GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Zaaknummer : 200.042.302/01 Zaak/ rolnummer rechtbank : 255998/ HAZA 06-560 Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 18 januari 2011 inzake [appellant], mede h.o.d.n. [naam eenmanszaak], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. R. van Noord te Ridderkerk, tegen CONTROL SERVICE NETWORK B.V., tevens h.o.d.n. Meweco Control Service Network, gevestigd te Ridderkerk, geïntimeerde, hierna te noemen: CSN, advocaat: mr. E.M. Kostense te 's-Gravenhage. Het geding Bij exploot van 1 september 2009 – het exploot vermeldt dit jaartal niet, maar het hof acht geen redelijke twijfel daarover mogelijk – is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank te Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 4 juli 2007 (tussenvonnis) en 10 juni 2009 (eindvonnis). Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft CSN de grieven bestreden en harerzijds drie grieven aangevoerd. Hierop heeft [appellant] bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met twee producties) gereageerd. In het procesdossier van [appellant] bevindt zich een akte die door CSN ter rolle van 29 juni 2010 is aangeboden maar toen geweigerd is. Het hof heeft op deze akte geen acht geslagen. Vervolgens hebben partijen ieder hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1 De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 juli 2007 sub 2.1 tot en met 2.6 de belangrijkste feiten geresumeerd. Partijen hebben daartegen geen grieven aangevoerd, zodat deze samenvatting ook het hof tot uitgangspunt dient. Met inachtneming hiervan gaat het in dit geding in hoofdzaak om het volgende. 1.1 [appellant] heeft in 1996 in een gebouwencomplex, genaamd Ridderhaven, gelegen aan de Ridderhaven in Ridderkerk, een brand- en inbraaksignaleringssysteem aangelegd. Voor het onderhoud daarvan zijn overeenkomsten tussen hem en de toenmalige beheerder, Ridderhaven BV, gesloten. De laatstelijk met deze beheerder gesloten contracten liepen per 1 oktober 2004 af. 1.2 In de loop van 2004 is Ridderhaven BV failliet gegaan en is het beheer – althans van een deel van het complex – in handen van Property View BV gekomen. Deze heeft het onderhoud van het brand- en inbraaksignaleringssysteem uitbesteed aan CSN, die op haar beurt dat onderhoud, dat steeds door [appellant] was verricht, door hem wilde laten voortzetten. 1.3 In verband daarmee hebben gesprekken plaatsgevonden. Deze hebben erin geresulteerd dat [appellant] voor de periode 1 oktober 2004 tot 1 oktober 2005 een viertal overeenkomsten voor onderhoud van inbraakalarminstallaties en een overeenkomst voor onderhoud van een brandmeldinstallatie aan CSN heeft toegezonden. Deze overeenkomsten zijn door CSN bij brieven, gedateerd 25 februari 2005, voor akkoord getekend geretourneerd. In de teruggezonden contracten had CSN de looptijd gewijzigd in 1 januari tot 31 december 2005, waarmee [appellant] ingestemd heeft. 1.4 De overeenkomsten vermelden een prijs van € 160,- per jaar exclusief BTW voor het onderhoud van de inbraakalarminstallaties en € 7.500,- per jaar exclusief BTW voor het onderhoud van de brandmeldinstallatie. Ter zake van deze betalingsverplichtingen zijn aan CSN facturen, gedateerd 30 maart 2005, gezonden. 1.5 CSN heeft de facturen niet betaald, waarna [appellant] haar bij dagvaarding van 10 februari 2006 in rechte heeft betrokken. CSN heeft verweer gevoerd, maar de rechtbank heeft dit verworpen. Bij het eindvonnis van 10 juni 2009 is CSN – in conventie – veroordeeld aan [appellant] te betalen een bedrag van € 9.686,60, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2006 tot de dag van voldoening, en de proceskosten in conventie. 1.6 In eerste aanleg heeft CSN een vordering in reconventie ingesteld, waartoe zij heeft aangevoerd dat zij schade heeft geleden doordat [appellant] enige met haar gemaakte afspraken niet is nagekomen. [appellant] heeft daartegen verweer gevoerd, maar ook dat is door de rechtbank verworpen. Bij het eindvonnis heeft de rechtbank [appellant] in reconventie veroordeeld om CSN de bij schadestaat op te maken schade te vergoeden die zij heeft geleden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de overeenkomsten die strekten tot reparatie en goedkeuring van de brandmeldinstallatie. [appellant] is tevens in de proceskosten in reconventie veroordeeld. 