GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-10/00160 en BK-10/00161 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 25 mei 2011 in het geding tussen: [belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende, en de voorzitter van het managementteam van de belastingdienst Rijnmond, hierna: de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 17 februari 2010, nr. AWB 07/5892 IB/PVV en nr. AWB 07/5893 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslagen. Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.650, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 25.887 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 120.573. 1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.929, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 36.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 155.315. 1.3. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 juli 2007 respectievelijk 15 november 2008 de door belanghebbende tegen de aanslagen gemaakte bezwaren afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord. 2.2. Beide partijen zijn verschenen ter zitting van het Hof op 13 april 2011 te ?s-Gravenhage. De zaken met de nummers BK-10/00160 en BK-10/00161 zijn gezamenlijk behandeld. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in de ene zaak geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaak. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten 3.1. Het Hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, opgenomen onder 1.2.1 tot en met 1.2.4 van haar uitspraak, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiser” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid: “1.2.1 Eiser is gedurende de jaren 2003 en 2004 enig aandeelhouder van [A] N.V. Deze vennootschap is gevestigd op de Nederlandse Antillen (Curaçao), en haar bezittingen bestaan voor meer dan vijftig procent uit beleggingen. 1.2.2 Voor de heffing van IB/PVV heeft eiser voor het jaar 2003 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.650 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 120.573. 1.2.3 Voor het jaar 2004 heeft eiser aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.929 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 155.315. 1.2.4 Bij het vaststellen van de aanslagen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ter zake van de aandelen [A] N.V. een forfaitair voordeel, als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, (hierna: forfaitair rendement) van de Wet IB 2001 in aanmerking moet worden genomen. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2003 en 2004 de bedragen van het forfaitaire rendement en daarmee de belastbare inkomens uit aanmerkelijk belang voor die jaren vastgesteld op respectievelijk € 25.887 en € 36.832.” Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. In geschil is of het forfaitaire rendement door de Inspecteur terecht als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. 4.2. Belanghebbende stelt zich in het kader van zijn hoger beroep en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur op het standpunt dat de forfaitaire inkomensbijtelling op grond van artikel 4.14 juncto artikel 4.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 een door artikel 56 EG-verdrag verboden belemmering vormt en daarom buiten toepassing moet blijven omdat voor een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap waarvan de bezittingen grotendeels bestaan uit beleggingen geen forfaitair rendement in aanmerking wordt genomen en voert daartoe het volgende aan. a. Curaçao behoort tot de Landen en Gebieden Overzee (LGO). De LGO zijn “derde landen” zodat een beroep kan worden gedaan op het Europese recht; b. er is geen sprake van een directe investering in de zin van artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het LGO-besluit zodat dat artikel toepassing mist; c. het op de LGO van toepassing zijnde regime (deel IV van het EG-verdrag en het LGO-besluit), dient niet als een autonoom rechtstelsel te worden beschouwd, maar als een lex specialis; d. er is sprake van kapitaalverkeer tussen een lidstaat (Nederland) en een derde land (Curaçao) zodat getoetst dient te worden aan artikel 56 EG-verdrag; c. de standstill-bepaling van artikel 57 EG-verdrag is niet van toepassing in de relatie Nederland-Curaçao en bovendien is geen sprake is van een “directe investering” zoals gedefinieerd in de nomenclatuur van het kapitaalverkeer die is opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988; en d. er is geen rechtvaardigingsgrond voor de hier aan de orde zijnde belemmering van het kapitaalverkeer. 4.3. De Inspecteur stelt in zijn verweerschrift respectievelijk het incidenteel hogerberoepschrift het volgende daartegenover. a. De relatie tussen Nederland en Curaçao is een interne aangelegenheid zodat toepassing van artikel 56 EG-verdrag niet aan de orde komt; b. de relatie wordt beheerst door het LGO-besluit zodat de onderhavige forfaitaire rendementsregeling aan artikel 45 (inzake vestiging) respectievelijk artikel 47 (inzake kapitaalverkeer) LGO-besluit dient te worden getoetst, waarbij de toepassing van artikel 47 LGO-besluit in casu wordt overruled door artikel 55 LGO-besluit; c. de opvatting van Advocaat-Generaal P. Cruz Villalón, zoals verwoord in zijn conclusie in de zaak Prunus SARL heeft geen betekenis voor het onderhavige geschil; d. er dient exclusief aan artikel 43 EG-verdrag (het recht van vestiging) getoetst te worden en bovendien is Curaçao als LGO geen “derde land” in de zin van artikel 56 EG-verdrag zodat toetsing aan artikel 56 EG-verdrag (kapitaalverkeer) niet aan de orde komt; e. ingeval wel getoetst moet worden aan artikel 56 EG-verdrag en daaruit volgt dat sprake is van een verboden beperking dan wordt die beperking gerechtvaardigd door het bepaalde in artikel 57, eerste lid, EG-verdrag of artikel 58, eerste lid, onderdeel b en derde lid, EG-verdrag. 