← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686

rolnummer 22-002613-09 parketnummers 09-750009-06 en 09-750007-07 datum uitspraak 7 juli 2011 tegenspraak GERECHTSHOF TE S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 maart 2009 in de strafzaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedag] 1968, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, De Schie te Rotterdam. 1. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de (doorlopende) terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 en 16 december 2009, 10 maart 2010, 2 juni 2010, 20 oktober 2010, 13 januari 2011 en de doorlopende terechtzitting van 28, 29 en 31 maart, 4, 5, 7, 8, 11, 12, 15, 28 en 29 april, 9, 10, 13, 20 en 27 mei en 16 en 30 juni 2011. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen met parketnummers 09-750009-06 en 09-750007-07. Op 11 mei 2007 is de vordering nadere omschrijving tenlastelegging met betrekking tot parketnummer 09-750009-06 door de rechtbank toegewezen. Voorts heeft de rechtbank de voeging van de dagvaarding met parketnummer 09-750009-06 (hierna te noemen dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 09-750007-07 (hierna te noemen dagvaarding II) bevolen. Ter terechtzitting van 5 september 2008 heeft de rechtbank de door de officier van justitie ingediende vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2011 is de vordering tot wijziging tenlastelegging van dagvaarding I door het hof toegewezen. De gewijzigde tenlastelegging van dagvaarding I maakt als bijlage I onderdeel uit van dit arrest. De gewijzigde tenlastelegging van dagvaarding II maakt als bijlage II onderdeel uit van dit arrest. 3. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II onder 1 primair ( sub a, b en c), 1 subsidiair ( sub a, b en c), 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. De verdachte is terzake van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen tot schadevergoeding van de beledigde (thans benadeelde) partijen W.B. en J.M. zijn beide toegewezen tot het bedrag van EUR 680,67. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de kosten door de beledigde (thans benadeelde) partijen W.B. en J.M gemaakt, tot de uitspraak in eerste aanleg, als kosten voor rechtsbijstand voor de beledigde partijen tezamen begroot op EUR 9.378,93, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De beledigde (thans benadeelde) partij A.H. is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. Het vonnis bevat geen beslissing omtrent de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. 4. Hoger beroep Namens de verdachte is op 6 april 2009 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Op 20 april 2009 is de schriftuur houdende de grieven van de verdediging ingediend bij het gerechtshof. De officier van justitie heeft op 6 april 2009 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. De schriftuur houdende de grieven van het openbaar ministerie is op 9 september 2009 ingediend. Het hoger beroep van de officier van justitie is bij akte 'partiële intrekking rechtsmiddel' van 10 maart 2010, partieel ingetrokken. 5. Omvang van het hoger beroep Blijkens de "Akte partiële intrekking rechtsmiddel" van de advocaat-generaal d.d. 10 maart 2010 is het hoger beroep van de officier van justitie niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 1 primair, sub b, 1 subsidiair, sub b, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen. 6. De beschuldiging, de vordering van het openbaar ministerie en het standpunt van de verdediging De nog aan de orde zijnde beschuldigingen op dagvaarding I houden - verkort en zakelijk - weergegeven het volgende in: Feit 1 (Ambulance): De verdachte heeft samen met anderen op of omstreeks 13 april 1994 in Mugonero in Rwanda een ambulance tot stoppen gedwongen. Deze ambulance werd bestuurd door J.N. en daarin zaten twee Tutsi-vrouwen (D. en B.) met hun kinderen en een meisje met de naam B.U. Nadat de ambulance had moeten stoppen, heeft de verdachte samen met anderen deze gedwongen naar het nabijgelegen Mugonero te rijden. Tijdens deze rit is de ambulance omsingeld door belagers waarbij wapens zijn getoond en is er op de ambulance geslagen. Tevens schreeuwden de mensen die de ambulance omsingelden woorden als 'Inkotanyi'. In Mugonero zijn de inzittenden gedwongen om uit te stappen. Daarbij zijn dreigementen geuit onder meer door te zeggen "Voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden". Vervolgens zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen geslagen/ neergehakt met machetes, knuppels en/of andere wapens. Ten gevolge hiervan hebben alle inzittenden langdurig voor hun leven moeten vrezen, zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen overleden (waarna een aantal van deze kinderen in het Kivumeer is gegooid) en hebben J.N. en B.U. (zwaar) lichamelijk letstel ondervonden. Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisten): De verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 in Mugonero in de provincie (prefectuur) Kibuye in Rwanda op het complex van de Zevendedagsadventisten (hierna: Adventistencomplex) de aanwezige ongewapende Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, aangevallen. Daarbij hebben zij op deze burgers geschoten en hen met machetes, knuppels en andere wapens neergehakt en geslagen en handgranaten en traangas gegooid in gebouwen waarin zich burgers hadden verstopt, waardoor die burgers voor hun leven en dat van anderen moesten vrezen en ten gevolge waarvan een of meerdere vorenbedoelde personen zijn overleden althans (zwaar) lichamelijk letsel hebben ondervonden. Feit 3 (Familie B.): De verdachte heeft samen met anderen op 27 april 1994 in Mugonero in de provincie (prefectuur) Kibuye in Rwanda aan J.M., haar partner W.B en hun zoontje F. bij een wegversperring de doorgang geweigerd. Aan hen zijn openlijk wapens getoond en is voor hen hoorbaar geweest dat er gesproken werd in bewoordingen zoals 'kakkerlak(ken)', 'Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord', 'Wil je soms als een Tutsi worden behandeld', 'Je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gishyita gedood wordt', 'Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu-power'. Ten gevolge hiervan werd J.M. in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor haar leven en het leven van haar zoon heeft moeten vrezen, terwijl zij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd. W.B werd hierbij in een situatie gebracht waarbij hij langdurig moest vrezen voor het leven van zijn partner, J.M., en het leven van zijn zoontje, F. , terwijl hij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd. De nog aan de orde zijnde beschuldigingen op dagvaarding II houden - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende in: Feit 1, sub a (verkrachting en moord van C. M.): De verdachte heeft samen met anderen op 13 mei 1994 op of nabij de Muyira heuvel, in het gebied Bisesero, een vrouw genaamd C.M. vastgepakt, naar de grond geduwd en tegen haar gezegd: 'Als je niet vertelt waar ze zijn, zullen we jou vermoorden. Als je het wel vertelt, zullen we jou met rust laten.' Vervolgens heeft de verdachte tegen zijn mededaders gezegd dat zij haar mochten verkrachten en dat hij hun veiligheid zou garanderen. Zijn mededaders hebben haar toen meermalen verkracht. Vervolgens heeft de verdachte een bajonet in haar vagina gestoken en met een vuurwapen kogels in haar rug en hoofd geschoten, tengevolge waarvan zij is overleden. Feit 1, sub c (verkrachting van K.): De verdachte heeft samen met anderen, op of omstreeks 14 april 1994 in het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, een vrouw genaamd K. geslagen, vastgepakt en verkracht. Al deze feiten zijn - kort gezegd - primair tenlastegelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht1, hierna: WOS) en subsidiair als foltering (artikel 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringverdrag2, hierna: UFV). Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het in dagvaarding II onder feit 1, sub c tenlastegelegde en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de overige nog aan de orde zijnde tenlastelegde feiten op beide dagvaardingen zoals primair tenlastegelegd, heeft begaan. Het openbaar ministerie heeft voorts gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot levenslange gevangenisstraf. De raadsman van de verdachte heeft op gronden van zijn in hoger beroep overgelegde pleitnota vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit. 7. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. 8. Inleidende opmerkingen Zoals reeds door de rechtbank is geconstateerd is een zaak als de onderhavige geen alledaagse in de praktijk van de Nederlandse strafrechter. Het hof ziet in de bijzondere aard van deze zaak aanleiding om, alvorens de tenlastegelegde feiten afzonderlijk te bespreken, - evenals de rechtbank - eerst in te gaan op enkele algemene onderwerpen. 8.1 Rwanda Inleiding Tussen 6 april en midden juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven gebracht. De schattingen door deskundigen van het aantal slachtoffers lopen uiteen; de meeste komen op zeshonderdduizend tot - het meest waarschijnlijk - achthonderdduizend doden3, ongeveer 10% van de gehele bevolking. De overgrote meerderheid van de slachtoffers behoorde tot de Tutsi-bevolkingsgroep. Naar schatting is in die 100 dagen 75% van de Rwandese Tutsi's vermoord. Deze massamoord geschiedde, zoals in vele (wetenschappelijke) publicaties onbetwist is vastgesteld en door het Rwandatribunaal (hierna ICTR4) in een groot aantal vonnissen steeds unaniem is uitgesproken, in een campagne met het doel de Tutsi-bevolking als zodanig uit te roeien. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat in deze maanden van 1994 in Rwanda een genocide plaats vond. In de woorden van de ICTR Appeals Chamber in de zaak Karemera5: "The fact of the Rwandan genocide is part of world history, a fact as certain as any other, a classic instance of a 'fact of common knowledge." Gedurende dezelfde ongeveer 100 dagen werd op het grondgebied van Rwanda een niet-internationaal gewapend conflict uitgevochten tussen het Rwandese regeringsleger (Forces Armées du Rwanda, hierna FAR) en de strijdkrachten van het Rwandan Patriotic Front (hierna: RPF), het voornamelijk uit (nakomelingen van) in voorafgaande decennia uit Rwanda gevluchte Tutsi's bestaande rebellenleger. Het RPF was een gestructureerd en gedisciplineerd leger dat stond onder een verantwoordelijk bevel; het had een erkende commandostructuur met aan het hoofd generaal Paul Kagame.6 Het hof zal hierna - grotendeels overeenkomstig de desbetreffende en in hoger beroep niet door het openbaar ministerie en de verdediging weersproken overwegingen van de rechtbank - kort ingaan op de (politiek-) historische achtergrond van het drama dat zich in de periode van 6 april tot midden juli 1994 in Rwanda voltrok. In grote lijnen zal het verloop van deze gruwelijke gebeurtenissen worden geschetst. Het hof baseert zich hierbij - evenals de rechtbank - op zowel publiek toegankelijke bronnen, welke deels als geschriften onderdeel uitmaken van het strafdossier7, als op enkele ten behoeve van deze strafzaak opgestelde rapporten.8 Het hof beperkt zich in zijn uiteenzetting tot wat onmisbaar is voor een goede waardering van de (context van

  1. de)aan de verdachte tenlastegelegde feiten. In deze uiteenzetting wordt daarom nauwelijks aandacht besteed aan de rol van internationale actoren (met name Frankrijk, België, de Verenigde Staten, de buurlanden van Rwanda, de (Veiligheidsraad van
  2. de)Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid). Periode tot 6 april 1994 In november 1959 liepen politieke spanningen hoog op en kwam het tot een eerste uitbarsting van etnisch geweld. Honderden Tutsi's vonden de dood en vele duizenden Tutsi's zochten hun toevlucht in de omringende landen. De ongeregeldheden resulteerden in het einde van de Tutsi-monarchie en de proclamatie van de (Eerste) Republiek door Grégoire Kayibanda, leider van de Mouvement Démocratique Républicain Parmehutu (hierna: MDR Parmehutu), de verreweg grootste politieke partij, die zichzelf (letterlijk) definieerde als een beweging exclusief van en voor Hutu's. Op 1 juli 1962 werd Rwanda officieel onafhankelijk. Kayibanda werd president. In december 1987 hadden Rwandese bannelingen in Uganda en Kenia (voornamelijk Tutsi'
