GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 105.006.952/01 Rolnummer (oud) : C07/1087 Rolnummer rechtbank : 269384 / HA ZA 06-2375 Arrest van de eerste civiele kamer van 30 juni 2009 inzake MAATPLEIN B.V., gevestigd te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, appellante, hierna te noemen: Maatplein, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ‘s-Gravenhage, tegen [BHE}, gevestigd te Zoetermeer, geïntimeerde, hierna te noemen: BHE, advocaat: mr. B.J.M. Veldhoven te ‘s-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 24 juli 2007 is Maatplein in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 april 2007, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven heeft Maatplein zeven grieven aangevoerd, die door BHE zijn bestreden bij memorie van antwoord. Tot slot hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1 Maatplein heeft geen grieven aangevoerd tegen de samenvatting van de feiten in hoofdstuk 2 van het beroepen vonnis, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Met inachtneming daarvan gaat het in dit geding – beknopt samengevat – om het volgende. 1.1 BHE heeft een perceel grond in Leimuiden met daarop een fabriek in banketprodukten in eigendom gehad. Toen zij in 2003 overwoog dit van de hand te doen en naar Velp te verhuizen heeft haar directeur, [directeur BHE], de bij Maatplein werkzame [A] benaderd met het verzoek hem advies te geven over de verkoopwaarde van het object en over de mogelijkheden bij verkoop de hoogst mogelijke prijs te realiseren. Maatplein hield zich indertijd met projectontwikkeling bezig. 1.2 In een brief d.d. 1 juni 2004 heeft [A] de waarde van het object in de toenmalige staat gesteld op een bedrag, uiteenlopend van € 903.000,- tot € 1.141.000,-. [A] heeft BHE verder gewezen op de mogelijkheid van ontwikkeling van het perceel voor onder meer woningbouw in de koopsfeer en volgens een bij de brief gevoegde calculatie zou dat kunnen resulteren in een winst van € 1.499.500,- tot € 2.439.000,- boven de op € 950.000,- gestelde waarde van de grond. Daarvoor zou wel de bestemming moeten worden aangepast en zou het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen roet in het eten mogen gooien. 1.3 BHE was geïnteresseerd in de voorgestelde ontwikkelingsmogelijkheid. Na verkennend overleg met de gemeente Jacobswoude op basis van een schetsplan van een architect hebben partijen besloten een samenwerking aan te gaan, die gericht was op de ontwikkeling van appartementen voor de vrije particuliere marktsector. De hierover bereikte overeenkomst is vastgesteld in een tien punten tellende notitie d.d. 13 september 2004, verder te noemen: de notitie. Onderdeel 2 daarvan luidt: Opzet nu is project voor de vrije particuliere appartementen markt. 1.4 Vervolgens heeft verder overleg met onder meer de gemeente plaatsgevonden, hetgeen ertoe heeft geleid dat de gemeente bij brief van 14 juni 2005 heeft bevestigd uiterlijk op 1 januari 2006, na indiening van een ontvankelijke bouwaanvraag van BHE, voor dit bouwplan een planologische procedure te zullen starten teneinde een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO van het geldende bestemmingsplan te kunnen verlenen. Hierna heeft tussen partijen opnieuw overleg plaatsgevonden. 1.5 Medio november 2005 heeft – naar het hof begrijpt: bij verrassing – een buurman van BHE een bod op het perceel met het fabriekspand gedaan ten bedrage van € 2.000.000,-. Dit is door BHE geaccepteerd, nadat zij eerst aan Maatplein had aangeboden het object voor die prijs aan te kopen. Maatplein is niet op dat aanbod ingegaan. De nieuwe eigenaar heeft de bestaande bebouwing geamoveerd en op de grond een uitbreiding van zijn eigen bedrijf gerealiseerd. 1.6 De samenwerking van partijen, gericht op de realisering van appartementen (woningbouw), was zodoende niet meer te realiseren. 1.7 Maatplein heeft vervolgens om uitbetaling van een tijdsevenredig deel van de ontwikkelingsfee en het aandeel in de winst gevraagd, die haar in haar visie volgens de onderdelen 4 respectievelijk 6 van de notitie toekwamen. BHE heeft daarop slechts aangeboden ten dele de gevraagde ontwikkelingsfee te voldoen. 1.8 Hierna heeft Maatplein bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een vordering ten bedrage van € 337.623,60, te vermeerderen met btw, rente en kosten, ingesteld. 2 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering, voor zover ziende op betaling van de ontwikkelingsfee, toegewezen en de vordering, voor zover ziende op betaling van een aandeel in de winst, afgewezen. 2.1 In hoger beroep vormt nog slechts het afgewezen deel van het oorspronkelijk gevorderde de inzet van het geding. 2.2 De rechtbank is – kort weergegeven – in haar oordeelsvorming dienaangaande in de eerste plaats nagegaan wat partijen in de notitie bedoeld hebben met ‘het project’ in relatie tot de bepaling over de winstverdeling. Zij heeft vervolgens geconcludeerd dat een taalkundige uitleg in combinatie met hetgeen de notitie verder bepaalde de doorslag moest geven. Zij heeft ten slotte geconcludeerd dat de notitie geen grondslag voor de winstaanspraak van Maatplein biedt in de zich hier voordoende situatie, namelijk beëindiging van de samenwerking doordat BHE het object in een vroeg stadium verkoopt. 3 De eerste grief vormt een aanloop naar de grieven 2 tot en met 6 maar bevat geen zelfstandige klacht. De grieven 2 - 6 komen op tegen onderdelen van de met elkaar samenhangende rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.15 van het beroepen vonnis en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 3.1 Het hof begrijpt de grieven aldus dat zij op de volgende manier kunnen worden samengevat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.