1.7 Het principaal beroep van [appellant] is gericht tegen de in reconventie gegeven beslissingen. Het principaal beroep van CSN is gericht tegen enige in conventie gegeven beslissingen. 2 Het hof zal eerst het principaal beroep behandelen. 2.1 Vooraf merkt het hof op dat CSN de nietigheid van het appelexploot heeft ingeroepen omdat de deurwaarder in de aanhef ervan niet het jaartal van de dag en de maand waarop/in het exploot is uitgebracht heeft vermeld. Dit beroep wordt door het hof gepasseerd aangezien niet aannemelijk is dat CSN door dit gebrek onredelijk is benadeeld (art. 66 Rv). 2.2 Verder heeft CSN erop gewezen dat haar geen ondertekend exemplaar van de op 10 november 2009 genomen memorie van grieven is verstrekt en dat een ongetekend exemplaar haar pas bij brief van 4 februari 2010 is toegezonden. Het exemplaar van de memorie dat het hof in het procesdossier van [appellant] heeft aangetroffen is evenmin ondertekend. Het exemplaar dat [appellant] ter rolle heeft overgelegd is echter wel ondertekend. Het hof heeft dit exemplaar vergeleken met het aan CSN gezonden stuk en heeft geconstateerd dat beide exemplaren, behoudens de ondertekening, gelijkluidend zijn. 2.3 Artikel 83 lid 2 Rv bepaalt dat conclusies en akten in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen (zoals het onderhavige geding) door de advocaat worden ondertekend. Artikel 84 lid 4 Rv schrijft voor dat de advocaat in die zaken uiterlijk op de roldatum een afschrift van de desbetreffende stukken aan de advocaat van de wederpartij doet toekomen. Als regel kan door de rechter geen acht worden geslagen op niet ondertekende processtukken. Het hof zal aan voormelde verzuimen van de advocaat van [appellant] in dit geval geen sanctie verbinden, enerzijds omdat het door het hof gebruikte griffie-exemplaar van de memorie wel is ondertekend, anderzijds omdat CSN niet heeft gesteld en, gelet op het nagenoeg gelijkluidend zijn van het door CSN ontvangen exemplaar, ook anderzijds niet aannemelijk is geworden dat zij door deze verzuimen in haar procesvoering is benadeeld. 2.4 De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij komen op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van “de overeenkomsten die strekten tot reparatie en goedkeuring van de brandmeldinstallatie”. [appellant] stelt dat de rechtbank van onjuiste feiten en omstandigheden is uitgegaan en dat hij niet erkend heeft werkzaamheden aan de blusinstallatie niet goed uitgevoerd te hebben. De omstandigheid dat de installatie niet goedgekeurd was toen CSN het onderhoud van het Ridderhaven-complex op zich nam, kan hem niet verweten worden, aldus [appellant]. 2.4.1 [appellant] heeft zijn grieven onderbouwd met onder meer een uitvoerige beschrijving van de samenstelling van de brandmeld- en blusinstallatie (hierna: de bb-installatie) en van degenen die bij het onderhoud en de keuring daarvan een rol spelen. Deze beschrijving is door CSN niet (voldoende) weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. 2.4.2 De rechtbank heeft haar oordeel voornamelijk gebaseerd op een mededeling van [appellant], die hij over de bb-installatie gedaan zou hebben tijdens een in eerste aanleg, op 14 juni 2006, gehouden comparitie van partijen. Opmerking verdient dat het proces-verbaal van deze zitting buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt en dat de daarin opgenomen verklaringen van partijen niet door hen zijn ondertekend. Het hof meent dat daarom aan deze weergave in deze feitelijk gecompliceerde procedure geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Het daarop gevolgde tussenvonnis van 4 juli 2007 is gewezen door een andere rechter dan degeen die de comparitie heeft geleid, waarna de getuigenverhoren die bij dat vonnis zijn opgedragen, zijn geleid door weer een andere rechter. In het tussenvonnis is de bewuste passage in het proces-verbaal niet letterlijk overgenomen maar van een interpretatie voorzien: in het proces-verbaal staat als verklaring van [appellant]: “[…] De werkzaamheden aan de blusinstallaties zijn niet helemaal juist uitgevoerd […]”, in het tussenvonnis (r.o. 7.7) is dat ‘vertaald’ in: “[…] [appellant] erkent in dat kader dat hij de werkzaamheden aan de blusinstallaties niet helemaal goed heeft uitgevoerd […]”. In het licht van hetgeen [appellant] gesteld heeft over de onderscheiden verantwoordelijkheden van degenen die bij de blusinstallatie betrokken waren, is dat verschil niet zonder belang. Bij conclusie na enquête heeft [appellant] getracht het aldus ontstane beeld recht te zetten, nadat hij als getuige al een verklaring had afgelegd die een ander beeld geeft. Het eindvonnis is gewezen door de rechter die leiding had gegeven aan de getuigenverhoren, dus niet degeen die het tussenvonnis heeft gewezen. In het eindvonnis is aan de door [appellant] gewenste correcties voorbij gegaan. 