  3. s)het RPF opgericht. De doelstellingen van het Front, een politieke organisatie met een militaire vleugel, waren verzekering van het recht van alle Tutsi-bannelingen terug te keren naar Rwanda en beëindiging van het één-partij regime van Juvénal Habyarimana.9 Op 1 oktober 1990 vielen vanuit Uganda enkele duizenden RPF-strijders (het noordoosten van) Rwanda binnen. Daarmee begon een gewapende strijd tussen de troepen van het RPF en het Rwandese leger, die - weliswaar onderbroken door onderhandelingen en wapenstilstanden - voortduurde tot juli 1994. De aanval van 1 oktober 1990 werd door het regeringsleger succesvol afgeslagen en het RPF slaagde er ook daarna (in de periode tot 6 april 1994) niet in een groot deel van het grondgebied van Rwanda blijvend te veroveren. De militaire operaties van het RPF in voornamelijk het noordoosten van Rwanda, welke gepaard gingen met misdrijven tegen de burgerbevolking, genereerden, in samenhang met een cynische anti-Tutsi propaganda door de Rwandese regering een grote stroom Hutu-vluchtelingen naar het centrum van Rwanda. In 1990 waren dit er ongeveer 300.000, in begin 1993, na een nieuwe grootschalige RPF-aanval, nog eens ongeveer 1 miljoen.10 Het rapport van de Organisation of African Unity (OAU-rapport) beschrijft hoe de invasie en de guerrillaoorlog de invloed van radicale Hutu-facties in de regering en het leger versterkten, de reeds grote economische problemen verergerden en bovenal geloofwaardigheid gaven aan de op machtsbehoud gerichte etnische strategie van het regime11, meer in het bijzonder de kleine kring rond Habyarimana. Vanaf oktober 1990 werden regelmatig bloedbaden aangericht onder Tutsi's. Het OAU-rapport meldt hierover: "On virtually each occasion, they were carefully organized. On each occasion, scores of Tutsi were slaughtered by mobs and militiamen associated with different political parties, sometimes with the involvement of the police and army, incited by the media, directed by local government officials, and encouraged by some national politicians."12 Hier is reeds zichtbaar wat zich vanaf 6 april 1994 in volle omvang zou tonen: massamoorden op Tutsi's louter vanwege hun etniciteit, georganiseerd en gestimuleerd door de autoriteiten, uitgevoerd door Hutu-burgers en milities, daartoe aangezet door een giftige anti-Tutsi-propaganda en bijgestaan door politie en leger. In juni 1991 werd president Habyarimana, geconfronteerd met de oorlog met het RPF, groeiende politieke onvrede, verdere economische verslechtering en zware internationale politieke druk - Rwanda was militair afhankelijk van Frankrijk en economisch van verschillende donorlanden - gedwongen de vorming van oppositiepartijen toe te staan en vredesonderhandelingen te beginnen met het RPF. In april 1992 werd een regering gevormd bestaande uit de MRND (inmiddels Mouvement Révolutionnaire National pour la Démocratie et le Développement (MRNDD) geheten) en enkele voormalige oppositiepartijen. De MRNDD was daarin de grootste partij, maar wel een minderheid. Mede als reactie op deze ontwikkelingen vormden radicale Hutu de Coalition pour la Défense de la République (CRD), een partij die zich nog extremer opstelde dan Habyarimana, bij verschillende gelegenheden fel tegen hem opponeerde en hierdoor grote invloed uitoefende op de MRNDD. Ondanks deze kritiek werkten CRD en MRNDD ook vaak samen.13 De nieuwe regering voerde vanaf juni 1992 in Arusha (Tanzania) onderhandelingen met het RPF over een vredesregeling en een nieuwe machtsverdeling in Rwanda. Dit leidde tot deelakkoorden over de repatriëring van vluchtelingen, de integratie van de strijdkrachten van de FAR en het RPF en, op 4 augustus 1993, tot de ondertekening van een definitief akkoord op grond waarvan een brede overgangsregering gevormd zou gaan worden van de MRNDD, de voormalige oppositiepartijen en het RPF.14 Deze aan Habyarimana afgedwongen akkoorden stuitten op fel verzet en versterkten de polarisatie in het land. Bijna alle voormalige oppositiepartijen spleten uiteen in gematigde en zogenoemde Hutu Power-vleugels, welke laatste zich schaarden aan de zijde van de verder radicaliserende MRNDD en de CDR.15 Op 23 oktober 1993 werd in Burundi de kort daarvoor democratisch gekozen eerste Hutu-president Melchior Ndandaye door Tutsi-militairen van het Burundese leger vermoord. In de bloedbaden die daarop volgden werden naar schatting 50.000 Burundezen, zowel Hutu's als Tutsi's, vermoord en ontvluchtten ongeveer een miljoen Hutu's het land, zeer velen van hen naar Rwanda. Deze gebeurtenissen gaven opnieuw voedsel aan de vrees onder Rwandese Hutu's voor (overheersing door) Tutsi's, welke vrees door tegenstanders van de in Arusha overeengekomen machtsverdeling met het RPF volledig werd uitgebuit. President Habyarimana's eigen MRNDD en de CDR stelden de Arusha-akkoorden in een gemeenschappelijke verklaring aan de kaak als "verraad". De strijd tussen de aanhangers van Hutu Power en gematigden, die implementatie van de Arusha-akkoorden nastreefden, werd heviger en gewelddadiger.16 Er is een overweldigende hoeveelheid bewijs voor de vaststelling dat Hutu-extremisten vanaf 1990 de Hutu-bevolking voortdurend en systematisch hebben aangezet tot haat tegen hun Tutsi-landgenoten.17 Het hof citeert hier wederom het OAU-rapport: "A constant barrage of virulent anti-Tutsi hate propaganda began to fill the air. It was designed to be inescapable, and it succeeded. From political rallies, government speeches, newspapers, and a flashy, new radio station, poured vicious, pornographic, inflammatory rhetoric designed to demonize and dehumanize all Tutsi. With the active participation of well-known Hutu insiders, some of them at the university, new media were founded that dramatically escalated the level of anti-Tutsi demagoguery."18 Berucht waren publicaties in de krant Kangura. In december 1990 verscheen daarin een artikel onder de titel "Beroep op het geweten van de Hutu's". Het artikel opende met de stelling dat de Tutsi-extremisten die in oktober Rwanda hadden aangevallen (dat wil zeggen het RPF) vertrouwden op de steun van "infiltranten in het land en de medeplichtigheid van Tutsi's in het land". Vervolgens werden de Tutsi's afgeschilderd als bloeddorstig en machtsbelust en de Hutu's opgeroepen ferm en waakzaam te zijn tegen de Tutsi-vijand "die onder ons is en zijn tijd afwacht om ons op een geschikt moment te decimeren";19 het artikel eindigt met de "Tien geboden voor de Hutu's", waarin onder meer wordt opgeroepen geen medelijden meer te hebben met de Tutsi's. Ook in veel latere artikelen in Kangura werden de - dus: alle - Tutsi's afgeschilderd als "inyenzi" (kakkerlakken), "inkotanyi" (leden van het RPF), "ibyitso" (handlangers); vijanden waartegen de Hutu zich moest verdedigen zonder genade te tonen.20 Dezelfde boodschap werd vanaf midden 1993 uitgedragen in uitzendingen van het opgerichte en heel snel zeer populair geworden radiostation Radio-Télévision Libre des Milles Collines (RTLMC). Dit radiostation werd door de CDR gebruikt om propaganda te verspreiden.21 Volgens deskundige Des Forges speelde dit radiostation "de belangrijkste rol bij het overtuigen van Rwandezen dat Tutsi's vijanden waren die geëlimineerd moesten worden".22 Ook partijbijeenkomsten vormden een podium voor het verkondigen van de boodschap dat alle Tutsi's ibyitso waren van het RPF en dat de Hutu's zich tegen hen moesten verdedigen. In een bewaard gebleven toespraak van een vice-president van de MRNDD, Léon Mugesera, tegen partijmilitanten is het volgende te horen: "En wat gaan we doen aan die medeplichtigen (ibyitso) hier die hun kinderen naar de RPF sturen? Waarom wachten we en ontdoen we ons niet van deze families? (...) We moeten zelf verantwoordelijkheid nemen en dit schorem uitroeien... De fatale fout die we maakten in 1959 was om ze [de Tutsi's's] weg te laten komen... Ze horen in Ethiopië en we hebben een korte weg terug voor ze, door ze in de Nyabarongo rivier te gooien... Ik benadruk dit punt. We moeten handelen. ...Roei ze allemaal uit!"23 Een aankondiging van de komende genocide. Een opvallend element in de anti-Tutsi-propaganda was de voortdurende waarschuwing aan Hutu-mannen zich niet te laten verleiden door Tutsi-vrouwen. Tutsi-vrouwen, zo was de boodschap, waren het geheime seksuele wapen dat de inkotanyi inzetten om Rwanda te veroveren en volgens het eerste van de hierboven genoemde "Tien geboden" was iedere Hutu-man die een Tutsi-vrouw huwde, haar tot zijn concubine maakte of haar als secretaresse in dienst nam een verrader.24 Na de overgang naar een meerpartijensysteem (zie hierboven) richtten enkele politieke partijen aan hen gelieerde jongerengroepen op. De jongerenbeweging van de MRND(D) werd Interahamwe ("zij die tezamen staan" dan wel "zij die tezamen aanvallen") genoemd. Deze groepen hielpen bij het organiseren van partijbijeenkomsten, zorgden voor publiciteit en verspreidden propagandamateriaal. In het sterk gepolariseerde en toenemend gewelddadige politieke klimaat werden de jongerengroepen ook steeds vaker ingezet als knokploegen om bijeenkomsten van rivaliserende partijen te verstoren en leden daarvan aan te vallen. Gaandeweg breidden de Interahamwe hun gewelddadige acties uit tot aanvallen op Tutsi-burgers, georganiseerd door de autoriteiten en uitgevoerd in samenwerking met soldaten.25 Vanaf 1992 werden bovendien door het leger, dat volledig onder controle stond van Hutu-extremisten, militaire trainingen gegeven aan Interahamwe en werden onder hen wapens en munitie gedistribueerd. De Interahamwe werd zo een gewapende militie die ingezet werd tegen politieke tegenstanders (gematigde Hutu'
  4. s)en Tutsi-burgers. De jeugdbeweging van de CRD, de Izapuzamugambi ('zij die hetzelfde doel hebben' danwel 'zij die één doel hebben'), speelde een soortgelijke rol. Vanaf oktober 1990 begonnen politieke en militaire leiders te spreken over de noodzaak van burgerzelfverdediging tegen een mogelijk verder oprukken van het RPF-leger. Kolonel Bagosora, die algemeen wordt beschouwd als één van de belangrijkste leiders van de genocide, schetste begin 1993 de grondslagen van het op te zetten burgerzelfverdedigingsprogramma.26 Vanaf oktober 1993 werd het opzetten van het burgerzelfverdedigingsprogramma actief ter hand genomen. Het programma voorzag in de distributie van grote hoeveelheden wapens: "[...] the civil defence programme was used in 1994 to distribute weapons quickly and ultimately transformed into a mechanism to exterminate Tutsis."27 Het burgerzelfverdedigingsprogramma was een integraal onderdeel van de "machinery carrying out the genocidal plan in 1994."28 Begin 1994 stelde een commissie van legerofficieren een geheim plan van aanpak hiervoor op, genaamd Organisation de l' Auto-Défence Civile. Centraal daarin stond dat het leger en de burgerlijke autoriteiten in geval van hervatting van de gewapende strijd zouden samenwerken met leiders van de MRND en de daarmee geallieerde partijen (en dus ook de milities daarvan)29 bij het mobiliseren en bewapenen van de burger (lees: de Hutu-bevolking). Al dan niet in het kader van dit plan (het burgerzelfverdedigingsprogramma) werden in de jaren 1993 en 1994 op grote schaal vuurwapens verspreid aan de gemeenten over het gehele land en werden er in de periode van januari 1993 tot en met maart 1994 3.385.000 kilogram machetes geïmporteerd, hetgeen ruim de dubbele hoeveelheid was van voorgaande jaren.30 Rwanda stond van oudsher bekend om zijn sterk hiërarchisch gestructureerd, fijnmazig en in administratief opzicht uitermate efficiënt bestuursapparaat. Het land was opgedeeld in tien prefecturen, met elk aan het hoofd een préfect die zijn instructies kreeg van de regering (meer in het bijzonder de minister van binnenlandse zaken). Op zijn beurt gaf de préfect instructies aan zijn sub-préfecten en bourgmestres, die veelal zowel politiek leider als bestuurder waren van de communes in zijn préfecture. De burgemeesters instrueerden vervolgens de conseillers van de secteurs binnen hun gemeenten. Deze secteurs waren op hun beurt weer opgedeeld in cellules (700 à 1000 personen per cellule) met elk een chef de cellule aan het hoofd.31 Clement Kayishema was de préfect van Kibuye van 3 juli 1992 tot zijn vertrek naar Zaire in juli 1994.32Charles Sikubwabo was de bourgmestre (burgemeester) van Gishyita van 1993 tot juli 199433 en Mikaeli (Mika) Muhimana was de conseiller van Gishyita van 1990 tot (in ieder geval) juni 1994.34 6 april -midden juli 1994 Begin april 1994 waren de Arusha-akkoorden nog steeds niet geïmplementeerd en president Habyarimana - zijn land geteisterd door politiek geweld en economisch aan de rand van een bankroet- stond onder zware internationale druk dit alsnog te doen. Op 6 april 1994 reisde hij af naar Dar es Salaam (Tanzania) voor een ontmoeting hierover met staatshoofden van de omringende landen. Toen hij diezelfde avond naar huis terugkeerde werd zijn vliegtuig dat net de daling naar het vliegveld van Kigali had ingezet, neergeschoten door een vanaf de grond afgevuurde raket. Het vliegtuig stortte neer op het terrein van zijn presidentiële paleis. Alle inzittenden, waaronder president Habyarimana en president Ntaryamira van Burundi en enkele belangrijke medewerkers van president Habyarimana, kwamen om het leven35. Tot op heden is niet opgehelderd wie verantwoordelijk was voor het neerschieten van het vliegtuig.36 Wat daarna gebeurde is als volgt kort samengevat in de uitspraak van de Appeals Chamber van het ICTR in de zogenoemde 'Media-trial'37: "On 6 April, the plane carrying President Habyarimana was shot down, a crime for which responsibility has not been established. Within hours, killings began. Soldiers and militia began systematically slaughtering Tutsi's. The Presidential Guard, backed by militia, murdered government officials and leaders of the political opposition. On 7 April 1994, the RPF renewed combat with government forces. (...) On 9 April 1994, an interim government was sworn in, with Jean Kambanda as Prime Minister. A meeting of prefects took place on 11 April, and on 12 April the Minister of Defence appealed through the radio for Hutu unity, saying partisan interests must be set aside in the battle against the common enemy, the Tutsi's. On 16 April, the military chief of staff and the prefet best known for opposing the killings were replaced. This prefet was later executed. Three bourgmestres and a number of other officials who sought to stop the killings were also killed, in mid-April or shortly after. In the instructions given to the population, killing was known as "work", and machetes