dit kort geding onvoldoende duidelijk gemaakt dat gelet op de tot terughoudendheid nopende maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW aan [geïntimeerden] geen beroep op de ontbindende voorwaarde toekwam. In dit verband overweegt het hof verder als volgt. Nadat het rapport van BMA en de daarop aansluitende e-mail van 9 juli 2008 beschikbaar kwamen alsmede de bodemtoets van de gemeente van 1 augustus 2008 zijn, onder herhaalde korte verlenging van de termijn bedoeld in artikel 14.1 van de koopovereenkomst tussen het Hoogheemraadschap Delfland en [geïntimeerden], tussen partijen nadere onderhandelingen gevoerd, in welk kader door het Hoogheemraadschap Delfland en de tuinders voorstellen zijn gedaan aan [geïntimeerden], terwijl ondertussen op het perceel van Hoogheemraadschap Delfland saneringswerkzaamheden reeds waren of werden verricht (m.n. “locatie 6”). Blijkens de overgelegde (fax)correspondentie (prod. 6 e.v. van de tuinders in eerste aanleg) waren die voorstellen aldus geclausuleerd dat naar het voorlopig oordeel van het hof [geïntimeerden] zich op de ontbindende voorwaarde mochten beroepen. [geïntimeerden] hebben betoogd (MvA 2.13) dat zij op dat moment, 25 augustus 2008 terwijl de mogelijkheid van een beroep op de ontbindende voorwaarde verviel op 26 augustus 2008, de risico’s niet konden overzien. Dat nu is in het licht van het op dat moment nog voorwerp van discussie zijnde rapport van BMA naar het oordeel van het hof voldoende grond. Dat uit de door de tuinders voorafgaande aan het pleidooi overgelegde producties zou kunnen worden afgeleid dat de latere sanering geen 5.000 m3 af te voeren materiaal vereiste en er ook geen bedrag van € 750.000,-- mee gemoeid was, maak dat niet anders. Daarmee faalt ook grief
- Als in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden de tuinders veroordeeld in de kosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] Beslissing Het hof: - bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 januari 2009 tussen partijen gewezen; - veroordeelt de tuinders in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 2.995,-- (waarvan € 313,-- voor griffierecht en € 2.682,-- voor salaris advocaat); - verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, S.W. Kuip en R.F. Groos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2009 in bijzijn van de griffier.