GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 200.017.462/01 Rolnummer Rechtbank : 284782/HA ZA 07-1006 arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 30 november 2010 inzake 1. GIBO GROEP B.V., 2. GIBO ACCOUNTANTS EN ADVISEURS B.V. beide gevestigd te Arnhem, appellanten, tevens geïntimeerden in incidenteel beroep, hierna gezamenlijk te noemen: GIBO, advocaat: mr. E.M. Kostense te 's-Gravenhage, tegen 1. [X] B.V., 2. ADNU PLUS B.V., 3. [Y], gevestigd, respectievelijk wonende te Naaldwijk, geïntimeerden, tevens appellanten in incidenteel beroep, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden], advocaat: mr. E.J.P. Nolet te 's-Gravenhage. Verloop van het geding Bij exploot van 8 oktober 2008 is GIBO in hoger beroep gekomen van de vonnissen die de rechtbank 's-Gravenhage op 1 augustus 2007, 13 februari 2008, 18 juni 2008 en 23 juli 2008 onder rolnummer 284782/HA ZA 07-1006 tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft GIBO negentien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden en van hun kant vier grieven tegen de vonnissen van 13 februari 2008 en 23 juli 2008 aangevoerd. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft GIBO die grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen de zaak doen bepleiten, GIBO door mr. M.A.E. Peters, advocaat te Arnhem, en [geïntimeerden] door mr. J.F. van Duin, advocaat te Ridderkerk, beiden aan de hand van pleitnotities die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd, waarbij is afgesproken dat het hof arrest wijst op het pleitdossier. Beoordeling van het principale en het incidentele beroep 1. Als gesteld en erkend, danwel onvoldoende weersproken, staat tussen partijen het volgende vast. GIBO houdt zich bezig met het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden op het gebied van administratie en accountancy, alsmede het verstrekken van economische, juridische en fiscale adviezen. [X] B.V. is een beleggingsmaatschappij. Adnu Plus B.V. houdt zich bezig met administratieve dienstverlening en accountancy. [X] B.V. is enig aandeelhouder en [Y] (hierna te noemen: [Y]) directeur van Adnu Plus B.V. GIBO heeft met Adnu Plus B.V. en [Y] een overeenkomst tot praktijkoverdracht gesloten. Ingevolge deze overeenkomst heeft Adnu Plus B.V. per 1 januari 2003 de inventaris van haar onderneming aan GIBO Groep B.V., en haar cliëntenbestand aan GIBO Accountants en Adviseurs B.V. overgedragen. Van de overeenkomst tot praktijkoverdracht maakt deel uit een managementovereenkomst, gesloten tussen GIBO Groep B.V. enerzijds en [X] B.V. en [Y] anderzijds. Ingevolge deze overeenkomst verrichtte [Y] met ingang van 1 januari 2003 werkzaamheden in opdracht van GIBO Groep B.V. ten behoeve van de cliënten van GIBO, waaronder het ingevolge de overeenkomst tot praktijkoverdracht aan GIBO Accountants en Adviseurs B.V. overgedragen cliëntenbestand. Bij brief van 9 januari 2006 is namens GIBO Groep B.V. de managementovereenkomst per 9 juli 2006 aan [X] B.V. en [Y] opgezegd. Partijen zijn in onderhandeling getreden over een aantal tussen hen bestaande geschilpunten, onder andere voortvloeiend uit de opzegging van de managementovereenkomst. Vervolgens is deze overeenkomst bij brief van 7 maart 2006 namens GIBO Groep B.V. met onmiddellijke ingang opgezegd en is aan [X] B.V. en [Y] de toegang tot het kantoorpand ontzegd. Partijen hebben uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst gesloten, welke is bevestigd in een brief van 10 maart 2006 van de advocaat van GIBO aan de advocaat van [geïntimeerden] Ingevolge het bepaalde onder 15 van deze overeenkomst zijn [geïntimeerden] hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen Op grond van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen elkaar over en weer een aantal declaraties toegezonden. 