and firearms were described as "tools". In the first days of killing, assailants sought out and killed targeted individuals, Tutsi's and Hutu political opponents. Roadblocks were set up to catch Tutsi's trying to flee. Subsequently a different strategy was implemented: driving Tutsi's out of their homes to churches, schools, or other public sites where they were then massacred in large-scale operations. In mid-May the strategy turned to tracking down the last surviving Tutsi's, who had successfully hidden in ceilings, holes, or the bush, or who had been protected by their status in the community. Throughout the killing, Tutsi's women were often raped, tortured and mutilated before they were killed." De genocide was, zoals hieruit kan worden afgeleid, geen spontane uitbarsting van etnisch geweld, maar een door de overheid georganiseerde massamoord op een deel van de eigen bevolking met het doel die bevolkingsgroep voor eens en voor altijd uit te roeien. Het OAU-rapport beschrijft dit als volgt: "(...) A clique of Rwandan Hutu consciously intended to exterminate all Tutsi in the country, specifically including women and children so that no future generations would ever appear. (...)"38 En: "(...) The Rwandan genocide did not occur by chance. It demanded an overall strategy, scrupulous planning and organization, control of the levers of government, highly motivated killers, the means to butcher vast numbers of people, the capacity to identify and kill the victims, and tight control of the media to disseminate the right messages both inside and outside the country. This diabolical machine had been created piecemeal in the years after the 1990 invasion, accelerating in the second half of 1993 with the signing of the Arusha accords and the assassination in Burundi by Tutsi soldiers of its democratically-elected Hutu President. In theory at least, everything was ready and waiting when the President's plane went down."39 De propaganda van de regering werd ook na 6 april 1994 in alle hevigheid voortgezet. De radio-uitzendingen bleven oproepen tot haat tegen de Tutsi-bevolking. De uitzendingen van RTLM werd zeer druk beluisterd. De radio werd ook op grote schaal gebruikt om instructies te geven aan onder meer de Interahamwe. Opvallend in de radio-oproepen was het taalgebruik wat moest onderstrepen dat het land belegerd werd; Hutu's werden daarom opgeroepen "zichzelf te verdedigen" door hun "gereedschappen" te gebruiken bij hun "werk" tegen "de medeplichtigen van de vijand".40 De ICTR Appeals Chamber heeft over de uitzendingen van RTLM in de 'Media-trial' als volgt geoordeeld:41 "486. The Chamber finds that RTLM broadcasts engaged in ethnic stereotyping in a manner that promoted contempt and hatred for the Tutsi population. RTLM broadcasts called on listeners to seek out and take up arms against the enemy. The enemy was identified as the RPF, the Inkotanyi, the Inyenzi, and their accomplices, all of whom were effectively equated with the Tutsi ethnic group by the broadcasts. After 6 April 1994, the virulence and the intensity of RTLM broadcasts propagating ethnic hatred and calling for violence increased. These broadcasts called explicitly for the extermination of the Tutsi ethnic group." Overal in Rwanda werden wegversperringen opgericht. De wegversperringen opgericht en bemand door het leger bevonden zich dichtbij de frontlinie/ legerposities.42 De overige wegversperringen waren het meest gevaarlijk en dienden uitsluitend om vluchtende Tutsi's aan te houden en vervolgens standrechtelijk te elimineren. De selectie van Tutsi's was voornamelijk gebaseerd op identiteitsbewijzen.43 Talloze Hutu's waren de gewillige uitvoerders van het genocidale beleid van de overheid, dat gebaseerd was op de wijdverspreide en onjuiste veronderstelling dat alle Tutsi's vanzelfsprekend aanhangers zouden zijn van het RPF en bereid zouden zijn het RPF te steunen bij zijn militaire opmars.44 Op het slagveld ondertussen verliep de strijd tussen de FAR en het RPF desastreus voor het regeringsleger. Vanuit zijn noordoostelijke basis veroverde het RPF-leger in korte tijd grote delen van het grondgebied van Rwanda. Op 4 juli 1994 nam het Kigali in.45 Medio juli was de tegenstand van de FAR definitief gebroken, ontvluchtte de interim-regering het land en kondigde het RPF een staakt-het-vuren af. De op 1 oktober 1990 begonnen burgeroorlog eindigde in een totale overwinning van het RPF. De opmars van het RPF-leger naar het westen (waaronder de prefecture Kibuye) en zuidwesten van het land werd voorlopig nog gestuit door de aanwezigheid (vanaf eind juni) van een door Frankrijk geleide troepenmacht in de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties goedgekeurde Opération Turquoise, welke tot doel had in dit deel van Rwanda een beveiligde zone te vestigen. Vanaf eind augustus 1994, na het vertrek van de buitenlandse troepen, kwam ook dit (laatste) deel van Rwanda onder het gezag van het RPF. Het hof zal later in dit arrest uitvoerig aandacht besteden aan de verwevenheid van (het verloop van) de burgeroorlog en de genocide en de betekenis daarvan voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven. De snelle opmars van het RPF, zoals hiervoor omschreven en de daaropvolgende totale ineenstorting van het Hutu-bewind dreef miljoenen Hutu's op de vlucht, ongeveer twee miljoen van hen vluchtten naar de buurlanden, velen naar Zaïre.46 Eén van hen was de verdachte. Hij is op 11 november 1998 onder een valse naam en met een vals paspoort vanuit Kenia naar Nederland gereisd en heeft bij aankomst asiel aangevraagd. 8.2 De persoon van de verdachte De verdachte is op [geboortedag] 1968 geboren in [geboorteplaats] (Rwanda) als zoon van E.M. en R.M. Op zeer jonge leeftijd is hij verhuisd naar Mugonero in de préfecture Kibuye in het westen van Rwanda. Hij heeft één broer (O.R.) en acht zussen [namen zussen]. Zijn vader was oorspronkelijk bourgmestre van Gisovu, maar na een auto-ongeluk waarbij hij gehandicapt is geraakt, is hij een (handels)onderneming in Mugonero gestart. Het gezin is Hutu.47 De verdachte heeft de basisschool deels doorlopen op het Adventistencomplex van Mugonero en is daarna naar een internaat in Kigali gegaan voor zijn middelbare schoolopleiding. Na de middelbare school heeft hij drie jaar bouwkunde gestudeerd in Bari (Italië). De verdachte is eind 1992 teruggekeerd naar Rwanda. Hij ging werken in de onderneming van zijn vader en verbleef daarvoor afwisselend in Mugonero en Kigali. De onderneming van E.M. in Mugonero was gelegen in de commune Rwamatamu, prefecture Kibuye, secteur Mahembe. Het marktplein - "centre commerciale" - waar de winkel was gelegen werd ook Mugonero genoemd. De onderneming omvatte onder meer een winkel in het centrum van Mugonero, een koffie-exportonderneming in Kigali en koffie- en bananenplantages in de omgeving van Mugonero. In de winkel werden onder andere levensmiddelen, huisraad en bouwproducten verkocht. De verdachte bediende de klanten in de winkel in Mugonero, kocht de winkelvoorraad in en inspecteerde, samen met zijn vader, de diverse plantages in de omgeving. De familie M. was welvarend. Medio juli 1994 is de verdachte via Zaïre gevlucht naar Kenia. Zijn broer en een aantal zussen zijn in die periode ook naar het buitenland gevlucht. Op 20 september 1996 werd O.R in Nairobi (Kenia), in aanwezigheid van de verdachte, aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de genocide. O.R werd op 21 mei 1999 door door het ICTR veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf wegens genocide, welk vonnis in hoger beroep is bevestigd.48 Hij zit momenteel zijn straf uit in Mali. Eén van de zussen van de verdachte, een voormalig rechter in Kigali, is door de rechtbank van Gitarama (Rwanda) veroordeeld tot de doodstraf wegens misdrijven gepleegd tijdens de genocide. Deze straf is later omgezet in een levenslange gevangenisstraf. De ouders van de verdachte hebben in de gevangenis gezeten op beschuldiging van betrokkenheid bij de genocide. Zij zijn beiden vrijgelaten. Na zijn vrijlating is zijn vader overleden; de moeder van de verdachte heeft Rwanda verlaten. 9. Algemene overwegingen met betrekking tot de waardering van het bewijs Inleiding Het hof stelt voorop dat degene die strafrechtelijk wordt vervolgd, door de vervolgende en rechtsprekende instanties voor onschuldig wordt gehouden, totdat - buiten redelijke twijfel - in rechte zijn schuld is komen vast te staan. Met andere woorden: voor het vaststellen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het aan hem tenlastegelegde en de consequenties van die aansprakelijkheid, zal wettig en overtuigend dienen komen vast te staan dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde heeft gepleegd, dat het aldus bewezenverklaarde strafbaar is en de verdachte deswege strafbaar. Het hof overweegt voorts dat als wettige bewijsmiddelen alleen worden erkend de in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering genoemde middelen en dat de bewijsminimumregels van de artikelen 341-344a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing zijn. Zo mag de bewezenverklaring niet op verklaringen van slechts één getuige berusten. Uitgangspunt van het Nederlandse bewijsstelsel is voorts dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van de (wettige) bewijsmiddelen. 9.1 Getuigen Het bewijs in de onderhavige strafzaak berust in belangrijke mate op getuigenverklaringen. Het gaat daarbij om verklaringen van ooggetuigen, verklaringen van ooggetuigen die tevens slachtoffer zijn van het tenlastegelegde feitencomplex en de auditu-verklaringen. Bruikbaar forensisch bewijs is op een enkele uitzondering na niet (meer) beschikbaar. Bij het waarderen van de getuigenverklaringen moet met een aantal bijzondere factoren rekening worden gehouden. De tenlastegelegde feiten hebben (zeer) lange tijd geleden plaatsgevonden, de getuigen komen uit een andere omgeving en uit een andere cultuur en ze spreken over vreselijke gebeurtenissen en zijn in een aantal gevallen door die gebeurtenissen (ernstig) getraumatiseerd. Ook hebben de getuigen soms eerder (elders) verklaringen afgelegd, die niet in alle gevallen overeenstemmen met hun verklaringen in de onderhavige strafzaak. Het hof zal hierna uitvoeriger op deze en andere voor de waardering van de getuigenverklaringen van belang zijnde bijzondere feiten en omstandigheden ingaan. Rwandese samenleving De tenlastegelegde gebeurtenissen, indien bewezen, vonden plaats in een - niet westers - land dat in politiek, cultureel en sociaal-economisch opzicht weinig overeenkomsten vertoonde en vertoont met de Nederlandse samenleving en dat bovendien intern verscheurd was door ingrijpende met name politieke en etnische geschillen en (daarmee in dit geval gepaard gaande) gewapende conflicten, hetgeen een bijzondere wissel trekt op het onderzoek, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het opsporen van nog beschikbare getuigen, het geheugen van deze getuigen en het ter beschikking zijn van ander aanvullend bewijsmateriaal. Ook zal het hof, voor zover mogelijk, dienen na te gaan of de mogelijke onbekendheid van de getuige met tijd-, ruimte- en afstandsbepaling en het (on-)vermogen zich te oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal, alsmede de wijze waarop de getuige reageert op bepaalde vragen, van invloed kunnen zijn op de betrouwbaarheid van verklaringen. In dit verband wijst het hof op de vaststelling van het ICTR dat een deel van de Rwandese getuigen niet erg vertrouwd is met plattegronden en landkaarten en dat sommige getuigen het moeilijk vonden datum, tijdsverloop, afstanden en ruimte zo specifiek neer te zetten. Ook het hof is van oordeel dat hiermee rekening moet worden gehouden, en dat er niet zonder meer nadelige conclusies ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen aan moeten worden verbonden:49 "[...] Similar cultural constraints were evident in their difficulty to be specific as to dates, times, distances and locations. The Chamber also noted the inexperience of witnesses with maps, film and graphic representations of localities, in the light of this understanding, the Chamber did not draw any adverse conclusions regarding the credibility of witnesses based only on their reticence and their sometimes circuitous responses to questions." Herinnering Getuigenverklaringen berusten in hoofdzaak op wat die getuigen zich herinneren. Een belangrijke vraag is daarom hoe betrouwbaar die herinneringen zijn.50 Herinneringen zijn immers nooit geheel accurate reproducties van originele ervaringen: ze zijn onvolledig omdat aandacht, stress, emoties en andere de waarneming beïnvloedende factoren een selectieve invloed hebben op wat wordt waargenomen. Ook het tijdsverloop heeft invloed op de (kwaliteit van
  5. de)herinnering. Het hof verwijst in dit verband naar ook door de rechtbank aangehaald onderzoek van Wessel en Wolters. Daarin wordt gesteld blijkt dat de meeste herinneringen van oprechte getuigen betrouwbaar zijn. Het komt echter voor dat herinneringen details bevatten die cruciaal zijn voor een juridische bewijsvoering, maar die onbelangrijk zijn voor de dagelijkse gang van zaken. Die herinneringen behoeven niet per se accuraat te zijn, hoe stellig de getuige ook is. Alleen al om die reden moeten getuigenverklaringen in het algemeen kritisch worden bekeken.51 Het hof zal ook op deze omstandigheden en hun eventuele invloed op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring hierna nog nader ingaan.
