GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector civiel Zaaknummer : 105.004.258/01 Rolnummer (oud) : 06/46 Zaak-rolnummer rechtbank : 51481/HA ZA 03-2750 Arrest d.d. 31 mei 2011 In de zaak van: [APPELLANT], wonende te [Woonplaats], appellant in het principaal appel verweerder in het incidenteel appel, hierna te noemen: [appellant], advocaat mr. F.J. Vos te 's-Gravenhage, tegen [GEÏNTIMEERDE], wonende te [Woonplaats], geïntimeerde in het principaal appel, appellant in het incidenteel appel, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. P.A.M. Perquin te 's-Gravenhage. Het verdere verloop van het geding Bij het tweede tussenarrest in deze zaak, thans van 9 juni 2009, heeft het hof een nader deskundigenbericht gelast, en wel door dhr P.W.J. Loos (werkzaam bij PRC B.V. te Delft). Deze deskundige heeft op 8 juni 2010 zijn deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het rapport Loos). Vervolgens heeft [geïntimeerde] een memorie na deskundigenbericht (met producties, waaronder een second opinion van Ir. A.F. van Weele van IFCO Funderingsexpertise B.V. – hierna reactie Van Weele –) genomen. [appellant] heeft daarop ook een memorie na deskundigenbericht (met als productie een reactie van [appellant]) genomen. Hierop hebben partijen opnieuw de stukken overgelegd en arrest gevraagd. De verdere beoordeling van het hoger beroep 1. Het geschil in deze zaak draait om de scheurvorming in/bij de in 1997 uitgevoerde aanbouw aan de woning van [geïntimeerde]. [appellant] wordt voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk gehouden, kort gezegd omdat hij onjuiste draagkrachtberekeningen zou hebben gemaakt. Het hof verwijst hiervoor onder meer naar zijn tussenarresten in deze zaak van 9 september 2008 en 9 juni 2009. 2. In deze zaak zijn verschillende deskundigenrapporten/ deskundigenreacties ten tonele gevoerd. Voor de duidelijkheid zal het hof het grootste deel (dus niet alles) hiervan thans kort opnieuw noemen: - Het rapport Fugro 1 van 10 augustus 2001 - Het rapport Fugro 2 van 15 november 2001 - Het rapport Fugro 3 van 5 juni 2002 - Het rapport Concretio (dhr. G.P. Dolk) van 1 maart 2002 - Het (in opdracht van de rechtbank uitgebrachte) rapport Kastelein (van PRC) van 10 juli 2003 - Het rapport De Jong (van Kelfkens en De Jong) van 21 december 2004 - Het grondmechanisch advies van Flevo Geel Techniek (behorend bij het rapport De Jong) - Het bericht van Fugro 4 (Ir. Vlasblom) van 16 november 2005 - Het rapport Loos van 8 juni 2010 - De reactie Van Weele van 22 september 2010 - De diverse reacties van de constructeur, de heer [appellant] zelf (onder meer de antwoordakte tevens overlegging producties van 2 december 2008) en de bijbehorende stukken. 3. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 24 november 2004, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, onder meer overwogen (
- i)dat door middel van het rapport Kastelein voorshands genoegzaam is aangetoond dat de opgetreden scheurvorming en de daaruit voortvloeiende schade veroorzaakt worden door onvoldoende draagkracht van de funderingspalen in de woning; (
- ii)dat hieruit eveneens voorshands kan worden afgeleid dat het door [appellant] gemaakte ontwerp dat heeft gediend als ontwerp voor de onderheiing van de fundering, niet voldoet aan de vereisten van goed en deugdelijk werk en dat hierin de basis is gelegen voor de ontstane scheurvorming en de daaruit voortvloeiende schade; (iii) dat [appellant] wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen dit vermoeden. De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 5 oktober 2005 overwogen: (
- iv)dat [appellant] niet in dit tegenbewijs is geslaagd, met name niet nu het rapport de Jong en het daarbij behorend advies van Flevo Geel Techniek van onvoldoende gewicht worden bevonden om de in het rapport Kastelein getrokken conclusies in twijfel te trekken; (