2. In deze procedure vordert GIBO Groep B.V. betaling van het, uit hoofde van voormelde declaraties, per saldo door [geïntimeerden] aan haar te betalen bedrag van € 81.908,44. GIBO Accountants en Adviseurs B.V. vordert van [X] B.V. betaling van € 1.160,25 en van Adnu Plus B.V. een bedrag van € 217,77. GIBO vordert voorts vergoeding van rente en kosten. 3. Bij incidentele conclusie hebben [geïntimeerden] gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vorderingen kennis te nemen vanwege een in de overeenkomst tot praktijkoverdracht en de managementovereenkomst opgenomen arbitraal beding. Bij vonnis van 1 augustus 2007 heeft de rechtbank deze vordering afgewezen. 4. [geïntimeerden] hebben geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen in conventie. In reconventie vorderen zij (na verrekening van hun vordering met de in conventie gevorderde bedragen) betaling van € 82.991,78, vermeerderd met rente. Zij baseren deze vordering op een tekortkoming in de nakoming door GIBO van één of meer bepalingen uit de vaststellingsovereenkomst. 5. Bij vonnis van 23 juli 2008 heeft de rechtbank de vorderingen van GIBO toegewezen, behoudens de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering van [geïntimeerden] heeft zij toegewezen tot een bedrag van € 96.349,34, met rente. Beoordeling van het principale en het incidentele beroep 6. De grieven I en XII van GIBO hebben betrekking op zowel het geding in conventie, als het geding in reconventie. Het hof zal deze eerst bespreken. De overige grieven van GIBO hebben, behoudens grief XVIII die op de afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ziet, betrekking op het geding in reconventie. 7. De eerste grief van GIBO betreft de proceskostenveroordeling in het bevoegdheidsincident. De rechtbank heeft de door [geïntimeerden] aan GIBO te betalen vergoeding gematigd tot één punt in tarief I van het liquidatietarief. GIBO betoogt dat toepassing van het liquidatietarief leidt tot een vergoeding van 11/2 punt in tarief IV en dat er geen grond bestaat voor matiging. 8. De grief faalt. Het liquidatietarief is niet bindend en het is aan het beleid van de rechter overgelaten in hoeverre hij daaraan toepassing geeft. De door de rechtbank toegepaste matiging is te billijken gelet op het feit dat niet alleen [geïntimeerden], maar ook GIBO zich dubbelzinnig heeft opgesteld ten aanzien van de toepasselijkheid van het arbitrale beding. Immers, waar zij in haar brieven van 15 december 2006 en 3 januari 2007 stelde dat het beding toepassing mist, heeft zij vervolgens desondanks een verzoek tot benoeming van een arbiter bij de rechtbank ingediend. 9. In haar twaalfde grief beklaagt GIBO zich over de beslissing in het vonnis van 18 juni 2008 tot afwijzing van haar pleidooiverzoek. GIBO stelt aldus onvoldoende gelegenheid te hebben gehad te reageren op bepaalde stellingen van [geïntimeerden] en op door deze overgelegde stukken. 10. De grief kan niet tot vernietiging leiden. Immers, wat er ook zij van de merites van de beslissing van de rechtbank, in hoger beroep heeft GIBO in elk geval (alsnog) voldoende gelegenheid gekregen tot nadere adstructie van haar verweer. 11. De tweede grief van GIBO is gericht tegen de overweging van de rechtbank in r.o. 6 van het vonnis van 13 februari 2008, dat zij de door [geïntimeerden] gestelde schade post voor post zal bespreken. GIBO stelt dat de rechtbank eerst had moeten onderzoeken of, c.q. in hoeverre GIBO toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de voor haar uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. 12. De grief faalt. Juist is dat bij een vordering gebaseerd op niet nakoming van een overeenkomst eerst sprake kan zijn van gehoudenheid tot vergoeding van schade nadat is vastgesteld dat de wederpartij toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer verbintenissen uit de betreffende overeenkomst. In het oordeel van de rechtbank over de toewijsbaarheid van de diverse schadeposten ligt evenwel besloten dat GIBO ten aanzien van elk van de toegewezen posten toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. In hoeverre de rechtbank terecht tot dat oordeel is gekomen zal bij de bespreking van de overige grieven aan de orde komen. 