  6. a)Tijdsverloop en herinnering De tenlastegelegde gebeurtenissen hebben betrekking op de periode april-juli 1994 en derhalve op feiten en omstandigheden die zich lange tijd geleden zouden hebben afgespeeld. Wanneer een getuige een verklaring aflegt, zal hij een beroep moeten doen op zijn herinnering. Idealiter moet de gebeurtenis waarover de getuige verklaart goed zijn waargenomen en opgeslagen, dient de opgeslagen informatie een tijdlang in het geheugen onveranderd bewaard blijven en tenslotte moet de getuige de informatie goed uit het langetermijngeheugen kunnen ophalen.52 Daar komt bij dat de omstandigheden tijdens de waarneming van het strafbare feit (zoals de afstand, het licht, de (bebouwde of begroeide) omgeving etc.) van invloed kunnen zijn op de waarneming en daarmee op de kwaliteit van de getuigenverklaring. Voor zover dit al heeft te gelden voor het waarnemingsvermogen, is het evident dat alleen al het tijdsverloop een bijzondere wissel trekt op het geheugen en de grenzen daarvan van de diverse getuigen die over deze gebeurtenissen hebben verklaard. Voor de meeste getuigen in de onderhavige strafzaak heeft te gelden dat het sedert de tenlastegelegde gebeurtenissen verstreken tijdsverloop grote invloed heeft gehad op de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van het geheugen. In de literatuur wordt beschreven dat door zowel interne processen als externe factoren, - zoals het integreren van later verkregen informatie in de geheugenspoor van de originele ervaring, of het accepteren van gesuggereerde gebeurtenissen als echte herinnering -, het geheugenspoor van de originele ervaring wordt veranderd of aangevuld.53 Het hof heeft bovendien onderkend dat, inherent aan de aard van een strafrechtelijk onderzoek, een getuige naarmate het onderzoek vordert met andere (aanvullende) vragen kan en zal worden geconfronteerd dan die hem eerder door de opsporingsautoriteiten wellicht in enigszins afwijkend verband zijn gesteld en dat een getuige zich later mogelijk aanvullende details zal weten te herinneren wanneer hem daar specifiek naar wordt gevraagd, ook indien dergelijke details in een eerdere fase niet aan de orde zijn geweest. Dit geldt evenzeer voor de bevraging door buitenlandse opsporingsautoriteiten of rechterlijke colleges in strafzaken tegen andere verdachten, nog los ervan dat de context van die bevraging voor het hof niet altijd goed te beoordelen is geweest. Al met al vragen ook deze omstandigheden om een kritische en nauwkeurige afweging bij de waardering van het bewijs. Gelet op voormeld tijdsverloop heeft het hof in het geval van ondergeschikte discrepanties in verklaringen van getuigen deze verklaringen niet op voorhand als onbetrouwbaar beoordeeld. Het hof heeft echter in geval van herhaalde contradicties of lacunes in een verklaring in sommige gevallen aanleiding gezien deze buiten beschouwing te laten, tenzij de desbetreffende getuigenverklaring, voor zover relevant, op essentiële onderdelen bevestiging vindt in ander bewijs.
  7. b)Trauma en herinnering Een ander punt van bijzondere aandacht betreft de omstandigheid dat het merendeel van de in onderhavige strafzaak gehoorde getuigen tevens slachtoffer is geweest van (ernstig) traumatiserende gebeurtenissen zoals omschreven in de tenlastelegging, waarbij de getuige soms zelf (ernstig) fysiek gewond is geraakt dan wel één of meerdere familieleden en relaties heeft verloren. De vraag die daarbij opkomt is hoe goed (waarheidsgetrouw) traumatische gebeurtenissen worden herinnerd.54 Het hof dient bij de beoordeling van verklaringen van dit soort getuigen en de mogelijke inconsistenties en onnauwkeurigheden daarin rekening te houden met het feit dat het gaat om uitzonderlijk dramatische gebeurtenissen die een grote impact op de slachtoffer-getuigen hebben gehad. Het ophalen van deze traumatische ervaringen zal niet zelden herinneringen oproepen aan angst, pijn en verlies waaraan de getuige heeft blootgestaan, waardoor het vermogen van de getuige om het verloop van de gebeurtenissen geheel en adequaat terug te halen wordt aangetast.55 Indien de getuigen/slachtoffers van traumatische gebeurtenissen een beroep doen op herinneringen aan die gebeurtenissen, dan komt het voor dat er bij verschillende gelegenheden verschillende verklaringen worden afgelegd. Het hof heeft geconstateerd dat dit ook in de onderhavige zaak nog al eens het geval is. Er wordt gesproken van een traumatische gebeurtenis indien de betrokkene slachtoffer of getuige is geweest van een of meerdere incidenten waarbij sprake is van levensbedreiging, verlies, (ernstig) lichamelijk letsel of bedreiging van de fysieke integriteit van de betrokkene of anderen.56 Slachtoffers en getuigen kunnen hieraan ernstige en langdurige symptomen overhouden, zoals herbeleving of nachtmerries, vermijding van herinneringen of emotionele uitschakeling hiervan, het van streek raken bij alles wat aan traumatische gebeurtenissen herinnert, situaties uit de weg gaan die associaties oproepen met de gebeurtenissen, concentratieproblemen, slecht slapen, lusteloosheid, huilbuien en zelfs fysieke klachten. Indien deze symptomen zich langdurig voordoen is er sprake van een Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS)57. Het hof heeft zich de vraag gesteld hoe traumatische gebeurtenissen herinnerd worden en of herinneringen aan dergelijke traumatiserende gebeurtenissen accurater of wellicht juist minder accuraat zijn dan herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen en daarmee van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring van de betrokkene. De validiteit van een getuigenverklaring berust immers in hoge mate op de kwaliteit van de herinnering. In de literatuur wordt beschreven dat het geheugen van de getuige als gevolge van traumatisering kan worden aangezet tot verdringing en dissociatie, die - in negatieve zin - effect sorteren op het geheugen. Meer in algemene zin geldt dit ook voor het waarnemingsvermogen van de getuigen. Dat de getuige als gevolg van ernstig trauma door verdringing of vermijding de in het geheugen opgeslagen herinnering aan een bepaalde gebeurtenis heeft uitgeschakeld, wil overigens niet zeggen dat die herinnering, door middel van zorgvuldige en gerichte vraagstelling, niet alsnog toegankelijk kan worden gemaakt. Gedragswetenschappers zijn het overigens niet eens over de effecten van verdringing. Volgens sommige auteurs worden traumatische herinneringen gekenmerkt door hun intensiteit en door hun kwaliteit. Omdat de traumatiserende gebeurtenissen zo indrukwekkend zijn, zou de herinnering eraan sterk zijn en daardoor ongevoelig voor post-hoc informatie.58 Anderzijds zijn er onderzoekers die op basis van onderzoek tot de bevinding zijn gekomen dat ook traumatische herinneringen gevoelig zijn voor hervormingen door latentie, post-hoc informatie en fantasie en dat ze om die reden onbetrouwbaar zijn. Zo hebben Wagenaar en Groeneweg in een gezaghebbende studie naar de herinneringen van overlevenden van een concentratiekamp beschreven dat traumatische gebeurtenissen, net als andere gebeurtenissen, gewoonweg vergeten kunnen worden. Overigens wijzen Candel, Merkelbach en Wessel er op dat Wagenaar en Groeneweg in die studie ook concluderen dat de herinneringen van overlevenden, vooral als ze betrekking hebben op zeer ingrijpende details grosso modo correct zijn.59 In de literatuur zijn verschillende methoden beschreven om getuigen te helpen tot een accurate verklaring te komen. Belangrijk is in ieder geval dat de getuige, zonder druk van buitenaf, in alle rust zijn verhaal kan doen. Dit klemt te meer indien het getuigen betreft die ernstig zijn getraumatiseerd. Het herhaald vragen is een bekende geheugenverbeterende methode. Ofschoon er in de regel een redelijke overlap zal bestaan tussen hetgeen de getuige in eerste instantie verklaart en datgene dat hij zich een tweede keer herinnert, komt het voor dat de getuige zich tijdens een opvolgend verhoor nieuwe informatie herinnert die hij niet eerder heeft genoemd. Het hof is, op basis van het vorenoverwogene, van oordeel dat de weergave van de traumatische gebeurtenis door de getuige en/of slachtoffer met de nodige voorzichtigheid en alleen in onderlinge samenhang met andere bewijsmiddelen dient te worden beoordeeld. Deze weergave kan immers vertekend zijn. De minderjarige getuige Een ander punt van bijzondere overweging betreft de omstandigheid dat een enkele getuige die een verklaring in onderhavige zaak heeft afgelegd, ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen nog minderjarig was. (Rechts)psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat het geheugen van kinderen in beginsel accuraat is en dat kinderen betrouwbaar kunnen vertellen over gebeurtenissen die enige jaren daarvoor hebben plaatsgevonden.60 Er zijn derhalve geen redenen om a priori aan te nemen dat verklaringen van kinderen niet betrouwbaar zijn vanwege hun leeftijd, ook niet als zij spreken over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden. Wel dient, naar mate het om jongere leeftijd gaat, daarmee extra behoedzaam te worden omgegaan, gelet op de (
  8. on)mogelijkheid gebeurtenissen in hun juiste context in te schatten en de waarneming ervan op te slaan.61 Identificatie van de verdachte Ingevolge vaste jurisprudentie van de internationale ad hoc tribunalen alsmede in de literatuur dient voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte het volgende toetsingskader te worden gehanteerd: kent de getuige de verdachte (de ooggetuige-herkenning), wat was de afstand tussen de getuige en de verdachte, hoe lang en vaak heeft de getuige de verdachte gezien, was het licht of donker, in hoeverre worden de waarnemingen onderbouwd door ander (getuigen)bewijs, zijn er andere factoren die de waarneming betrouwbaar of minder betrouwbaar maken. Hierbij moet aandacht worden besteed aan vragen als: kon de getuige het handelen, het wapen, de kleding of mededaders beschrijven, op welke afstand, in welk licht en werd de waarneming op de een of andere manier belemmerd (had hij een vrij gezichtsveld?).62 Al deze en andere aspecten hangen samen met de kwaliteit van de identificatie. De omstandigheden waaronder door de getuige aan hem reeds bekende personen worden herkend, vragen om bijzondere aandacht. Het probleem met herkenningen onder moeilijke omstandigheden is immers dat zij niet met behulp van een gecontroleerde identificatieprocedure getoetst kunnen worden.63 Zoals hiervoor werd overwogen past hierbij de algemene kanttekening dat een deel van de Rwandese getuigen niet erg vertrouwd is met plattegronden, landkaarten en dat sommige getuigen het moeilijk vonden datum, tijdverloop, afstanden en ruimte zo specifiek neer te zetten. Hiermee moet eveneens rekening worden gehouden, zonder dat hieraan zonder meer nadelige conclusies ten aanzien van de betrouwbaarheid van de getuigen moeten worden verbonden. Het enige dat naderhand kan worden vastgesteld is of de waargenomen persoon (de verdachte) inderdaad goed bekend was bij de getuige. Derhalve dienen de waarnemingsomstandigheden minder vragen op te roepen dan bij onbekende personen, waar men de twijfels altijd kan wegnemen met behulp van een formele identificatietest. Visuele identificatie is bij uitstek gevoelig voor vergissingen en tal van de eerdergenoemde omstandigheden zijn van invloed op de kwaliteit van de waarneming en dienen daarom erg voorzichtig ("with extreme caution") te worden behandeld en enkel in samenhang met de overige hiervoor genoemde en voor de beoordeling van de herkenning van de verdachte relevante vragen.64 9.2 Uitgangspunten van de bewijswaardering in de onderhavige zaak Het bewijs van de aan de verdachte verweten feitelijke gedragingen bestaat, naast andere stukken van overtuiging, waaronder video- en fotorapportages van de locaties waarop de tenlastegelegde feitelijke gebeurtenissen betrekking hebben, in hoofdzaak uit een groot aantal (oog)getuigenverklaringen. De getuigen hebben (opvolgende) verklaringen afgelegd tegenover de Nationale Recherche (NR) en de rechter-commissaris, het ICTR in de vorm van trial testimonies en witness-statements (de strafzaken Ntakirutimana65, Ruzindana66 en Musema67), de gacaca-rechtbanken, Canadese (de strafzaak Mungwarere68) danwel Amerikaanse autoriteiten (de strafzaak Kagaba69) en het Parquet Général in Rwanda. Geen van de in de onderhavige zaak gehoorde getuigen heeft in Nederland als getuige ter terechtzitting een verklaring afgelegd. Het hof zal zich voor het bewijs in de onderhavige zaak primair baseren op de - de verdachte belastende - verklaringen die de getuigen hebben afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Deze verklaringen zijn immers afgelegd voor een (onafhankelijke) rechter en de verhoren waren expliciet gericht op de schuld en onschuld van de verdachte. Bovendien vonden de verhoren plaats in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte. Voorts hebben zowel het openbaar ministerie als de verdediging tijdens deze verhoren - een enkele uitzondering daargelaten - de gelegenheid gehad de getuigen uitvoerig te ondervragen en de betrouwbaarheid van diens verklaring te toetsen. In aanvulling daarop zal het hof putten uit de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd bij de Nationale Recherche. Voor deze verklaringen geldt immers dat zij eveneens (expliciet) gericht zijn op verdachtes eventuele betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex. Tenslotte zal het hof voor het bewijs, zo nodig, gebruik maken van verklaringen elders en in andere strafzaken afgelegd. De beoordeling van de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd tegenover de rechter-commissaris, zal mede geschieden in het licht van de verklaringen die de andere getuigen bij de rechter-commissaris en de andere hiervoor genoemde (opsporings-)autoriteiten hebben afgelegd, van de verklaring van de verdachte zelf, alsmede van andere schriftelijke en visuele bronnen van bewijs (foto- en videobeelden alsmede geluidsfragmenten). Het hof zal daarbij nagaan of een getuigenis, gelet op de persoon van de getuige die de verklaring aflegt, de omstandigheden waaronder de verklaring tot stand is gekomen en de feitelijke informatie die de verklaring bevat, al dan niet in samenhang met andere bewijsmiddelen, voldoende betrouwbaar en aannemelijk is om als bewijsmiddel te worden gebruikt. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de afzonderlijke getuigenverklaringen heeft het hof net als de rechtbank een algemeen toetsingskader gehanteerd waarbinnen de verklaringen van de getuige zullen worden beoordeeld. Het hof zal in de eerste plaats, voor zover mogelijk, onderzoeken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring, zoals de psychische belasting, de mogelijke betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang of motief - persoonlijk, etnisch, financieel of anderszins - om in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen. Daarna zal het hof nog een beschouwing wijden aan de - objectieve - criteria om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen te toetsen. 9.3 Nadere beschouwingen omtrent de beoordeling van de getuigenverklaringen in de onderhavige zaak Alvorens in het voetspoor van deze aandachtspunten de in deze zaak afgelegde getuigenverklaringen - voor zover nodig - op hun betrouwbaarheid te beoordelen, wijdt het hof nog enkele beschouwingen aan de wijze van verhoor en de psychologische ondersteuning van getuigen, de (mogelijke) beïnvloeding van getuigen, belangen of motieven van de getuigen en de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door getuigen. De wijze van verhoor: emoties en bijstand psycholoog/psychiater Het hof heeft vastgesteld dat bij geen van de verhoren door de Nationale Recherche van de getuigen die verklaarden tevens slachtoffer te zijn geweest, geestelijke steun en bijstand is verleend door een psycholoog en/of psychiater. Voorts is gebleken dat bij sommige verhoren door de rechter-commissaris in eerste aanleg een traumapsycholoog aanwezig is geweest om bijstand te verlenen aan de getuigen voor zover deze daaraan behoefte hadden en om de rechter-commissaris desgevraagd van advies te dienen. Blijkens de van de verhoren door de rechter-commissaris opgemaakte processen-verbaal van bevindingen70 zijn nagenoeg alle in hoger beroep gehoorde getuigen die verklaarden tevens slachtoffer van het tenlastegelegde feitencomplex te zijn geweest, voorafgaand en in enkele gevallen tussentijds en na het verhoor door de rechter-commissaris bijgestaan door een psycholoog danwel een psychiater, gelet op mogelijke hertraumatisering van de getuigen. De getuige J.R. stelde geen prijs op een gesprek met de psychiater. Onduidelijk is verder of bij het verhoor door de rechter-commissaris van de getuige L.N. gebruik is gemaakt van de diensten van een psychiater of psycholoog. Dezelfde onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de getuigen D.M., J.B. en M.M. Wel hebben deze drie getuigen voorafgaand aan hun verhoor gesproken met een expert van de Victims & Witness Assistance and Protection Unit van de National Prosecution Authority van Rwanda. Voorts is ook een aantal andere getuigen in de gelegenheid gesteld om tijdens de onderbreking van verhoren te spreken met een expert van deze organisatie. De rechter-commissaris heeft in verband met de wijze van verhoor van de in hoger beroep toegewezen getuigen gesproken met de Chief Witness & Victims Support Section van de Judicial and Legal Services Division of the Registry van het International Criminal Tribunal for Rwanda71. Tevens heeft de rechter-commissaris gesprekken gevoerd met diverse personen en organisaties met als doel te kunnen bepalen of en zo ja hoe invulling zou kunnen worden gegeven aan de begeleiding van getuigen in het strafrechtelijk onderzoek teneinde negatieve effecten van een verhoor te ondervangen. De rechter-commissaris heeft er tijdens het verhoor van de getuigen voor gekozen niet direct aan het begin van elk verhoor mede te delen dat de getuigen in de strafzaak tegen de verdachte worden gehoord en derhalve ook niet direct te vragen of zij 'diens bloedverwanten of aangehuwden' zijn.72 Gebleken is voorts dat een aantal slachtoffer-getuigen tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris (hevig) geëmotioneerd is geraakt waardoor er mogelijk sprake was van hertraumatisering van de gebeurtenissen (de getuigen M.M., I.M. en J.K.). Naar 's hofs oordeel is in dit verband illustratief de verklaring van de getuige I.M. die, na een langdurig en intensief verhoor, op vragen van de rechter-commissaris of hij kon uitleggen waarom hij bij eerdere gelegenheid bepaalde namen van daders niet heeft genoemd, als verklaring daarvoor geeft dat hij bij het zien van daders in verwarring is geraakt, dat hij nog in een trauma was en dat namen vergeten niet betekent dat hij de daders niet heeft gezien en dat om goed te kunnen slapen hij zijn best deed om hun namen te vergeten, omdat hij anders iedere nacht moet dromen.73 De getuigen C.B. (aids, bronchitis en hoofdpijn), M.M. (verwondingen als gevolg van tenlastegelegde gebeurtenissen) en J.K. (zeer ernstig hoge bloeddruk) verkeerden voorts in een slechte gezondheid. Blijkens de van de getuigenverhoren door de rechter-commissaris opgemaakte processen-verbaal van bevindingen heeft de advocaat-generaal een aantal keren bezwaar gemaakt tegen de wijze van verhoor van de getuige die o.a. gebrek aan relevantie zouden hebben (de getuige D.M.) te offensief en agressief (de getuige I.N) danwel verwarrend, nodeloos belastend en traumatiserend zou zijn (de getuige J.K.). Ook heeft de advocaat-generaal bezwaar gemaakt tegen de lengte van het verhoor (de getuige I.M.), tegen het onderwerp (verkrachting) van het verhoor (de getuige F.M.) en in een geval aangedrongen op het beëindigen van het verhoor wegens de mentale danwel medische situatie van de getuige (de getuige J.K.). Het hof kan zich, blijkens de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal, niet aan de indruk onttrekken dat in een aantal gevallen de getuige door de wijze van gedetailleerde vraagstelling en met name ook de lange duur van de verhoren in een aantal gevallen, naast optredende irritatie (de getuige I.M.) (ernstig) in verwarring is gebracht. Het hof merkt daarbij op dat de kans, dat informatie die door getuigen aan het eind van een (langdurige) verklaring wordt gegeven betrouwbaar is, kleiner wordt (het zogeheten output order-effect).74 Met andere woorden: ondervragers die urenlang doorgaan met het verhoor kunnen aan het einde daarvan rekenen op gebrek aan accuraatheid omdat onjuiste elementen in de herinnering zullen zijn geslopen. Het hof sluit niet uit dat zulks het geval is geweest bij het verhoor door de rechter-commissaris van de getuigen J.K., C.B. en A.N. De getuige J.K. is in hoger beroep in totaal maar liefst 27 uur gehoord niettegenstaande het feit dat zij ernstige ziekteverschijnselen (ernstig verhoogde bloeddruk) vertoonde en aangaf aan hevige hoofdpijnen te lijden en moe was. Desondanks heeft de rechter-commissaris, na een korte pauze, haar verhoor vervolgd, waarna de getuige ineens is teruggekomen op een aantal essentiële onderdelen van deze en eerdere verklaringen. De getuige C.B. is eveneens langdurig bij de rechter-commissaris gehoord. Zij verkeerde kennelijk niet alleen in slechte gezondheid, maar maakte bovendien op de rechter-commissaris een kwetsbare indruk en moest na het verhoor worden vervoerd naar het ziekenhuis75. De getuige A.N. merkte tegenover de rechter-commissaris tegen het eind van een zeer langdurig en intensief verhoor op dat dit het "moeste verhoor" was dat zij had meegemaakt.76 Het hof zal hierop bij de bespreking van de afzonderlijke getuigen voor zover nodig nader ingaan. Beïnvloeding van de getuigen De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat er in de loop van het onderzoek grote druk is uitgeoefend op een aantal getuigen om niet naar waarheid te verklaren. De rechtbank heeft eveneens vastgesteld dat de familie van de verdachte bij de verdwijning van de getuigen Y.H. en D.N. betrokken is geweest. Hierdoor hebben de Nationale Recherche noch de rechter-commissaris deze getuigen (nader) kunnen horen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat ook op andere getuigen druk is uitgeoefend door de familie en dat de verdachte hierover (in ieder geval achteraf) door zijn zuster is geïnformeerd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat ook uit de verklaringen van andere getuigen in het dossier, zoals S.N., P.B. en U.N. blijkt dat sprake was van diepgewortelde angst voor de familie van de verdachte, met name voor diens broer O.R. Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, en ook overigens zijn het hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, die tot andere vaststellingen zouden moeten leiden. De verdediging heeft nog opgemerkt dat diverse getuigen contact hebben gehad met anderen voordat zij door de rechter-commissaris zijn gehoord en dat het niet valt uit te sluiten dat zij door de betrokkene(
  9. n)zijn beïnvloed omdat doel en strekking van het verhoor aan de getuige is uitgelegd. Ofschoon het hof de verdediging wil meegeven dat dit niet valt uit te sluiten, beschikt het hof anderzijds niet over concrete aanwijzingen die zulks (voldoende) aannemelijk maken. Het hof zal hierop bij de bespreking van de afzonderlijke getuigen voor zover nodig nader ingaan. Belangen of motieven van getuigen Vele, maar niet alle getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd zijn Tutsi. Door de verdachte is wel gesuggereerd dat daarin een algemeen motief voor de (Tutsi-)getuigen zou zijn gelegen om een (onbetrouwbare) belastende verklaring af te leggen. Het hof is van oordeel dat - temeer waar dergelijke verklaringen door andere belastende verklaringen worden ondersteund, waaronder verklaringen van (mede)daders behorend tot de Hutu's - in de etniciteit van de getuige niet zonder meer een reden gelegen is om die verklaringen als onbetrouwbaar terzijde te leggen. Bijzondere omstandigheden waarom dat anders zou moeten zijn niet aannemelijk geworden. Van enig ander persoonlijk of financieel belang van getuigen, dat van invloed zou zijn op de betrouwbaarheid van hun verklaringen is het hof in het geheel niet gebleken. Betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de getuigen Nagenoeg alle getuigen die in deze strafzaak bij de Nationale Recherche en de rechter-commissaris zijn gehoord, hebben verklaard dat zij de verdachte kenden. Enkele uitzonderingen daargelaten, heeft de verdachte steeds ontkend de desbetreffende getuige(
  10. n)te kennen. Het hof heeft geconstateerd dat het merendeel van de getuigen bij de Nationale Recherche en/of tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij de verdachte reeds vóór de tenlastegelegde gebeurtenissen uit 1994 persoonlijk kenden. Een enkele getuige verklaarde dat anderen hem bij gelegenheid hebben aangewezen. De meeste getuigen verklaarden meer in het bijzonder, kort gezegd, dat de verdachte de zoon is van de handelaar E.M. die een winkel had aan de markt van Mugonero en dat zij daar, soms al van jongs af aan, regelmatig spullen kochten of verkochten en dat de verdachte in die winkel hielp. Veel getuigen kenden hem ook als de (jongere) broer van O.R., de andere zoon van E.M. Aannemelijk is geworden dat (de familie van
