GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Familiesector Uitspraak : 1 december 2010 Zaaknummer : 200.070.601 Rekestnr. rechtbank : F1 RK 09-1991 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.G. Bannenberg te Rotterdam, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. F.J.R. van der Linden te ’s-Gravenhage. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man heeft het hof op 3 mei 2010, in een scheidingszaak die bij het hof aanhangig is, verzocht de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 december 2009 van de rechtbank Rotterdam te wijzigen. De vrouw heeft op 3 juni 2010 een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de man zijn bij het hof op 17 mei 2010, 28 mei 2010, 21 juli 2010, 28 en 29 september 2010 aanvullende stukken ingekomen. Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 27 september 2010 aanvullende stukken ingekomen. Op 8 oktober 2010 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met de zaak bekend onder zaaknummer 200.067.548/200.067.
- Verschenen zijn: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsman van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2009 aan de vrouw zal verstrekken, tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen, [naam minderjarige], geboren [in 2006] te [geboorteplaats] en [naam minderjarige], geboren [in 2008] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), een bedrag van € 657,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De echtscheidingsbeschikking is op 12 juli 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook kinderalimentatie, voor de duur van het geding.
- De man verzoekt de bestreden beschikking te wijzigen en de bedragen ten titel van de bijdrage in de kosten van de minderjarigen in goede justitie te bepalen.
- De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het verzoek van de man af te wijzen, kosten rechtens.
- Het hof stelt, onder verwijzing naar de hoofdzaak bekend onder zaaknummer 200.067.548, het bedrag van de kinderalimentatie voor de duur van het geding vast op € 292,- per maand per kind. BESLISSING Het hof: bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2009 op € 292,- per maand per kind; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van Dijk en Roelvink, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2010.