GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector civiel recht Uitspraak : 27 april 2011 Zaaknummer : 200.080.401.01 Rekestnr. rechtbank : F1 RK09-872 en F1 RK 10-1157 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel, tegen [verzoeker], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.M. Peet te Rotterdam. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 13 januari 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 oktober 2010 van de rechtbank Rotterdam en heeft daarbij tevens een verzoek ingediend tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarigen en de uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw. De vrouw heeft op 22 maart 2011 een verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 19 januari 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen; - op 8 februari 2011 een brief van 3 februari 2011 met bijlage; - op 28 maart 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de vrouw: - op 23 maart 2011 een brief van diezelfde datum met bijlagen. Op 14 april 2011 is de zaak mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de vastgestelde kinder- en partneralimentatie. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is bepaald, voor zover in deze zaak van belang, dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de bestreden beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen: - [naam oudste minderjarige], geboren [in 1999] te [geboorteplaats] ([geboorteland]), en - [naam jongste minderjarige], geboren [in 2002] te [geboorteplaats] ([geboorteland]); hierna tezamen te noemen: de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren: 1. € 296,50 per maand per kind gedurende de periode dat de man de lasten van zowel de voormalige echtelijke woning als van de woning in Frankrijk draagt, zijn kosten van rechtsbijstand worden meegewogen en de betalingsregeling met ENECO nog loopt, derhalve tot aan 1 maart 2011; 2. € 374,50 per maand per kind gedurende de periode dat de man de lasten van zowel de voormalige echtelijke woning als van de woning in Frankrijk draagt, zijn kosten van rechtsbijstand worden meegewogen en de datum van 1 maart 2011 is verstreken; 3. € 414,50,- per maand per kind gedurende de periode dat de man de lasten van zowel de voormalige echtelijke woning als van de woning in Frankrijk draagt en de datum van 15 oktober 2011 is verstreken; 4. € 595,- per maand per kind gedurende de periode dat de man de lasten van de voormalige echtelijke woning draagt, de woning in Frankrijk zal zijn verkocht en overgedragen aan een derde-koper en de datum van 15 oktober 2011 is verstreken; 5. € 595,- per maand per kind gedurende de periode dat de man de lasten van de woning in Frankrijk draagt, de voormalige echtelijke woning aan een derde is verkocht en overgedragen en de datum van 15 oktober 2011 is verstreken; 6. € 595,- per maand per kind vanaf het tijdstip waarop zowel de voormalige echtelijke woning als de woning in Frankrijk zullen zijn verkocht en overgedragen aan een derde-koper en de datum van 15 oktober 2011 is verstreken. Voorts is aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van: - een bedrag van € 118,- per maand, voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de man de lasten van de woning in Frankrijk nog draagt, de voormalige echtelijke woning aan een derde is verkocht en overgedragen en de datum van 15 oktober 2011 is verstreken; -een bedrag van € 864,- per maand, voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zowel de voormalige echtelijke woning als de woning in Frankrijk zullen zijn verkocht en overgedragen aan een derde-koper en de datum van 15 oktober 2011 is verstreken; telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De rechtbank heeft verstaan dat genoemde kinderbijdrage en genoemde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw jaarlijks, met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar, worden gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat: -de echtscheidingsbeschikking op 7 februari 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [naam gemeente]; -de man thans niet langer de lasten van de woning in Frankrijk draagt, nu deze woning is verkocht en overgedragen aan een derde-koper; -de man de lasten van de voormalige echtelijke woning nog steeds draagt, nu de echtelijke woning nog niet is verkocht en overgedragen; -de betalingsregeling met ENECO niet langer loopt, nu de man onweersproken stelt dat hij de schuld aan ENECO heeft afgelost; -de kosten van rechtsbijstand ad € 114,- per maand tot 15 oktober 2011, niet langer worden meegewogen, nu de man onweersproken stelt dat hij op de schuld aan zijn advocaat een bedrag van € 3.000,- heeft afgelost, welke stelling wordt bevestigd door zijn advocaat. Gelet op het voorgaande begrijpt het hof de bestreden beschikking aldus dat de man vanaf 7 februari 2011 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen verschuldigd is van € 595,- per maand per kind. Een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw is de man thans nog niet verschuldigd, nu weliswaar de woning in Frankrijk is verkocht en overgedragen aan een derde-koper, maar hij de lasten van de voormalige echtelijke woning nog steeds draagt. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna: kinderalimentatie, en de uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, hierna: partneralimentatie. 2. De man verzoekt bij tussenbeschikking te bevelen dat de werking van de bestreden beschikking op de voet van artikel 360 lid 2, tweede zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal worden geschorst voor wat betreft de vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in werking tredende bijdrageverplichtingen, totdat in het kader van het hoger beroep deze schorsing zal worden opgeheven, kosten rechtens. 3. De vrouw verzoekt te bepalen het verzoek van de man af te wijzen en verzoekt in incidenteel beroep de man te veroordelen in de proceskosten. 4. De man stelt dat onverkorte handhaving van de beschikking wat betreft de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en het levensonderhoud van de vrouw misbruikt van recht oplevert, nu het inkomen van de man als gevolg van werkloosheid zodanig is gedaald dat dit na aftrek van de hypotheeklasten negatief is. De man heeft ter zitting aangevoerd dat een noodtoestand is ontstaan. Volgens de man is het evident dat hij niet in staat is om de door de rechtbank vastgestelde bijdragen te voldoen. Daarnaast stelt de man dat het hoogst aannemelijk is dat het hof de beschikking van de rechtbank in dit opzicht zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de bijdragen op nihil zal stellen. Aangezien de vrouw heeft gezegd zo nodig executiemaatregelen te nemen, heeft de man recht en belang bij een schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad op de voet van artikel 360 lid 2 Rv. 5. De vrouw stelt dat de man dient aan te tonen dat de executie van de bestreden beschikking onrechtmatig is of dat bij de executie misbruik van recht wordt gemaakt. Nu de man niet heeft gesteld dat de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust en evenmin dat na het vonnis opgekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan, dient het verzoek van de man te worden afgewezen. Verder betwist de vrouw dat aan de vereisten voor het toewijzen van de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad is voldaan. Dat sprake is van gewijzigde omstandigheden impliceert dat geen sprake kan zijn van een juridische of feitelijke misslag. Daarnaast is volgens de vrouw sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies en had de man zijn ontslagvergoeding dienen aan te wenden om aan zijn alimentatieverplichtingen te kunnen voldoen. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen, in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.