  11. de)verdachte in Mugonero dermate bekend was bij de dorpsgenoten, dat het feit dat de verdachte heeft gesteld de getuigen niet te kennen op zichzelf geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door die getuigen. Voorts zijn er getuigen die hebben verklaard dat zij bij de verdachte op school hebben gezeten, dat de verdachte bevriend was met buren en dat de verdachte de vriend was van de dochter van pasteur M.G. Dit laatste heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd. Verschillende getuigen geven voorts een beschrijving van de verdachte. Getuigen verklaarden tevens dat zij de verdachte later weer tijdens (één van) de aan hem tenlastegelegde gebeurtenissen hebben gezien en herkend. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid betreft dat het voor de kwaliteit van de (oog-)getuigenwaarneming van belang is of er sprake is van herkenning door een bekende of van identificatie van een onbekende. De herkenning van een bekende is onder goede omstandigheden aanzienlijk betrouwbaarder dan de identificatie van een onbekende. Naar het oordeel van het hof is tevens van invloed of de getuigen tijdens de waarneming de verdachte 'en face' hebben gezien, omdat dit de kwaliteit van de herkenning ten goede komt. Daarbij komt dat, met uitzondering van de getuige W.B., het ras van de getuigen en van de verdachte overeenkomt waardoor de kans op accurate herkenning groter is dan wanneer beide rassen verschillen.77 Het hof zal hierop bij de bespreking van de afzonderlijke getuigen voor zover nodig nader ingaan. Het hof merkt hierbij op dat er - gelet op de bekendheid van de verdachte bij het overgrote deel van de getuigen die verklaarden hem te hebben herkend - geen aanleiding was om in het kader van het onderzoek over te gaan tot een foto-confrontatie. 9.4 Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen Objectieve criteria Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid -in objectieve zin- van de door de getuigen afgelegde verklaringen zal het hof aansluiten bij de in de zaak Kouwenhoven78 door dit hof gehanteerde criteria.79 Die beoordeling zal (met name) plaatsvinden aan de hand van:
  12. a)de toetsing aan objectieve, van elders verkregen informatie of gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse;
  13. b)de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen;
  14. c)de overeenstemming van die verklaring(
  15. en)met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;
  16. d)de (op zichzelf minder 'hard' vast te stellen) plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en). Ad a. Toetsing getuigenverklaringen aan ander (elders verkregen) bewijs De mogelijkheid van toetsing van de verklaringen van de getuigen en/of slachtoffers dient te geschieden aan de hand van achtergrondmateriaal, zoals schriftelijke bronnen zoals geschriften80 en rapporten81 over de genocide in Rwanda in 1994, de feitelijke vaststellingen ("factual findings") door het ICTR over het gewapende conflict in Rwanda in 1994 en de daaropvolgende feitelijke gebeurtenissen, meer in het bijzonder de tenlastegelegde aanval op het Adventistencomplex op 16 april 1994.82 Het hof is van oordeel dat de feitelijke vaststellingen door het ICTR, zoals de vaststelling dat op 16 april 1994 een aanval heeft plaatsgevonden op Tutsi-vluchtelingen op het Adventistencomplex te Mugonero en op 13 mei 1994 een aanval heeft plaatsgevonden op de Muyira heuvel, in zijn onherroepelijke uitspraken ook in deze zaak als uitgangspunt hebben te gelden, althans voor zover deze vaststellingen zich beperken "as to the facts of the case" en in zoverre geen oordeel inhouden over de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte bij de in die strafzaken tenlastegelegde beschuldigingen. Met de rechtbank stelt het hof vast dat die vaststellingen zijn gedaan na uitgebreid onderzoek door het ICTR en het hof ziet geen enkele aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen, te minder nu de verdediging geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die hierop een ander licht werpen. Dit geldt evenzeer voor de door het hof als bewijs gebruikte schriftelijke bronnen. De inhoud van deze vaststellingen is noch door de verdediging, noch door het openbaar ministerie aangevochten. Voorts is er het foto- en beeldmateriaal behorende bij het door het ICTR verrichte onderzoek met betrekking tot het Adventistencomplex, de foto- en videorapportages van de Nationale Recherche, het beeldmateriaal van en behorende bij de door de rechter-commissaris verrichte schouwen alsmede het beeldmateriaal dat door het openbaar ministerie bij gelegenheid van het requisitoir in eerste aanleg is overgelegd. In het zaaksdossier-B. bevinden zich bovendien rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut over een door het echtpaar B. ter beschikking gestelde brief. Bij vorenbedoelde foto- en videorapportages past de volgende kanttekening. Met uitzondering van de rechter-commissaris is het de rechtbank noch het hof toegestaan om buiten zijn rechtsgebied een schouw als bedoeld in artikel 318 van het Wetboek van Strafvordering te houden teneinde zelfstandig een beeld te verkrijgen van de plaatsen waar zich de tenlastegelegde feiten zouden hebben afgespeeld. Voor de visualisatie daarvan is het hof derhalve afhankelijk van het gepresenteerde beeldmateriaal door het openbaar ministerie en de verdediging en zijn eigen (hof) interpretatie daarvan. Dit noopt het hof tot enige voorzichtigheid bij het gebruik van dat materiaal. Ad. b. Consistentie van de opvolgende verklaringen Een gedeelte van de getuigen in de onderhavige strafzaak heeft sedert 1995 eerder verklaringen afgelegd over een of meer gebeurtenissen tijdens de genocide. De beoordeling van de verklaringen die getuigen en/of slachtoffers tegenover de rechter-commissaris en de Nationale Recherche hebben afgelegd, zal mede geschieden in het licht van de verklaringen die deze getuigen, voor zover relevant, eerder tegenover andere instanties waaronder het ICTR, het Parquet-General in Rwanda, Canadese en Amerikaanse autoriteiten, de gacaca's en tegenover medewerkers van African Rights83 hebben afgelegd, de verklaringen van andere getuigen bij een of meer van de genoemde instanties en de verklaringen van de verdachte. Teneinde een uitspraak te kunnen doen over de accuratesse van de herinnering van de getuige en/of slachtoffer dienen de verklaringen die zij op verschillende tijdstippen tegenover de onderscheidenlijke (opsporings)autoriteiten hebben afgelegd, met elkaar te worden vergeleken. De mate van consistentie - die betrekking heeft op de mate van overeenkomst tussen de verschillende verklaringen - is dan aan de orde en die is weer van invloed op de bewijskracht van de desbetreffende verklaring, met name wanneer dit aspecten van een verklaring betreft die dragend zijn voor het bewijs. Ofschoon een sterke mate van consistentie nog geen garantie biedt voor de accuratesse van de desbetreffende verklaring84, is het omgekeerde evenmin het geval. Het hof heeft geconstateerd dat er tussen de opvolgende verklaringen van de diverse (slachtoffer-)getuigen inconsistenties zitten. Van belang zijn de omstandigheden waaronder de geconstateerde inconsistenties zich voordoen. Wanneer dit gebeurt aan het einde van een lang verhoor en/of als er sprake is van PTSS-symptomen, dan moet men bedacht zijn op commissiefouten, dat wil zeggen: onjuiste elementen in de herinnering.85 In dit verband heeft het hof eveneens geconstateerd dat de getuigen, met name in hoger beroep, bij de rechter-commissaris uren en uren en gedurende meerdere dagen, zeer langdurig, intensief en gedetailleerd zijn ondervraagd, waarbij regelmatig tussen de onderwerpen heen en weer werd gesprongen en ook tal van, naar 's hofs oordeel, perifere onderwerpen aan bod kwamen. Zoals hiervoor werd overwogen blijkt uit de processen-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris alsmede uit de inhoud van de desbetreffende getuigenverklaringen, in onderlinge samenhang bezien, dat sommige getuigen naar aanleiding van de (wijze van) verhoren uitgeput zijn geraakt. Dit raakt naar het oordeel van het hof de kwaliteit van het verhoor en kan daarmee van invloed zijn op de accuratesse van de herinnering en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaring. Bij de beoordeling van de desbetreffende getuigenverklaringen heeft het hof rekening gehouden met de (mate van) consistentie, waarbij het hof voorts heeft betrokken de verklaring die de desbetreffende getuige, waar nodig, voor de ogenschijnlijke discrepanties en kennelijke tegenstrijdigheden heeft gegeven en de mate waarin (bepaalde onderdelen van) de verklaring steun vinden in ander bewijs. Bij de processtukken bevinden zich verklaringen die getuigen hebben afgelegd tegenover onderzoekers en rechters van het ICTR. Het betreft dan respectievelijk de zogeheten witness statements en de zogeheten trial testimonies. Witness statements betreffen verklaringen die (potentiële zittings-)getuigen hebben afgelegd tegenover onderzoekers van het ICTR. Het hof overweegt hierbij, gelijk het openbaar ministerie, dat het ICTR heeft overwogen dat de witness statemens nooit bedoeld zijn geweest om exacte en volledige informatie te geven86, dat het ICTR - uitzonderingen daargelaten - accepteert dat getuigen in sommige gevallen uitsluitend antwoord geven op de vragen van een onderzoeker wiens focus op anderen dan de verdachte in kwestie lag, 'rather than volunteering all the information of which they are aware'.87 Het ICTR oordeelt voorts dat: '[...] the probative value attached to the statements is, in the Chamber's view, considerable less than the direct sworn testimony before the Chamber, the truth of which had been subjected to the test of cross-examonation'.88 Bovendien is gebleken dat die verklaringen vaak niet woordelijk, maar 'slechts' verbatim zijn uitgewerkt, waardoor de context van de bevraging van de getuige voor het hof niet goed te controleren en daarmee te beoordelen is geweest. Voorts is aannemelijk geworden dat de onderzoekers van het ICTR de getuige (slechts) gericht hebben gevraagd naar de persoon tegen wie het onderzoek was gericht dan wel naar een concreet het onderzoek van de zaak betreffende incident. Om deze redenen beziet het hof de inconsistenties en tegenstrijdigheden tussen de witness statements en in de onderhavige strafzaak afgelegde getuigenverklaringen met grote voorzichtigheid en is het hof van oordeel dat de bewijswaarde van de witness statements minder is dan een verklaring afgelegd tegenover een rechter. Eenzelfde terughoudendheid past ook bij de door getuigen afgelegde trial testimonies. Nog los ervan dat in de onderhavige strafzaak in een aantal gevallen 'slechts' transcripties van de desbetreffende verklaring beschikbaar zijn, is ook hierbij allereerst van belang dat die verklaringen zijn afgelegd ten aanzien van specifieke verdachten of incidenten en derhalve de wijze van ondervraging en beantwoording per definitie nauw verwezen is met de zaak waarin wordt getuigd. Het hof is van oordeel dat het een getuige in beginsel niet kan worden tegengeworpen wanneer er eerder in een andere strafzaak of onderzoek niet specifiek is gevraagd naar de verdachte en de getuige de naam van de verdachte niet heeft genoemd. Mutatis mutandis heeft het vorenstaande te gelden voor de verklaringen die getuigen hebben afgelegd tegenover Canadese en Amerikaanse onderzoekers respectievelijk rechters. Veel getuigen in deze zaak hebben verder verklaard dat zij eerder een verklaring hebben afgelegd bij een van de locale gacaca-rechtbanken. Enkele getuigen verklaarden daar ook de naam van de verdachte te hebben genoemd in relatie tot een van de aanklachten. Het hof heeft geconstateerd dat in eerste aanleg, met uitzondering van drie gacaca-verklaringen, de door de getuigen bij de gacaca-rechtbanken afgelegde verklaringen aan het dossier zijn toegevoegd. Dat is anders bij de getuigen die in hoger beroep door de Nationale Recherche en/of door de rechter-commissaris zijn gehoord en die eveneens hebben verklaard dat zij eerder bij de gacaca een verklaring hebben afgelegd. Ondanks herhaalde inspanningen daartoe door het openbaar ministerie ontbreken die verklaringen, waarvan, voor zover al beschikbaar, aannemelijk is geworden dat ze niet althans niet binnen een aanvaardbare termijn aan het procesdossier konden worden toegevoegd. Gelet erop dat anderzijds aannemelijk is geworden dat de verdediging bij de rechter-commissaris ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om de getuigen te bevragen, is het hof van oordeel dat de verdachte door het ontbreken van de desbetreffende gacaca-verklaringen redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Daarbij komt dat het hof onvoldoende inzicht heeft verkregen op de wijze waarop de verklaringen bij de gacaca tot stand zijn gekomen en met welke waarborgen de procedures bij de gacaca zijn omgeven. Het proces bij de gacaca-rechtbanken is primair bedoeld om verzoening en gerechtigheid te beproeven. Aannemelijk is geworden dat de getuigen bij de gacaca een verklaring hebben afgelegd in het bijzijn van een groot aantal getuigen (veelal dorpsgenoten), waardoor naar het oordeel van het hof de kans niet denkbeeldig is dat er wederzijdse beïnvloeding heeft plaatsgevonden die zijn weerslag heeft op de betrouwbaarheid van die verklaringen. Voorts is onvoldoende inzichtelijk geworden of de bij de gacaca afgelegde verklaringen met voldoende (naar Nederlands procesrechtelijke maatstaven) waarborgen zijn omgeven. Hetzelfde geldt voor verklaringen afgelegd tegenover, bijvoorbeeld, medewerkers van African Rights.89De verdediging heeft stukken in het geding gebracht van African Rights met daarin 'verklaringen' van sommige getuigen in de onderhavige strafzaak. Hoe die verklaringen tot stand zijn gekomen onttrekt zich evenwel aan het zicht van het hof. Door het ontbreken van enige door het hof op grond van objectieve maatstaven te controleren methodiek betreffende de vraagstelling en weergave van antwoorden van de in die stukken voorkomende 'getuigen', is de bewijswaarde hiervan naar 's hofs oordeel gering. Het hof zal in voorkomende gevallen, in beginsel, primair de verhoren bij de rechter-commissaris, in samenhang met de andere door de getuige(
