GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 14 april 2010 Zaaknummer : 200.024.676/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-4225 [appellant], wonende te [woonplaats] Groot-Brittannië, verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. P.C. Burger te Leiden, tegen [geintimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. H.W. Bos-Hagens te Noordwijk. Als instantie wiens advies met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk kan zijn, wordt aangemerkt: de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie ’s-Gravenhage, hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 10 februari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 november 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De moeder heeft op 2 augustus 2009 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 11 februari 2009, 15 juli 2009 en 20 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 22 september 2009 aanvullende stukken ingekomen. De raad heeft het hof bij brief van 2 juli 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen. Op 3 maart 2010 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw [ van der A.- van Z.], beëdigd tolk in de Engelse taal. Voorts is verschenen de advocaat van de moeder. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie. De hierna te noemen minderjarige is in raadkamer gehoord. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit¬ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast. Uit het huwelijk van partijen is geboren: [de minderjarige], geboren [in] 1994 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige. Bij beschikking van 20 september 1995 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de moeder benoemd tot voogd en de vader tot toeziend voogd over de minderjarige. Bij beschikking van 21 juni 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage is voornoemde beschikking gewijzigd in die zin dat is bepaald dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarige. Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging in zoverre van de beschikking van 21 juni 2006 van de rechtbank ’s-Gravenhage - bepaald dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarige. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de uitoefening van het ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarige. De minderjarige verblijft feitelijk sinds 29 maart 2008 bij de moeder in Nederland, na een verblijf van ongeveer één jaar en negen maanden bij de vader in Groot-Brittannië. 2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder alsnog af te wijzen. 3. De moeder bestrijdt het beroep. 4. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de moeder heeft toegewezen. Vooreerst is hij in eerste aanleg ten onrechte niet door de rechtbank gehoord. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het in het geheel niet is gekomen tot een aanzet voor een verzoek aan de moeder tot teruggeleiding van de minderjarige naar de vader in Groot-Brittannië. Uit de stukken blijkt dat hij wel degelijk een verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige heeft ingediend. De vader stelt dat de minderjarige wegens externe omstandigheden noodgedwongen in Nederland verblijft. De vader wil opnieuw belast worden met het ouderlijk gezag over de minderjarige en acht een terugkeer naar Groot-Brittannië in het belang van de minderjarige. Indien de minderjarige daarover anders denkt en hij zulks rechtstreeks aan de vader kan verwoorden, zal de vader zich noodgedwongen bij diens beslissing moeten neerleggen. Gelet op het voorgaande is de vader van mening dat de rechtbank tot het oordeel had moeten komen dat het verzoek van de moeder niet toewijsbaar was. Desgevraagd heeft de vader ter terechtzitting verklaard dat hij naar Nederland zal komen indien hij met het eenhoofdig ouderlijk gezag wordt belast, zodat de minderjarige zijn school in Nederland kan afmaken en bij de vader kan wonen. Indien dit laatste niet mogelijk is, dan wil hij een volwaardig contact met de minderjarige. 5. De moeder betwist gemotiveerd de stellingen van de vader. De vader gaat volledig voorbij aan het feit dat hij jarenlang zowel de moeder als de minderjarige stelselmatig heeft mishandeld. De minderjarige werd ingezet in de strijd tegen de moeder. Op grond van valse beloften is de minderjarige bij de vader in Groot-Brittannië gaan wonen. Op aanraden van de hulpverlening heeft de moeder zich destijds niet verweerd tegen het door de vader verzochte eenhoofdig gezag. De minderjarige is in Groot-Brittannië op vele manieren mishandeld, leefde met de vader in erbarmelijke omstandigheden en kreeg onvoldoende mogelijkheden om onderwijs te volgen. In maart 2008 is de minderjarige naar Nederland gevlucht. Sedertdien krijgt hij verantwoord te eten, gaat hij naar school, bezoekt regelmatig de tandarts en heeft hij psychologische begeleiding bij GGZ Rivierduinen om zijn traumatisch verleden te verwerken. De minderjarige wenst geen enkel contact te hebben met de vader. Hij wil bij de moeder blijven, waardoor hij in staat is een normaal leven te leiden. Op grond van het voorgaande is de moeder van mening dat de bestreden beschikking in stand dient te blijven. Bevoegdheid van de Nederlandse rechter 6. Het hof is van oordeel dat allereerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter met betrekking tot het onderhavige geschil rechtsmacht toekomt. Voor de bevoegdheid van de rechter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, is het tijdstip, waarop in eerste aanleg zijn tussenkomst wordt ingeroepen, beslissend. Het hof overweegt daartoe als volgt. 7. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Verordening (EG), nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000, (hierna: Brussel IIbis) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het bepaalde in lid 1 onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12. 8. In het geval sprake is van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van een kind blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor het ongeoorloofd niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, blijkens artikel 10 Brussel IIbis, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.