GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector civiel Zaaknummer : 105.006.809/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 269929 / HA ZA 06-2501 Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 26 april 2011 (bij vervroeging) in de zaak van: [Naam], wonende te […], […], […], appellant, nader te noemen: [appellant], advocaat: mr. drs. A.J.F. Gonesh te 's-Gravenhage, tegen: [Naam], wonende te […], geïntimeerde, nader te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. M.D. Winter te 's-Gravenhage. Het geding Bij exploot van dagvaarding van 1 augustus 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel, tussen partijen gewezen vonnissen van 31 januari 2007 en 18 juli 2007. Bij memorie van grieven van 4 augustus 2009 heeft [appellant] zeven grieven aangevoerd, die door [geïntimeerde] zijn bestreden bij memorie van antwoord. Hierop hebben partijen de zaak mondeling bepleit op 18 maart 2011. Van deze pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Hierna hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De feiten, die de rechtbank heeft weergegeven in het vonnis van 14 juni 2006 en het vonnis van 31 januari 2007 staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 2. Het gaat in dit geding thans om het volgende. (2.1) [geïntimeerde] heeft in 2005 interesse getoond in de overname van het restaurant dat zijn oom [appellant] in Spanje exploiteerde. Hij is daartoe in juni 2005 samen met zijn moeder enige tijd in Spanje geweest. [geïntimeerde] heeft vervolgens in juli 2005 - zijn moeder was toen niet aanwezig - ongeveer anderhalve week in het restaurant van [appellant] gewerkt. De opbrengst van het restaurant over die periode heeft [geïntimeerde] aan [appellant] afgedragen. Op enig moment begin juli 2005 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] in Spanje € 50.000,-- betaald. Ook heeft hij in Spanje een woning gehuurd voor de duur van zes maanden, is op zijn naam een bankrekening geopend, een fiscaal nummer aangevraagd en een telefoonabonnement afgesloten. (2.2) [appellant] heeft door zijn boekhouder in Spanje een contract, gedagtekend 1 juli 2005, laten opstellen in de Spaanse en Engelse taal (productie 1 verzetdagvaarding). Volgens dit contract wordt het restaurant voor een periode van vijf jaar overgedragen aan [geïntimeerde] voor een bedrag van € 100.000,--, te betalen in twee termijnen van elk € 50.000,-- en bedraagt de maandelijkse huur voor het restaurant (hierna: het pand) € 1.200,-- (plus omzetbelasting). Dit contract is niet ondertekend. (2.3) Op een gegeven moment in juli 2005 is de moeder van [geïntimeerde] weer terug naar Spanje gereisd. Na de komst van zijn moeder is [geïntimeerde] gestopt met werken in het restaurant en is hij teruggekeerd naar Nederland. 3. [geïntimeerde] heeft vervolgens een procedure aanhangig gemaakt tegen [appellant]. Hij heeft, na verwijzing naar de sector civiel van de rechtbank, (in hoofdsom) de door hem aan [appellant] betaalde € 50.000,-- teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling. Bij inleidende (door de deurwaarder opgestelde) dagvaarding heeft hij in dit verband naar voren gebracht dat dit bedrag begin juli 2005 is overgemaakt op de rekening van [appellant] als een soort borgstelling, dat hij tijdens de proefperiode van 1 juli tot 9 juli 2005 geconstateerd heeft dat de omzetten tegenvielen, terwijl hij ook geen jaarstukken te zien kreeg, zodat hij daarom de overeenkomst geheel heeft ontbonden. 4. [appellant] heeft betwist dat hij tot terugbetaling verplicht is. Volgens hem heeft hij met [geïntimeerde] een definitieve koopovereenkomst met betrekking tot het restaurant gesloten voor een koopsom van € 100.000,--, te betalen in twee termijnen. Daarnaast zou [geïntimeerde] de maandelijkse huur van € 1.200,-- aan de eigenaar van het pand betalen. Het door hem ontvangen bedrag van € 50.000,-- gold, aldus [appellant], als de eerste termijnbetaling. Omdat [geïntimeerde] de koopovereenkomst niet is nagekomen, heeft [appellant] na een korte sluitingsperiode het restaurant voortgezet en verbouwd tot een steakhouse. [appellant] heeft in reconventie op zijn beurt een bedrag van € 50.000,-- gevorderd, primair ten titel van nakoming (de tweede termijn van de koopsom), subsidiair ten titel van schadevergoeding. 5. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 18 juli 2007 [appellant] in conventie veroordeeld tot betaling van € 50.000,-- met rente. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe in de kern overwogen dat [appellant] de stelling van [geïntimeerde] dat er geen koopovereenkomst tot stand was gekomen onvoldoende heeft weersproken. 6. [appellant] klaagt in hoger beroep met zeven grieven over deze beslissing. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bevoegde rechter en toepasselijk recht 7. Het hof stelt het volgende voorop. Zoals tijdens de comparitie/tevens enkelvoudig pleidooi van 18 maart 2011 besproken is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht niet langer meer een punt van discussie. De Nederlandse rechter is bevoegd en het Nederlandse recht is van toepassing. De vordering in reconventie 8. De vordering in reconventie heeft de verste strekking. Naar het hof begrijpt vordert [appellant] thans geen nakoming meer, maar schadevergoeding wegens wanprestatie, bestaande uit het niet nakomen van de koopovereenkomst. Evenals de rechtbank heeft gedaan, zal het hof daarom onderzoeken of er sprake is geweest van een koopovereenkomst tussen partijen. De stelplicht en de bewijslast hiervan rusten op [appellant]. 9. Uitgangspunt is dat [geïntimeerde] belangstelling heeft getoond om het restaurant te kopen. Echter, hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is ontoereikend om het oordeel te dragen dat vervolgens tussen partijen een definitieve koopovereenkomst tot stand is gekomen. Aan [appellant] moet weliswaar worden toegegeven dat de betaling door [geïntimeerde] in juli 2005 van het bedrag van € 50.000,-- een aanwijzing zou kunnen vormen voor het bestaan van een definitieve overeenkomst, maar de verklaring die [geïntimeerde] voor deze betaling geeft (een soort waarborgsom om een proefperiode te mogen gaan werken, mijn oom drong aan, ik vertrouwde hem) laat wel degelijk een andere reden voor deze betaling open. De betaling alléén is dus ontoereikend. Hetgeen [appellant] bij pleidooi in hoger beroep omtrent de omschrijving op de bankafschriften heeft gemeld maakt dit niet anders. Wat blijft dan over? (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.