GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-09/00309 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 3 november 2009 op het beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen (thans: Dienst Regelingen) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna te noemen: de Inspecteur) betreffende na te noemen naheffingsaanslag. 1. Naheffingsaanslag en bezwaar 1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een naheffingsaanslag in de verfijnde fosfaatheffing opgelegd. Deze naheffingsaanslag heeft een beloop van ƒ 25.540 (€ 11.589,55). Het desbetreffende aanslagbiljet is gedagtekend 26 oktober 2001. 1.2 Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij zijn uitspraak op het bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd. 2. Loop van het geding tot dusverre 2.1 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. 2.2 De Inspecteur heeft nadien bij ambtshalve gegeven beschikking van 30 maart 2005 de naheffingsaanslag verminderd tot op ƒ 21.142 (€ 9.593,82). 2.3 Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij zijn uitspraak van 31 maart 2006, nr. BK 473/04 (LJN: AV8582), het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd zoals deze ambtshalve door de Inspecteur was verminderd, de Staat gelast het griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld de op € 46 vastgestelde proceskosten aan belanghebbende te vergoeden. 2.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. 2.5 De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 15 mei 2009, nr. 43.089 (LJN: BC2868), het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van dat Hof vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest. 3. Loop van het geding na verwijzing 3.1 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt. Zij hebben van elkaars uitlatingen kennis genomen. 3.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 september 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 4. Het verwijzingsarrest De Hoge Raad heeft in zijn arrest onder "3. Beoordeling van de klacht" het volgende overwogen. " 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende voert een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet (tekst 1998; hierna: de Wet) en heeft ervoor gekozen aangifte te doen voor de verfijnde mineralenheffingen als bedoeld in artikel 22 van de Wet. Na controle van de aangiftegegevens van belanghebbende heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat niet 4174 kg fosfaat is aangevoerd, zoals in de aangifte is vermeld, maar 8396 kg. De Inspecteur heeft ter zake daarvan de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. 3.2. Voor het Hof was - voor zover in cassatie van belang - tussen partijen in geschil of voor de vaststelling van de hoeveelheid aangevoerde fosfaat rekening moet worden gehouden met vijf vrachten dierlijke meststoffen, die, naar belanghebbende stelt, zonder zijn medeweten en zonder zijn toestemming door mesttransporteur C op de tot zijn bedrijf behorende grond zijn gestort. De afleveringsbewijzen van deze vrachten zijn volgens belanghebbende niet voorzien van zijn handtekening, de handtekening van zijn echtgenote of die van zijn zoon. 3.3. Het Hof heeft overwogen dat de geldende wet- en regelgeving geen plaats biedt voor de opvatting van belanghebbende dat de dierlijke meststoffen die C zonder zijn toestemming en zonder zijn medeweten op de tot zijn bedrijf behorende grond heeft gestort, buiten beschouwing moeten worden gelaten in de berekening van de hoeveelheid aangevoerde fosfaat. Immers, aldus het Hof, in het door belanghebbende gekozen systeem van verfijnde aangifte dient zoveel mogelijk te worden uitgegaan van de werkelijk aangevoerde hoeveelheid fosfaat, ongeacht of de aanvoer met of zonder toestemming van belanghebbende heeft plaatsgevonden. Tegen dit oordeel richt zich de klacht. 3.4.1. Op grond van artikel 24 van de Wet wordt de belastbare hoeveelheid mineralen bepaald door de hoeveelheid aangevoerde mineralen, verminderd met achtereenvolgens de hoeveelheid afgevoerde mineralen en het toelaatbare mineralenverlies. Artikel 25, lid 1, van de Wet merkt als onderdeel van de hoeveelheid aangevoerde mineralen aan: de hoeveelheden fosfaat in de in het betreffende kalenderjaar feitelijk van een derde of van een ander bedrijf afgenomen producten die in bijlage D van de Wet zijn benoemd als aanvoerpost. Artikel D1, lid 1, aanhef en letter a, van Bijlage D bij de Wet merkt als aanvoerpost aan: meststoffen. 3.4.2. De wetgever heeft, teneinde de handhaving van het wettelijke systeem ook te waarborgen in situaties waarin de mest niet rechtstreeks wordt afgenomen van een ander bedrijf, in Titel 3 van Hoofdstuk IV van de Wet voorts een heffing ten laste van intermediaire ondernemingen ingevoerd. In het kader van de totstandkoming van de Wet (zie Kamerstukken II 1995/96, 24 782, nr. 3, blz. 18-20 en blz. 25-26) is gewezen op het belang van het stelsel van centraal geregistreerde mestafleveringsbewijzen voor de handhaving van het systeem, mede gelet op de tegengestelde belangen die de leverancier, de intermediaire ondernemer en de afnemer hebben bij de vaststelling van de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de af- en aangevoerde mest. 3.4.3. Op grond van de tekst van artikel 25, lid 1, van de Wet - "afnemen" impliceert een actieve betrokkenheid van de afnemer - en het systeem van de Wet zijn meststoffen die zonder bewilliging van de heffingsplichtige door een intermediaire ondernemer op de tot het bedrijf van de heffingsplichtige behorende grond zijn gestort, niet te beschouwen als feitelijk afgenomen meststoffen. Die meststoffen maken derhalve geen deel uit van de belastbare hoeveelheid mineralen. 3.4.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, getuigt 's Hofs oordeel dat dient te worden uitgegaan van de werkelijk aangevoerde hoeveelheid fosfaat van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht slaagt derhalve. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de - door het Hof in het midden gelaten - juistheid van de stelling van belanghebbende dat de vijf vrachten meststoffen zonder zijn toestemming op de tot zijn bedrijf behorende grond zijn gestort. Hierbij verdient opmerking dat de bedoelde toestemming niet alleen kan blijken uit de (ondertekening van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.