  17. n)afgelegde verklaringen, tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en de plausibiliteit van de verklaringen. Ad c. Discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden Het hof heeft, zoals hiervoor reeds werd overwogen, vastgesteld dat er op onderdelen van de verklaringen verschillen, inconsistenties of tegenstrijdigheden zijn in de diverse (opvolgende) verklaringen van de getuige(n). Het hof stelt voorop dat voor wat betreft de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van getuigen (evenals voor de verklaring van de verdachte) in algemene zin geldt dat die verklaring reeds vanwege de subjectiviteit van de waarneming, nog mogelijk daargelaten de falende herinnering of (kwade) bedoeling van de getuige, per definitie een minder hard karakter heeft. Indien voorts de geconstateerde inconsistenties of verschillen zien op een aspect van de verklaring dat dragend zou moeten zijn voor het bewijs of die anderzijds evident de betrouwbaarheid van de getuigeverklaring raken en er, na afweging van alle vorenoverwogen feiten en omstandigheden, geen bevredigende verklaring voor die geconstateerde verschillen, inconsistenties of tegenstrijdigheden kan worden gevonden, kan dit invloed hebben op de bewijskracht van een verklaring. Dit kan ertoe leiden dat de verklaring integraal danwel het inconsistente gedeelte van de verklaring voor het bewijs buiten beschouwing wordt gelaten. Naar het oordeel van het hof dienen in beginsel alleen substantiële inconsistenties te worden geanalyseerd en gewogen. Een van de meest in het oog springende discrepanties is dat diverse getuigen de naam van de verdachte voor het eerst hebben genoemd bij de Nationale Recherche danwel bij de rechter-commissaris en niet in de eerder afgelegde verklaringen bij Rwandese of andere buitenlandse autoriteiten in Canada en Amerika. Dit vraagt om een zorgvuldige beoordeling van de desbetreffende verklaring(en), in onderling verband en samenhang bezien, waarbij bijzondere aandacht zal dienen te worden gegeven aan de oorzaak van de geconstateerde discrepantie, zoals bijvoorbeeld de focus van het desbetreffende strafrechtelijk onderzoek en de omstandigheden waaronder de (andere) verklaring is afgelegd, dan wel de - latere - verklaring van de getuige over die discrepantie. Het hof heeft voorts geconstateerd dat er ook andere verschillen in de opvolgende getuigenverklaringen zijn. De belangrijkste daarvan zijn: de kleuren van de auto's waarmee de aanvallers, waaronder de verdachte en zijn broer kwamen aanrijden, de beantwoording van de vraag aan wie één van de auto's waarmee de aanvallers zich naar het Adventistencomplex hadden verplaatst, toebehoorde en door wie deze was afgepakt alsmede de kleding die de verdachte droeg. Evenzo zijn er verschillen in verklaringen omtrent de precieze lotgevallen van anderen dan de verdachte, zoals slachtoffers en getuigen. Dit zijn naar het oordeel van het hof geen wezenlijke tegenstrijdigheden. Naar het oordeel van het hof kunnen deze (kleine) verschillen geen omstandigheid opleveren ten gevolge waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de verklaringen van deze getuigen (zonder meer) als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt en derhalve niet kunnen bijdragen tot het bewijs. Daarbij komt dat inconsistenties kunnen voortkomen uit de wijze van verhoor, het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige voor zijn of haar leven heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige traumatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien is uit diverse getuigenverklaringen gebleken dat de desbetreffende getuige(
  18. n)slechts een deel van de tenlastegelegde gebeurtenissen heeft/hebben kunnen waarnemen. Zicht op het totaalbeeld ontstaat eerst indien de verschillende verklaringen van de getuigen, op wezenlijke de tenlastelegging betreffende feitelijke gebeurtenissen, in onderlinge samenhang worden bezien en daarbij, zo nodig, ook ander tot het procesdossier behorend bewijs wordt betrokken. Ad d. Plausibiliteit Bij de beoordeling van de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde getuigenverklaring(
  19. en)past eveneens grote terughoudendheid, alleen al omdat die plausibiliteit, mede gelet op de bijzondere en extreme context waarin zich het tenlastegelegde feitencomplex zich heeft afgespeeld, niet altijd even eenvoudig valt vast te stellen. De gebeurtenissen tijdens de genocide in Rwanda in 1994 gaan immers veelal het normale voorstellingsvermogen te boven. Desalniettemin kunnen verklaringen daaromtrent wel degelijk overtuigend zijn. 9.5 Resumerend Als wettige bewijsmiddelen worden door het hof alleen erkend de in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering genoemde middelen en voorts zijn de bewijsminimumregels van de artikelen 341-344a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing zijn. De bewezenverklaring mag niet op verklaringen van slechts één getuige berusten. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de navolgende voor het bewijs geselecteerde getuigenverklaringen worden primair de verklaringen die deze getuigen in deze strafzaak bij de rechter-commissaris hebben afgelegd voor het bewijs zijn gebruikt. Deze verklaringen zijn immers afgelegd voor een (onafhankelijke) rechter, waarbij het onderzoek en de verhoren expliciet gericht waren op de schuld en onschuld van de verdachte en het openbaar ministerie en de verdediging in de gelegenheid zijn geweest de desbetreffende getuigen te ondervragen en de betrouwbaarheid van hun verklaring te toetsen. In ondersteunende zin zal het hof daarbij, naast ander bewijs, tevens de verklaringen die de getuigen elders hebben afgelegd betrekken, waarbij voor de verhoren bij de Nationale Recherche bovendien geldt dat zij expliciet gericht waren op de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Het zal die verklaringen en met name de consistentie daarvan eveneens betrekken bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze strafzaak afgelegde getuigenverklaringen. De beoordeling van de betrouwbaarheid - in objectieve zin - van de getuigenverklaringen zal plaatsvinden aan de hand van de eerdergenoemde toetsingscriteria. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en plausibiliteit van de getuigenverklaringen heeft het hof rekening gehouden met de bijzondere feiten en omstandigheden die de onderhavige strafzaak kenmerken. Tenslotte zal het hof voor het bewijs de (betrouwbaarheid van) getuigenverklaringen steeds bezien in onderling verband en samenhang met andere verklaringen en/of overig voor het bewijs gebezigde stukken van overtuiging. In dit verband sluit het hof aan bij de uitspraak van de ICTR Appeals Chamber in de zaak Kupreškic90, die als volgt overwoog: "[...] the Appeals Chamber emphasised the importance of assessing the credibility of a witness in light of the trial record as a whole. The Appeals Chamber has reiterated the importance of such a holistic approach to assessing credibility within its own jurisprudence: A tribunal of fact must never look at the evidence of each witness seperately, as if it existed in a hermetically sealed compartment; it is the accumulation of all evidence in the case which must be considered. The evidence of one witness, when considered by itself, may appear at first to be of poor quality, but it may gain strenght from other evidence in the case". 10. Beoordeling van dagvaarding I 10.1 Standpunt openbaar ministerie 10.1.1 Feit 1 (Ambulance): Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders op 13 april 1994 in Mugonero in Rwanda een aantal inzittenden van een ambulance, twee moeders, D. en B., en hun jonge kinderen met knuppels en machetes heeft doodgeslagen, nadat hij en/of zijn mededaders de ambulance had gedwongen naar de slagboom in Mugonero te rijden, waar de ambulance is tegengehouden en de inzittenden zijn gedood, een en ander zoals hem primair tenlaste is gelegd. Het openbaar ministerie heeft daaraan ten grondslag gelegd, zoals nader uitgewerkt in het requisitoir, de verklaringen van vijf getuigen, waaronder de chauffeur en een inzittende van de ambulance, die beiden het incident ternauwernood hebben overleefd, alsmede verklaringen van enkele andere getuigen, met name de getuigen J.M. en haar echtgenoot W.B. over de leidinggevende rol die de verdachte zou hebben gehad bij de slagboom in Mugonero. Het openbaar ministerie onderschrijft de door de rechtbank bewezenverklaarde feitelijkheden doch stelt zich op het standpunt dat de verdachte ten onrechte vrijgesproken is van het primair tenlastegelegde nu er in de visie van het openbaar ministerie sprake is van een oorlogsmisdrijf (artikel 8 WOS). Mocht dit niet bewezen kunnen worden verklaard dan heeft de verdachte zich (subsidiair) schuldig gemaakt aan aan foltering (artikel 1 en 2 UFV). 10.1.2 Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisten): Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders op 16 april 1994 in Mugonero in Rwanda de op het Adventistencomplex van Mugonero aanwezige ongewapende vluchtelingen heeft aangevallen, zwaar heeft verwond, heeft doodgeschoten, doodgeslagen en doodgehakt met vuurwapens, machetes, knuppels en granaten, een en ander zoals hem primair tenlaste is gelegd. Het openbaar ministerie heeft daartoe, zoals nader uitgewerkt in het requisitoir, aangevoerd dat er thans meer dan voldoende getuigen zijn waarop een bewezenverklaring voor dit feit kan worden gebaseerd. Dit betreffen Tutsi's en Hutu's, zowel vluchtelingen als aanvallers. De verdachte is door de getuigen bij het begin van de aanval gezien evenals bij aanvallen in de loop van de dag elders op het terrein. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de verdachte ten onrechte vrijgesproken is van het primair tenlastegelegde nu er in de visie van het openbaar ministerie sprake is van een oorlogsmisdrijf (artikel 8 WOS). Mocht dit niet bewezen kunnen worden verklaard dan heeft de verdachte zich (subsidiair) schuldig gemaakt aan aan foltering (artikel 1 en 2 UFV). 10.1.3 Feit 3 (Familie B.): Het openbaar ministerie heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - dat het hof wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders op 27 april 1994 in Mugonero in Rwanda de persoonlijke waardigheid heeft aangerand van J.M. en W.B. Voorts heeft hij deze personen en deze personen heeft bedreigd met geweld tegen het leven, in het bijzonder moord op J.M. en hun zoontje F. Het openbaar ministerie heeft daaraan ten grondslag gelegd, zoals nader uitgewerkt in het requisitoir, de verklaringen van een aantal getuigen, met name van de slachtoffers J.M. en haar partner W.B., over de leidinggevende rol die de verdachte heeft gehad bij de slagboom in Mugonero. Het openbaar ministerie onderschrijft de door de rechtbank bewezenverklaarde feitelijkheden doch stelt zich op het standpunt dat de verdachte ten onrechte vrijgesproken is van het primair tenlastegelegde nu er in de visie van het openbaar ministerie sprake is van een oorlogsmisdrijf (artikel 8 WOS). Mocht dit niet bewezen kunnen worden verklaard dan heeft de verdachte zich (subsidiair) schuldig gemaakt aan aan foltering (artikel 1 en 2 UFV). 10.2. Standpunten en verweren van de verdediging 10.2.1 Feit 1 (Ambulance): De verdediging heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van dit tenlastegelegde feit en daartoe, zoals nader uitgewerkt in de pleitnota, aangevoerd dat de verdachte in het geheel niet bij het incident met de ambulance aanwezig is geweest en voorts geen enkele bemoeienis of bevoegdheid had met de slagboom in Mugonero. 10.2.2 Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisten): De verdediging heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van dit tenlastegelegde feit en daartoe - zoals nader uitgewerkt in de pleitnota - aangevoerd dat de verdachte niet bij de aanval op het Adventistencomplex betrokken is geweest. 