13. Het hof zal thans eerst de grieven VI en VII van GIBO bespreken. Daarin bestrijdt GIBO het oordeel van de rechtbank in r.o. 14 van het vonnis van 13 februari 2008 dat GIBO de kantoorruimte per 13 maart 2006 aan [geïntimeerden] ter beschikking diende te stellen en dat zij er ook voor had moeten zorgen dat uiterlijk die dag al het haar toebehorende meubilair werd afgevoerd. Voorts betwist GIBO dat [geïntimeerden] kosten hebben gemaakt voor de afvoer van het meubilair. De tweede grief van [geïntimeerden] heeft eveneens betrekking op deze kosten. 14. Blijkens punt 11 van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerden] het kantoorpand te Naaldwijk "op een zo kort mogelijke termijn" in gebruik zal nemen en voorts dat [Y] daarover in overleg zal treden met de heer […] van GIBO. GIBO stelt dat bedoeld overleg op 13 maart 2006 heeft plaatsgevonden. Zij stelt het pand toen niet aan [geïntimeerden] ter beschikking te hebben gesteld, omdat [Y] zich, in strijd met het bepaalde onder 12 van de overeenkomst, op het standpunt zou hebben gesteld dat zijn echtgenote niet bij [X] B.V. in dienst zou treden. Dat laatste was voor GIBO, naar zij stelt, essentieel, reden waarom zij het ter beschikking stellen van het kantoorpand heeft opgeschort totdat [Y] op 17 maart 2006 bevestigde de verplichting tot indienstneming alsnog te zullen nakomen. 15. [geïntimeerden] betwisten niet dat er een geschil was over de indiensttreding van mevrouw [Y] die, naar zij stellen, op dat moment ziek was. Zij stellen echter dat dit geen enkele reden kon zijn om de kantoorruimte niet onmiddellijk ter beschikking te stellen. 16. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] het bepaalde onder 11 van de vaststellingsovereenkomst aldus mochten opvatten dat zij het pand, nadat het overleg met de heer De Jong had plaatsgevonden, in gebruik konden nemen, derhalve op 13 maart 2006. GIBO bestrijdt dat in wezen ook niet. Zij doet echter een beroep op een opschortingsrecht. Het hof is van oordeel dat hier geen sprake is van tegenover elkaar staande verbintenissen als bedoeld in artikel 6:262 BW, althans dat GIBO onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te maken dat ook [geïntimeerden] de vaststellingsovereenkomst aldus moesten begrijpen. Om dezelfde reden kan niet worden gezegd dat tussen de verplichting tot het ter beschikking stellen van het kantoorpand en de verplichting tot het in dienst nemen van mevrouw [Y] een zodanige samenhang bestond dat onenigheid over bedoelde indiensttreding opschorting van eerst genoemde verplichting rechtvaardigde. Grief VI van GIBO faalt derhalve. 17. De (hiervoor vastgestelde) verplichting tot oplevering van het kantoorpand bracht mee dat GIBO het pand op 13 maart 2006 ontruimd ter beschikking van [geïntimeerden] diende te stellen (vgl. HR 27 november 1998, NJ 1999, 380) Partijen zijn het er kennelijk over eens dat dat inhield dat GIBO de beschadigde inventaris zou afvoeren. GIBO erkent in haar zevende grief dat zij in elk geval op 17 maart 2006 tot ontruiming gehouden was, maar stelt dat zij op 22 maart 2006 een verhuiswagen ter beschikking had en dat [geïntimeerden] daar best op hadden kunnen wachten. 18. Het betoog van GIBO snijdt geen hout. Nu GIBO in gebreke bleef de beschadigde en door [geïntimeerden] niet gewenste inventaris af te voeren, stond het [geïntimeerden] vrij dat zelf te doen en komen de kosten daarvan voor vergoeding in aanmerking. 