4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, van de uitspraken van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 tot aanslagen naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil met handhaving van de belastbare inkomens uit werk en woning en sparen en beleggen en tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten. Verder concludeert belanghebbende tot verwerping van het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur. 5.2. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank 6.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen, waarbij voor eiser en verweerder gelezen dient te worden respectievelijk belanghebbende en Inspecteur. “II.1 Wettelijk kader 2.1.1 Artikel 4.13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 luidt voor de jaren 2003 en 2004: “Tot de reguliere voordelen bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, behoren: a. Een forfaitair voordeel uit aandelen in of winstbewijzen van een niet in Nederland gevestigde vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen grotendeels, direct of indirect bestaan uit beleggingen;” 2.1.2 Artikel 4.14 van de Wet lB 2001 luidt, voor zover hier van belang: “1. Het forfaitaire voordeel bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, wordt gesteld op 4% per jaar van de waarde in het economische verkeer die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend, verminderd met de overige op grond van artikel 4.12, onderdeel a, ter zake van die aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen reguliere voordelen, doch niet verder dan tot nihil. 2. Het voordeel wordt naar tijdsgelang berekend. Indien de aandelen of winstbewijzen niet het gehele kalenderjaar tot het aanmerkelijk belang hebben behoord, worden bij de berekening van het voordeel gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd. […] 8. Het forfaitaire voordeel, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op een aanmerkelijk belang in: a. kredietinstellingen, hypotheekbanken en verzekeringsmaatschappijen die officieel zijn genoteerd op bij ministeriële regeling aan te wijzen effectenbeurzen; b. vennootschappen waarvan de feitelijke werkzaamheden aanmerkelijk verschillen van beleggen of daarmee overeenkomende werkzaamheden; c. vennootschappen die zijn onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is. [...].“ 2.1.3 Artikel 43 van het EG-verdrag luidt: “In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging van onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgever van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.” 2.1.4 Artikel 56 van het EG-verdrag luidt: “1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden. 2. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het betalingsverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.” 2.1.5 Artikel 57, eerste lid, EG luidt: “1. Het bepaalde in artikel 56 doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van nationaal of Gemeenschapsrecht inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.” 2.1.6 Artikel 182 van het EG-verdrag luidt, voor zover hier van belang: “De lidstaten komen overeen de niet-Europese landen en gebieden welke bijzondere betrekkingen onderhouden met Denemarken, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk te associëren met de Gemeenschap. Die landen en gebieden, hierna genoemd landen en gebieden, worden opgenoemd in een lijst die als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht. […].” In de als bijlage II aan het EG-verdrag gehechte lijst worden onder andere de Nederlandse Antillen genoemd. 2.1.7 Artikel 183, aanhef en onderdeel 5, van het EG-verdrag luidt: “Door de associatie worden de volgende doeleinden nagestreefd: […] 5. In de betrekkingen tussen de lidstaten en de landen en gebieden wordt het recht van vestiging van de onderdanen en rechtspersonen op voet van non-discriminatie geregeld overeenkomstig de bepalingen en met toepassing van de procedures, bepaald in het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, behoudens de krachtens artikel 187 vastgestelde bijzondere bepalingen.” 2.1.8 Artikel 299, derde lid, van het EG-verdrag luidt: “De landen en gebieden overzee waarvan de lijst als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, vormen het onderwerp van de bijzondere associatieregeling omschreven in het vierde deel van dit Verdrag.” Voormeld vierde deel omvat de artikelen 182 tot en met 188 EG. 2.1.9 De tweede en de zesde overweging in de considerans van het besluit van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Gemeenschap (2001/822/EG) (hierna: LGO-besluit) luiden: “2. Verklaring nr. 36 inzake de landen en gebieden overzee (LGO), gehecht aan de slotakte van de Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, getekend te Amsterdam op 2 oktober 1999, verzoekt de raad de associatieregeling overeenkomstig artikel 187 van het Verdrag te herzien, met een vierledig doel: - de economische en sociale ontwikkeling van de LGO doeltreffender te bevorderen, - de economische betrekkingen tussen de LGO en de Europese Unie te ontwikkelen, - meer rekening te houden met de diversiteit en de specifieke kenmerken van de onderscheiden LGO, mede wat de vrijheid van vestiging betreft, - de doeltreffendheid van het financieel instrument te verbeteren, [...]. 6. De LGO zijn geen derde landen, maar maken ook geen deel uit van de interne markt; zij dienen op handelsgebied te voldoen aan de verplichtingen die ten aanzien van derde landen zijn vastgesteld, met name wat betreft oorsprongsregels, sanitaire en fytosanitaire normen en vrijwaringsmaatregelen.” 2.1.10 Artikel 45, tweede lid, van het LGO-besluit luidt: “2. Wat de regeling voor vestiging en dienstverlening betreft, geldt overeenkomstig artikel 183, onder 5), van het verdrag en onder voorbehoud van lid 3:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.