GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-07/00456 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 11 augustus 2009 op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht van de voorzieningenrechter van rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 22 juni 2007, nr. AWB 06/9745 en 05/9294, betreffende na te noemen aanslag, navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen. Aanslag, navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, heeft op 23 februari 2005 aan belanghebbende de volgende belastingaanslagen en boeten opgelegd: - een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 (hierna: de navorderingsaanslag 2000) naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.234, alsmede een boete van ƒ 4.288 (hierna: de boetebeschikking 2000); - een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 (hierna: de navorderingsaanslag 2001) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.929, alsmede een boete van € 2.266 (hierna: de boetebeschikking 2001); - een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 (hierna: de navorderingsaanslag 2002) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.069, alsmede een boete van € 2.376 (hierna: de boetebeschikking 2002); - een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen 2003 (hierna: de aanslag 2003) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.070. 1.2. Belanghebbende heeft op 30 maart 2005 tegen de navorderingsaanslagen, de aanslag en de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft op 22 augustus 2005 - voor elk jaar steeds in één geschrift - uitspraken gedaan op de bezwaren betreffende de navorderingsaanslagen 2000 en 2001 en op 11 november 2005 betreffende het jaar 2002. Voor het jaar 2003 is geen uitspraak op bezwaar gedaan. 1.3. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 19 december 2005 beroep bij de rechtbank ingesteld, welke beroep is aangevuld bij brief van 9 januari 2006. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 05/9294. 1.4. Op 6 december 2006 heeft belanghebbende een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/9745. 1.5. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak: - het beroep (AWB 05/9294) tegen de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen 2000 en 2001 niet-ontvankelijk verklaard; - het beroep (AWB 05/9294) tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2002 ongegrond verklaard; - het beroep (AWB 05/9294) tegen de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking 2002 gegrond verklaard; die uitspraak vernietigd en de boete 2002 tot op € 950 verminderd; - het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 06/9745) betreffende de aanslag 2003 niet-ontvankelijk verklaard; - het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 06/9745) betreffende de overige belastingaanslagen en boetebeschikkingen afgewezen; - de Staat der Nederlanden gelast het door verzoekster ter zake van het beroep (AWB 05/9294) gestorte griffierecht van € 37 aan haar te vergoeden. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 juni 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde, kan in hoger beroep worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank in de bestreden uitspraak heeft vastgesteld, waarbij door de rechtbank belanghebbende als verzoekster en de Inspecteur als verweerder is aangeduid. Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is, evenals voor de rechtbank, in geschil of de Inspecteur: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.