GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 200.018.272/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 878070 VZ VERZ 08-1443 Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 16 februari 2010 inzake [Naam] en [Naam], wonende te Rotterdam, appellanten, hierna te zamen te noemen: [appellant], advocaat: mr. E.M. Kostense te 's-Gravenhage, tegen DE GEMEENTE ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: de gemeente, advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 3 november 2008 is [appellant] in beroep gekomen van het vonnis, tussen partijen op 5 augustus 2008 gewezen door de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd, die door de gemeente bij memorie van antwoord zijn bestreden. Daarna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1 Het beroepen vonnis is gewezen op de voet van artikel 96 Rv., zodat daartegen ingevolge artikel 333 Rv. alleen hoger beroep openstaat indien partijen zich dat hebben voorbehouden. Dit laatste wordt vermeld in het verzoekschrift dat als productie 1 bij de dagvaarding is gevoegd, waarmee [appellant] de procedure bij de kantonrechter heeft ingeleid. Hangende het contentieuze geding hebben partijen verklaard dit geding te willen omzetten in een geding als bedoeld in artikel 96 Rv., zoals zij aanvankelijk beoogden. Op die grondslag heeft de kantonrechter uitspraak gedaan. Het hof houdt het er daarom voor dat partijen bedoeld hebben zich de mogelijkheid van hoger beroep voor te behouden. 2 Het gaat in deze procedure - beknopt weergegeven - om het volgende. 2.1 [appellant] is sinds juni 1984 eigenaar van een perceel grond met woning, erf en andere opstallen, plaatselijk bekend [adres] te Rotterdam. De woning is in 1968 gebouwd. 2.2 Aan de oostzijde grenst dit perceel aan een perceel dat eigendom is van de gemeente. Uit een door de gemeente in eerste aanleg overgelegde tekening maakt het hof op dat haar perceel, ter hoogte van de woning van [appellant], bestaat uit een waterpartij met een oeverstrook van circa 6 meter breed. Deze strook wordt door partijen wel aangeduid als openbaar groen. 2.3 Over een lengte van 40 meter wordt deze oever- of groenstrook (hierna: de strook) door [appellant] gebruikt als tuin. Hij stelt dat zijn rechtsvoorgangers dat ook al deden. 2.4 Vanaf juli 2001 heeft de gemeente (de deelgemeente Prins Alexander) in verschillende brieven aan [appellant] laten weten dat diens gebruik van de strook gereguleerd zou moeten worden (door middel van enigerlei overeenkomst) of, in latere brieven, gestaakt zou moeten worden (in verband met de realisering van een gemeentelijk plan). [appellant] heeft daarop geantwoord met een verzoek om hem het gebruik van de strook, waarvoor hij in zijn brieven "gedogen" als grondslag noemde, te laten. Later, na het inwinnen van rechtsbijstand, heeft hij zich erop beroepen door extinctieve verjaring de eigendom van de strook te hebben verkregen. 2.5 De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet het bezit van de strook had gekregen en dat hem daarom een beroep op verjaring niet toekwam, zodat [appellant] geen eigenaar van de strook is geworden. 2.6 Omdat partijen het hierover met elkaar niet eens konden worden zijn zij overeengekomen dit geschilpunt ter beslechting aan de kantonrechter voor te leggen. 2.7 In het beroepen vonnis heeft de kantonrechter het standpunt van de gemeente onderschreven. Naar zijn oordeel heeft [appellant], kort gezegd, geen bezit van de strook gekregen aangezien hij in zijn brieven steeds heeft gesproken van een gebruik krachtens gedogen, zodat hij niet meer dan houder van de strook was. 3 Van dit vonnis is [appellant] in hoger beroep gekomen. De grieven zijn erop gericht het geschil als geheel aan het hof voor te leggen. 3.1 Partijen zijn het erover eens dat [appellant] zich in elk geval niet op bezit te goeder trouw kan beroepen. Door de openbare registers te raadplegen had [appellant] kunnen vaststellen dat de strook behoort tot een perceel waarvan de gemeente als eigenaar staat ingeschreven. Van verkrijgende verjaring als sequeel van bezit te goeder trouw kan dan ook geen sprake zijn. 3.2 Voor de beantwoording van de vraag of [appellant] zich op extinctieve verjaring (verkrijgende verjaring als gevolg van bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid; vlg. artikel 3:105 BW) kan beroepen dient eerst vastgesteld te worden of hij bezit (te kwader trouw) van de strook heeft gekregen. Daartoe is nodig (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.