← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0322

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector civiel recht Uitspraak : 11 mei 2011 Zaaknummer : 200.077.586/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-327 [verzoeker], thans wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. D. van den Bout-Kuhlmann te ’s-Gravenhage, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. N.D. Bauman te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 23 november 2010 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 augustus 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De moeder heeft op 10 januari 2011 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vader: - op 1 april 2011 een brief d.d. 31 maart 2011 met bijlagen. De zaak is op 15 april 2011 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. De hierna te noemen minderjarige [naam minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om schriftelijk haar mening kenbaar te maken. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om - met wijziging van de beschikking van 26 juni 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarin een kinderalimentatie werd bepaald van € 150,- per maand per kind - met ingang van juni 2008, subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, meer subsidiair met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans met zodanige datum als de rechtbank juist acht, de kinderalimentatie op nihil te stellen, afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

  1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarige kinderen van partijen: [naam minderjarige 1], geboren [in 1994] te [geboorteplaats], en [naam minderjarige 2], geboren [in 1997] te [geboorteplaats], hierna ook: de minderjarigen.
  2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, met ingang van juni 2008, dan wel subsidiair met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, althans meer subsidiair een zodanige datum als het hof juist en redelijk acht en de door de vader te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen dan wel een kinderalimentatie vast te stellen die het hof redelijk en juist acht.
  3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep althans het door de vader ingestelde beroep te verwerpen en dientengevolge de bestreden beschikking te bekrachtigen.
  4. De vader voert in hoger beroep een aantal grieven aan met betrekking tot zijn draagkracht, welke ertoe moeten leiden dat de kinderalimentatie met terugwerkende kracht op nihil wordt gesteld. De behoefte aan een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie staat als niet bestreden vast.
  5. Het hof overweegt als volgt. Het komt bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij moet worden geacht zich redelijkerwijs te kunnen verwerven.
  6. Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat sprake is van een verwijtbaar inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vader tot 2010 een volledige dienstbetrekking voor onbepaalde tijd als parkeerwachter bij de gemeente [naam gemeente] had. Hij heeft in 2006 op jaarbasis € 28.774,- en in 2007 € 29.524,- bruto verdiend. De vader heeft in december 2007 bij zijn werkgever (de gemeente [woonplaats]) ontslag genomen.
  7. De vader is na beëindiging van zijn dienstverband in Engeland gaan wonen, volgens de vader om te herstellen van de operatie aan zijn been en van een depressie. De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader Nederland wilde ontvluchten vanwege schulden. De vader had in Engeland een aantal maanden van 2008 geen inkomen, totdat hij in mei 2008 in deeltijd bij zijn (inmiddels toenmalige) partner kon gaan werken met een laag en onregelmatig inkomen.
  8. De vader is in februari 2011 weer teruggekeerd naar Nederland.
  9. Het hof is van oordeel dat de vader zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarigen, van zijn keuze om ontslag te nemen en zonder inkomen naar Engeland te gaan, had dienen te onthouden. Alles overwegende acht het hof het redelijk om een verdiencapaciteit van de man in aanmerking te nemen die in ieder geval gelijk is aan zijn inkomen dat hij in 2007 als parkeerwachter heeft verdiend, te weten ongeveer € 30.000,- bruto per jaar.
  10. Dat de vader zijn voormalige werkzaamheden als parkeerwachter als gevolg van zijn slechte gezondheid nooit meer kan uitoefenen, zoals door hem betoogd, is door de moeder gemotiveerd weersproken en door de vader niet, althans onvoldoende aangetoond. Zo heeft de vader ook in hoger beroep nagelaten enig medisch bewijsstuk ten aanzien van zijn (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in het geding te brengen. In het licht daarvan is sprake van een voor herstel vatbaar inkomensverlies.
  11. Het hof acht het daarom redelijk om uit te gaan van een zodanige verdiencapaciteit, dat de man in staat is om de door de rechtbank bij beschikking van 26 juni 2007 bepaalde kinderalimentatie van € 150,- per maand per kind te voldoen.
  12. Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht ten aanzien van de draagkracht van de man behoeft geen bespreking, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.
  13. Mitsdien beslist het hof als volgt. BESLISSING Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van Dijk en Burgers-Thomassen, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2011.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.