2.4.3 Het hoger beroep kan er mede toe strekken eigen fouten die in de eerste aanleg zijn begaan, te herstellen. Voor zover [appellant] zich tijdens de bedoelde comparitie van partijen uitgelaten zou hebben zoals in het tussenvonnis is vermeld, staat het [appellant] dan ook vrij – anders dan CSN lijkt te willen betogen – om daarop terug te komen, tenzij dat in strijd zou komen met een behoorlijke procesorde. Die situatie is niet aan de orde. 2.4.4 Het verwijt dat CSN als grondslag voor haar vordering in reconventie aan [appellant] heeft gemaakt, laat zich door het hof als volgt begrijpen. Partijen hebben voorafgaand aan het aangaan van de onderhoudscontracten overleg gevoerd. Daarbij is geconstateerd dat voor de bb-installatie bij de laatste keuring daarvan geen goedkeuring was afgegeven. Bovendien was de bb-installatie niet binnen zes maanden na de vorige keuring opnieuw aan een keuring onderworpen. Daarnaast was het wenselijk/noodzakelijk aan de bestaande installatie voorzieningen toe te voegen (door [appellant] aangeduid als verbeteringen ter voorkoming van loze alarmmeldingen) waarvoor [appellant] een offerte zou maken. [appellant] zou ervoor zorgen dat de bb-installatie aldus up to date zou worden gebracht en is deze afspraak niet nagekomen. CSN heeft daarom door derden werkzaamheden laten uitvoeren. Bovendien had [appellant] de bedoelde werkzaamheden uitgevoerd moeten hebben voordat de onderhouds-contracten zouden worden aangegaan, althans ingaan. 2.4.5 Het verweer van [appellant] hiertegen laat zich door hof als volgt begrijpen. De inbraakinstallaties staan los van de bb-installatie. Deze laatste werd deels door [appellant] (het elektronische gedeelte), deels door aanvankelijk Skum BV, later Tycom BV (het mechanische gedeelte) onderhouden. Het toezicht op het feitelijk gebruik van de loodsen waarin de bb-installatie was aangelegd viel onder de verantwoordelijkheid van de beheerder (eerst Ridderhaven BV, thans Property View BV). De bb-installatie werd halfjaarlijks door R2B Inspecties BV (hierna: R2B) gekeurd, op basis van een door de beheerder met R2B aangegane overeenkomst. De laatste keuring heeft op 26 mei 2004 (rapport R2B van 28 juni 2004) plaatsgevonden. Een vervolgkeuring (volgens dat rapport voor 30 oktober 2004 uit te voeren) is niet uitgevoerd omdat er na het faillissement van Ridderhaven BV geen overeenkomst meer bestond met R2B, Tycom BV en/of [appellant]. Het rapport van R2B van 28 juni 2004 behelst geen afkeuring van de bb-installatie, wel een beschrijving van uit te voeren werkzaamheden. De verbeteringen die wenselijk waren had [appellant] geoffreerd aan Ridderhaven BV bij brief van 15 november 2002 maar de goedkeuring door R2B was niet afhankelijk van de uitvoering daarvan. Waar nodig heeft [appellant] de bb-installatie voor wat betreft het elektronische gedeelte onderhouden, ook tussen 1 oktober 2004 en 1 januari 2005 toen er geen onderhoudscontract met enige beheerder van kracht was. Alle gemaakte afspraken zijn door [appellant] nagekomen of zouden door hem nagekomen worden nadat CSN de betaling van de overeengekomen bedragen voor de onderhoudscontracten zou hebben verricht. Volgens [appellant] is niet overeengekomen dat deze afspraken moesten worden uitgevoerd voordat de onderhoudscontracten zouden ingaan en de met die contracten gemoeide prijzen waren betaald. 2.4.6 Het hof constateert – met de rechtbank – dat het geschil in reconventie niet ziet op de nakoming van het onderhoudscontract voor de bb-installatie, maar op hetgeen partijen voorafgaand aan de ondertekening daarvan met elkaar hebben besproken en mogelijk afgesproken als aparte werkzaamheden buiten dat contract. Daarbij gaat het vooral om de keuring van de bb-installatie en de interpretatie van het R2B-rapport van 28 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.