19. De rechtbank heeft de door [geïntimeerden] overgelegde factuur van De Twin niet aanvaard als bewijs van de door [geïntimeerden] in dit verband gevorderde kosten. Zij heeft de kosten ex aequo et bono begroot op een bedrag van € 750,-. In hun tweede grief verwijzen [geïntimeerden] naar een als productie 11 overgelegde verklaring van […] namens De Twin, inhoudend dat de facturen 2006-01 ad € 321,30 en 2006-02 ad € 1.445,85 betrekking hebben op het afvoeren van vernielde en beschadigde inventaris van ADNU Plus B.V. te Naaldwijk. GIBO acht de verklaring dubieus en stelt dat de inhoud daarvan niet als juist kan worden aanvaard. 20. De verklaring van de heer […] ziet op de facturen van 24 april 2006 (factuur nr. 2006-02) en 24 mei 2006 (factuur nr. 2006-01). De specificatie is beperkt tot "verrichte werkzaamheden", zonder aanduiding van de aard van de werkzaamheden of de datum waarop deze zouden hebben plaatsgevonden. Uit de facturen zelf kan derhalve niet worden afgeleid dat deze betrekking hebben op het afvoeren van beschadigd meubilair. De schriftelijke verklaring van de heer […] acht het hof onvoldoende overtuigend. Nu [geïntimeerden] geen op dit punt toegesneden bewijsaanbod hebben gedaan acht het hof dan ook niet bewezen dat de kosten in totaal € 1.666,- hebben bedragen. Anders dan GIBO, acht het hof echter wel aannemelijk dat [geïntimeerden] voor het afvoeren van de inventaris kosten hebben moeten maken. Het hof acht de begroting van de rechtbank redelijk en zal het vonnis op dit punt dan ook bekrachtigen. 21. Gelet op het voorgaande falen zowel de grieven VI en VII van GIBO, als grief II van [geïntimeerden] 22. Grief III van GIBO is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de cliëntendossiers (op grond van de vaststellingsovereenkomst) op 13 maart 2006 aan [geïntimeerden] ter beschikking hadden kunnen worden gesteld en dat het eerst op 22 maart 2006 overdragen daarvan redelijke grond ontbeert. De grieven IV en V, alsmede XIII tot en met XVII van GIBO betreffen de begroting van de uit die tekortkoming voortvloeiende schade. Ook grief I van [geïntimeerden] ziet daarop. 23. GIBO stelt in haar derde grief dat partijen geen termijn zijn overeengekomen voor de overdracht van cliënten en de daarbij behorende dossiers. Zij wijst op punt 6 van de vaststellingsovereenkomst, waar slechts wordt verwezen naar bijlage 1, waarin de cliënten zijn genoemd die mogelijk zouden willen overstappen van GIBO naar [geïntimeerden] Of dat werkelijk zou gebeuren kon pas later worden vastgesteld, aldus GIBO, reden waarom de overeengekomen goodwill in gedeelten zou worden betaald. GIBO wijst er voorts op dat op 13 maart 2006 nog geen duidelijkheid bestond over de over te dragen cliënten, dat dit pas op 17 maart 2006 het geval was, dat [geïntimeerden] pas bij brief van 20 maart daarop volgend aandrong op overdracht en dat zij, in verband met haar recente verhuizing van Naaldwijk naar Rijswijk en de daaruit voortvloeiende omstandigheid dat de dossiers nog in dozen zaten, enige dagen nodig had om de dossiers eruit te zoeken die zouden worden overgedragen. Tenslotte wijst zij erop dat zij tot de overdracht verantwoordelijk bleef voor de betreffende cliënten en de behartiging van hun belangen. 24. [geïntimeerden] stellen daar tegenover dat het de bedoeling was dat de cliënten (van bijlage 1) direct zouden worden overgedragen, omdat hun belangen moesten worden behartigd, dat de brief van 20 maart 2006 werd geschreven omdat GIBO in gebreke bleef en dat niet valt in te zien dat GIBO twaalf dagen nodig had om de betreffende dossiers bij elkaar te zoeken. 25. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, anders dan ten aanzien van het ter beschikking stellen van het kantoorpand, onvoldoende aanknopingspunt biedt voor de conclusie dat partijen de bedoeling hadden ook de overdracht van de cliënten per direct te doen plaatsvinden. [geïntimeerden] hebben evenmin omstandigheden gesteld die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat zij de overeenkomst tussen partijen aldus hebben verstaan en dat GIBO dat heeft moeten begrijpen. De omstandigheid dat met betrekking tot het pand was afgesproken dat dit op zo kort mogelijke termijn door [geïntimeerden] in gebruik zou worden genomen brengt niet, althans niet zonder meer, mee dat ook de dossiers van de op bijlage 1 vermelde cliënten op diezelfde termijn ter beschikking dienden te worden gesteld. Het is immers goed voorstelbaar dat [geïntimeerden] eerst de kantoorruimte zouden willen inrichten en de faciliteiten op orde zouden willen brengen alvorens daadwerkelijk tot het bedienen van cliënten over te gaan. Ook de belangen van de cliënten noodzaakten niet tot een onmiddellijke overdracht, nu GIBO daarvoor verantwoordelijk bleef zolang de dossiers niet waren overgedragen. Van belang is voorts dat [geïntimeerden], naar GIBO onweersproken heeft gesteld, ervan op de hoogte waren dat de dossiers recent verhuisd waren en zich nog in dozen bevonden. Ook in dat licht bezien mochten [geïntimeerden] er niet zonder meer vanuit gaan dat GIBO de dossiers onmiddellijk zou aanleveren. Blijkens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg hebben partijen op 17 maart 2006 over de over te dragen cliënten gesproken. Vervolgens hebben [geïntimeerden] GIBO bij brief van 20 maart 2006 verzocht om de dossiers "op korte termijn" over te dragen. GIBO heeft daaraan op 22 maart daarop volgend voldaan. Gelet op dit samenstel van omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat uit de verklaringen en gedragingen van partijen niet volgt dat GIBO gehouden was om de dossiers met betrekking tot de op bijlage 1 vermelde cliënten onmiddellijk, althans eerder dan zij heeft gedaan aan [geïntimeerden] ter beschikking te stellen. Van een tekortkoming op dit punt is dus geen sprake, zodat ook de daarmee corresponderende vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen. Grief III slaagt derhalve. Gelet hierop behoeven de grieven IV en V en XIII-XVII van GIBO, alsmede grief I van [geïntimeerden], geen bespreking. 26. In grief VIII bestrijdt GIBO dat zij op grond van de vaststellingsovereenkomst ook gehouden was digitale cliëntgegevens aan [geïntimeerden] ter beschikking te stellen. Dat volgt niet uit de overeenkomst en het is in de accountancy ook niet gebruikelijk, aldus GIBO. [geïntimeerden] hadden de digitale gegevens ook niet nodig, omdat zij over de papieren dossiers beschikte. Verder stelt GIBO dat zij geen gegevens heeft gewist, maar dat [geïntimeerden] niet meer over de gegevens konden beschikken omdat de computers waren los gekoppeld van het netwerk van GIBO. GIBO stelt hulp te hebben aangeboden in de persoon van de heer […]. Tenslotte maakt GIBO bezwaar tegen de beslissing om de schade te stellen op een percentage van de door [geïntimeerden] voor de cliënten betaalde goodwill. [geïntimeerden] zullen hun schade moeten bewijzen, aldus nog steeds GIBO. 27. [geïntimeerden] stellen dat het feit dat in de vaststellingsovereenkomst niets over de overdracht van digitale cliëntgegevens is bepaald niet redengevend is, nu dat ook ten aanzien van de papieren dossiers het geval is. Dat deze gegevens dienden te worden overgedragen volgt volgens [geïntimeerden] uit de strekking van de overeenkomst. Zij stellen dat dat bovendien wel degelijk gebruikelijk is bij een praktijkovername zoals deze en dat het ook is gebeurd toen [geïntimeerden] de praktijk eerder aan GIBO verkochten. [geïntimeerden] betwisten dat GIBO hen hulp heeft aangeboden en stellen dat er geen enkele reden zou zijn geweest deze te weigeren. Zij verwijzen daarbij naar productie 7 bij memorie van antwoord, een intern memo van GIBO, waarin onder meer staat dat vanuit GIBO geen begeleiding zal plaatsvinden ten aanzien van (kort gezegd:) de ICT. 28. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] er vanuit mochten gaan dat GIBO alle gegevens betreffende de over te dragen cliënten aan [geïntimeerden] ter beschikking zou stellen (dus ook: de digitale) en dat GIBO heeft dat ook moeten begrijpen. In dat verband neemt het hof in aanmerking
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.