- v)dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten en daarom aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. 4. [appellant] heeft drie grieven aangevoerd tegen deze beslissingen. Met de grieven 1 en 2 klaagt [appellant] erover dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 24 november 2004 teveel waarde heeft gehecht aan het rapport Kastelein. Met grief 3 klaagt hij over de proceskostenveroordeling. Beoordeling van de grieven 1 en 2 5. Vast staat dat kort na de realisatie van de aanbouw van de woning in juli 1997 zettingen van de aanbouw optraden met scheurvorming als gevolg, alsmede dat er in de jaren daarna sprake was van toename van de zettingen. Ook staat vast dat in januari 2006 herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd, bestaande uit het aanbrengen van nieuwe stalen buispalen (fundering), waarna geen nieuwe scheurvorming/verergering van de scheur¬vorming is opgetreden. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de scheur¬vorming/zetting indertijd is ontstaan door onvoldoende draagkracht van de fundering. 6. Voorts is het hof van oordeel dat de rechtbank er op goede gronden van uit is gegaan dat de oorzaak van deze ontoereikende fundering voorshands in een onjuiste constructie¬berekening van [appellant] moet worden gezocht. Het hof is, gelet op de vele rapportages indertijd en daarná (zie ondermeer rechtsoverweging 8 hierna), ook thans deze mening toegedaan, ondanks het verweer van [appellant] daartegen. Hierbij heeft het hof, naast de uitgebrachte deskundigenberichten, mee laten wegen dat er geen, althans onvoldoende, aanwijzingen van andere oorzaken voor deze zetting zijn. 7. Dit betekent dat de grieven 1 en 2 falen. Voor zover [appellant] met deze grieven bedoeld heeft te klagen over het oordeel van de rechtbank dat hij niet is geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden van onjuiste constructieberekeningen, wordt deze klacht verworpen. Hiertoe wordt als volgt overwogen. 8. De vele door [geïntimeerde] overgelegde berekeningen, alsmede het in opdracht van de rechtbank opgestelde rapport Kastelein, komen alle uit op een te geringe berekende draagkracht – deze behoort volgens het Bouwbesluit overigens een veiligheidsmarge van 20% te hebben, gelet op de in de praktijk vaak (iets) anders uitkomende feitelijke omstandigheden – van de funderingspalen. [appellant] heeft daar, ook in hoger beroep, onvoldoende tegenover gesteld. Het hof wijst in dit verband met name op het volgende. - Over het op verzoek van [appellant] opgestelde rapport De Jong heeft de rechtbank – in hoger beroep onweersproken – geoordeeld dat het van onvoldoende gewicht is om het (in opdracht van de rechtbank uitgebrachte) rapport Kastelein in twijfel te trekken. - Het in opdracht van het hof opgestelde (aanvullend) rapport Loos, waarbij de door [appellant] gestelde langere paallengte (van 75
- cm)is beoordeeld, kan evenmin tot ontzenuwing van dit bewijsvermoeden leiden. Het hof wijst daartoe onder meer op de volgende vermelding in dit rapport:“Zoals blijkt uit de samenvatting onder 2.1.1 worden uitkomsten van berekeningen van belastingen en paaldraagvermogen beïnvloed door aannames vooraf. Daardoor zijn de uitkomsten ook niet gelijk. De belasting variëert tussen 75 kN (de eerste becijfering [appellant]) en 62.4 kN (controleberekening Concretio). Het paaldraagvermogen varieert van 58 kN (berekening door Frugo) en 79 kN (berekening door Klefkens en De Jong).(….)Becijfering van het werkelijke paaldraagvermogen is, gelet op de verschillende onzekerheden, eenvoudigweg niet mogelijk.” Deze cursieve weergave vindt steun in het procesdossier waar de vele variërende aannames tot diverse conclusies leiden. 9. De slotsom is dan ook dat voormeld bewijsvermoeden niet door [appellant] is ontzenuwd. Daarom houdt het hof, evenals de rechtbank, [appellant] verantwoordelijk voor de door de zetting van de uitbouw veroorzaakte schade. [appellant] is daarom terecht in de herstelkosten veroordeeld. De vermeerdering van eis De waardevermindering van de woning 10. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn vordering vermeerderd. Hij vordert thans de waardevermindering van zijn woning. [appellant] gaat daarbij uit van de WOZ-waarde van de woning, zoals die is vastgesteld na door [appellant] tegen de gemeente geëntameerde procedures daarover. Hij vordert in hoger beroep een waardevermindering van € 45.000,--, verminderd met de reeds toegewezen herstelkosten, zodat een bedrag aan waardevermindering resteert van € 31.163,87. Deze vordering, die naar het hof begrijpt is gebaseerd op “reputatieschade” aan de woning, wordt afgewezen. Zonder nadere deugdelijke toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de inmiddels kennelijk volledig herstelde woning thans nog aan waarde¬vermindering wegens tijdelijke gebreken onderhevig is. De gang van zaken in de WOZ-procedure waar [appellant] niet bij betrokken is geweest en die uit de aard der zaak niet ge¬schikt is om de economische waarde van de woning te bepalen, is daartoe ontoe¬rei¬kend. Werkzaamheden tot herstel van de verzakking 11. [geïntimeerde] klaagt over de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot betaling van € 650,-- wegens additionele kosten betrekking hebbende op de verwijdering van tegels, schutting en beplanting. Hij voert aan dat het in eerste aanleg gevorderde was gebaseerd op een voorlopige schatting van deze kosten. Inmiddels heeft hij deze kosten daadwerkelijk gemaakt, en wel tot een bedrag van € 3.694,26. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing daarvan bij memorie van grieven in incidenteel appel zeven facturen in het geding gebracht, alsmede een fotorapportage. Daarnaast heeft hij bij akte overlegging producties van 4 november 2008 de kosten verder toegelicht (met producties). [geïntimeerde] heeft in verband hiermee zijn eis vermeerderd. Naar zijn zeggen is reeds een bedrag van € 2.380,-- in de door de rechtbank toegewezen schadevergoeding opgenomen. Hij vordert thans het verschil, zijnde een bedrag van € 1.314,26. 12. Ook deze vermeerderde vordering zal worden afgewezen. Weliswaar is aannemelijk dat [geïntimeerde] de nodige herstelkosten voor zijn tuin heeft gemaakt, maar het hof ziet in het door [geïntimeerde] gestelde, gelet op het verweer van [appellant], geen grond naast het reeds toegewezen bedrag van € 2.380,-- ook nog een bedrag van € 1.314,26 voor de kennelijk volledig nieuw aangelegde tuin aan [appellant] toe te rekenen . Kosten raadgevend bureau IMD Rotterdam 13. Daarnaast vordert [geïntimeerde] een bedrag van € 941,-- wegens kosten van raadgevend bureau IMD. [geïntimeerde] vordert deze kosten op grond van artikel 6:96, tweede lid onder b, BW. Nu [geïntimeerde] dit rapport niet in het geding heeft gebracht en het hof niet heeft kunnen toetsen of de situatie van genoemd artikel zich voordoet, zal deze vordering reeds hierom worden afgewezen. Slotsom 14. De slotsom van dit alles is dat de grieven falen, de bestreden vonnissen bekrachtigd zullen worden en dat de in hoger beroep vermeerderde vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen. Voor nadere bewijslevering of deskundigenrapporten wordt geen grond gezien. Hierbij past een kostenveroordeling van [appellant] in het principaal appel – inclusief de kosten van het aanvullend deskundigenrapport die reeds ten laste van [appellant] zijn gebracht en dus niet meer apart in deze proceskostenveroordeling zullen worden opgenomen – en van [geïntimeerde] in het incidenteel appel. Beslissing Het hof: - bekrachtigt de bestreden vonnissen van de rechtbank Dordrecht van 24 november 2004 en 5 oktober 2005; - wijst af het in hoger beroep door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde; - veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot zover aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 470,-- aan griffierecht en € 2.682,-- aan salaris van de advocaat; - veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot zover aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.158,-- aan salaris van de advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, H.J.H.van Meegen en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2011, in aanwezigheid van de griffier.