10.2.3 Feit 3 (Familie B.): De verdediging heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van dit tenlastegelegde feit en daartoe - zoals nader uitgewerkt in de pleitnota - aangevoerd dat de verdachte niet bij het incident met de familie B. betrokken is geweest. Ter onderbouwing heeft de verdediging met betrekking tot de afzonderlijke feiten 1 tot en met 3 zich voorts op het standpunt gesteld - kort gezegd - dat de door het openbaar ministerie voor het bewijs gepresenteerde getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn en niet voor enig bewijs kunnen worden gebruikt. Zij bevatten immers onderling grote en zeer belangrijke verschillen. Verder hebben de getuigen in hun verschillende verklaringen (door de jaren heen) op belangrijke onderdelen niet consistent verklaard. In het bijzonder heeft de verdediging gewezen op het niet voorkomen van de naam van de verdachte in eerder afgelegde verklaringen bij andere (internationale) gerechten. Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging bovendien aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van een betrouwbare identificatie van de verdachte door J.M. omdat zij voor 27 april 1994 geen persoonlijk contact met hem had. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat zo de tenlastegelegde feiten al kunnen worden bewezen, deze niet kunnen worden gekwalificeerd. Noch als misdrijf in de zin van de WOS, noch als foltering. 11. Door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. 11.1 Feit 1 (Ambulance) Plaats en tijd In Mugonero, waar de verdachte in 1994 woonde, stond in april 1994 een uit bomen opgebouwde slagboom (wegversperring) op de door het dorp langs de markt lopende weg van Cyangugu naar Kibuye, op/bij een brug over de rivier Kiboga, vlakbij de markt.91 Meteen aan de andere kant van de brug dan waar de markt is was de zogenaamde veemarkt .92 Op 13 april 199493 is J.N., chauffeur van de ambulance van het Centre de Santé in Kibingo, met een aantal inzittenden die wilden vluchten voor de moorden en plunderingen bij het Centre de Santé in die dagen, naar Mugonero gereden. Bij de slagboom bij de brug moest de ambulance stoppen en moesten de inzittenden uitstappen.94 De inzittenden van de ambulance Behalve de chauffeur J.N. zaten die dag in de ambulance onder meer: D., vrouw van G.M. en haar jonge kinderen, B., de vrouw van A.M. en haar kinderen, alsook de toen bijna twaalfjarige B.U. Behalve de chauffeur waren die inzittenden allen Tutsi.95 Het doden van de inzittenden Toen de ambulance bij de slagboom aankwam zei de verdachte tegen de chauffeur van de ambulance: "waar breng je deze kakkerlakken naar toe?" en "haal ze er uit".96 De inzittenden moesten van de verdachte uitstappen en de verdachte gaf opdracht aan Interahamwe om deze mensen te vermoorden.97 De inzittenden moesten in een rij gaan staan. Een Interahamwe sloeg D. met een knuppel op haar hoofd en daarna nog tweemaal totdat zij niet meer gilde. Andere Interahamwes maakten haar kinderen dood met machetes.98 Ook de kinderen van B. zijn gedood.99Daarna kregen een aantal burgers, waaronder Y.H. en D.N. opdracht de lichamen te begraven op de veemarkt. Dat hebben ze gedaan.100 11.2 Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisten): Plaats en tijd Op 16 april 1994 zijn tijdens een aanval door grote groepen Hutu's op het Adventistencomplex in de provincie (préfecture) Kibuye vele op het complex aanwezige Tutsi-vluchtelingen vermoord en mishandeld.101 Het Adventistencomplex102 ligt in de buurt van de commune Ngoma. De plaats Mugonero, waar de verdachte in 1994 woonde, ligt hemelsbreed minder dan tien kilometer verwijderd van het complex.103 Tutsi's uit met name de omgeving van Ngoma zagen zich in de dagen die volgden op de dood van de president geconfronteerd met Hutu's die hun huizen in brand staken, hun vee stalen of doodden en Tutsi's vermoordden.104 Een groot aantal Tutsi's zijn vervolgens op de vlucht geslagen en blijkens de uitspraak van de ICTR Trial Chamber in de zaak Muhimana hebben duizenden vluchtelingen vervolgens hun toevlucht genomen tot het Adventistencomplex in Mugonero. Kerken en ziekenhuizen waren toevluchtsoorden voor Tutsi's in tijden waarin spanningen tussen Hutu's en Tutsi's opliepen en werden door de vluchtelingen beschouwd als veilige havens.105 In de morgen van zaterdag 16 april 1994 is de aanval op het Adventistencomplex begonnen, die de hele dag duurde tot in de avond. In de ochtend arriveerde bij het Mugonero complex een konvooi van voertuigen waarin Muhimana, de conseiller van Ghishiyta, samen met andere aanvallers waaronder Clement Kayishema, Charles Sikubwabo, Obed Ruzindana, Elizaphan Ntakirutimana en Gérard Ntakirutimana en soldaten die in een voertuig werden getransporteerd.106 Onder de aanvallers bevonden zich ook burgers, Interahamwe, en gendarmes, alsmede militairen en de verdachte.107 De aanvallers hebben zich verzameld in de buurt van de zogeheten Association, daar hun voertuigen geparkeerd en het complex omsingeld.108 Vanaf de Association liepen de aanvallers vervolgens naar boven in de richting van de gebouwen van ESI (school), de kerk en het ziekenhuis. Aan het begin van de aanval hebben de Tutsi vluchtelingen geprobeerd zich te verdedigen met stenen.109Tijdens de aanval schreeuwden en zongen sommige aanvallers Tubatsembatsembe (laten we allemaal doden). 110 De verdachte was één van deze aanvallers. De aanvallers met vuurwapens hebben op de Tutsi vluchtelingen geschoten. De verdachte had ook een vuurwapen. Ook hij heeft op vluchtelingen geschoten bij het begin van de aanval.111 De vluchtelingen zijn vervolgens onder andere in de kerk en in het ziekenhuis gevlucht. In de uitspraak in de zaak Mikaeli Muhimana heeft het ICTR vastgesteld dat gedurende de aanval de kerk omsingeld was door Sikubwabo, Kanyabungu, Muhimana en andere aanvallers toen burgemeester Sikubwabo zich tot de vluchtelingen in de kerk wendde en de Hutu vrouwen die met een Tutsi man getrouwd waren het bevel gaf naar buiten te komen.112 Daarna zijn de vluchtelingen vervolgens ook aangevallen. De aanvallers gebruikten tijdens de aanval vuurwapens, hand- en traangasgranaten, machetes, speren en andere traditionele wapens.113 De aanvallers hebben op de vluchtelingen geschoten. Voorts werden er vluchtelingen met machetes neergehakt en met knuppels geslagen, werden er granaten in de gebouwen gegooid die tot ontploffing zijn gekomen en hebben de aanvallers traangas gebruikt. De verdachte is een van de aanvallers geweest die bij de kerk heeft geschoten.114 Bij de aanval op het complex, die de gehele dag tot in de avond duurde, zijn zeer veel Tutsi vluchtelingen gedood, waaronder Munonozi115 en Donat116, en zijn er velen (ernstig) gewond geraakt. 11.3 Feit 3 (Familie B.) Plaats en tijd Op 27 april 1994 wilden J.M., haar man W.B. (een Duitse arts) met hun in februari 1994 geboren zoontje F. vanuit Kibuye vluchten uit Rwanda.117 Aangekomen bij de wegversperring in Mugonero, die werd bewaakt door milities, werden zij tegengehouden.118 Toen J.M. niet in staat bleek te zijn haar identiteitskaart te tonen, werd hen de doorgang geweigerd en werden zij gedwongen naar de woning van M. te gaan alwaar zij moesten wachten tot "[voornaam verdachte]" zou beslissen of zij verder mochten reizen.119 In de daarop volgende uren werd onderhandeld over de vraag of het gezin, dan wel enkele leden daarvan, mochten doorreizen. In het kader daarvan werd contact opgenomen met autoriteiten zoals de préfect en de burgemeester van Gishyita en aan hen de vraag voorgelegd of deze Duitse man met zijn Tutsi vrouw (J.M. en hun kind doorgang moest worden verleend. 120Al die tijd moesten J.M., haar man W.B. en hun zoontje wachten bij de winkel van M. en werden zij door de verdachte en de daar aanwezige toeschouwers, waarvan er enkelen hun wapens toonden, ernstig beledigd, onterend en vernederend behandeld, in hun persoonlijke waardigheid aangetast en zodanig ernstig met de dood bedreigd dat zij voor hun leven en dat van hun zoontje hebben moeten vrezen.121 11.4 Betrokkenheid van de verdachte Op grond van bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden - ook in samenhang beschouwd - is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte in enkele weken tijd, in april 1994, anders dan hij heeft beweerd, betrokken is geweest bij elk van de tenlastegelegde feiten, zoals nader bewezenverklaard. Het hof merkt daarbij op dat tegenover de vele belastende getuigenverklaringen die het hof (mede) voor het bewijs van verdachtes betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten heeft gebezigd, de verdachte in hoger beroep geen enkele - voldoende onderbouwde - ontlastende verklaring (of alibi) heeft gesteld terwijl dit, gelet op zijn categorische ontkenning van die betrokkenheid, minstgenomen voor de hand zou hebben gelegen. 11.5 Medeplegen Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof voorts worden vastgesteld dat de verdachte de feiten telkens tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Volgens vaste (Nederlandse) jurisprudentie is daarvan - kort gezegd - sprake als de verschillende daders hebben gehandeld in een bewuste en nauwe samenwerking. Indien daarvan sprake is doet niet beslissend terzake welke feitelijke handelingen door de verdachte, dan wel door (één van) zijn mededaders zijn gepleegd. Ter ondersteuning van het bewijs, dat er tussen de (mede)daders sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking verwijst het hof allereerst naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de motieven van de daders die - kort gezegd - buiten iedere twijfel waren gelegen in de opzet om anderen, met name Tutsi's, te doden in het kader van het interne gewapende conflict. Uit de door het hof gebezigde (onderdelen van) getuigenverklaringen kan niet anders worden afgeleid dan dat zowel de verdachte als diens mededaders de dood of vernedering van de slachtoffers beoogden. Mede gelet op de, zoals uit de gehanteerde bewijsmiddelen blijkt, vooraanstaande of op cruciale momenten kennelijk beslissende rol van de verdachte, acht het hof - ook indien feitelijke geweldshandelingen niet door de verdachte zelf zijn gepleegd - bewezen dat de verdachte minstgenomen als medepleger van die handelingen moet worden aangemerkt. 12. De beoordeling van dagvaarding II 12.1 Dagvaarding II, feit 1, sub a (verkrachting en moord C.M.) De verdenking Aan de verdachte is - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd dat hij, samen met anderen op of nabij de heuvel Muyira in het gebied Bisesero op 13 mei 1994 een jonge vrouw, genaamd C.M. heeft vastgepakt, naar de grond geduwd en heeft toegevoegd de woorden: "Als je niet vertelt waar ze zijn zullen we jou vermoorden. Als je het wel vertelt zullen we je met rust laten" en (tegen zijn mededaders): "jullie mogen haar verkrachten; ik garandeer jullie veiligheid" waar na die mededaders haar hebben verkracht en de verdachte vervolgens een bajonet in haar vagina heeft gestoken en met een vuurwapen kogels heeft geschoten in haar rug, lichaam of hoofd, waardoor zij is overleden. De rechtbank heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken omdat -kort samengevat- de belastende verklaring van A.H. weliswaar op zichzelf betrouwbaar wordt geacht, maar daarvoor in het dossier niet voldoende steunbewijs is te vinden, terwijl de verdachte zijn betrokkenheid betwist, zodat er onvoldoende wettig bewijs is, gelet op het bepaalde in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt. Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging Het openbaar ministerie heeft zich tegen die vrijspraak verzet en er in hoger beroep (nogmaals) op gewezen dat de belastende verklaring van A.H. wordt ondersteund door verklaringen van een vijftal getuigen die - kort gezegd - allen hebben verklaard dat de verdachte op 13 mei 1994 op de heuvel Muyira in Bisesero is geweest. Dat ondersteunt niet alleen de belastende getuigenverklaring van A.H., maar bewijst de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van de verdachte, dat hij die dag daar niet is geweest; ook de leugenachtigheid van die verklaring draagt in zoverre bij aan het bewijs dat geen sprake is van toepasselijkheid van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, aldus het openbaar ministerie. De verdachte is in hoger beroep gebleven bij zijn verklaring dat hij op 13 mei 1994 niet (op de heuvel Muyira) in Bisesero is geweest. Zijn raadsman heeft er in hoger beroep nog op gewezen dat er zich in het dossier geen enkel bewijs bevindt - afgezien van de verklaring van de getuige A.H. - van het bestaan, laat staan de dood van C.M. Oordeel van het hof Het hof stelt voorop dat het ICTR in meerdere uitspraken heeft vastgesteld dat op 13 (en 14) mei 1994 op de Muyira-heuvel in Bisesero een grootschalige aanval heeft plaatsgevonden. Veel Tutsi's, die daar hun toevlucht hadden gezocht vanwege de vele gewelddadigheden die in die weken overal tegen hun werden gepleegd, zijn in die aanvallen vermoord door verschillende groepen aanvallers.122 In het dossier bevindt zich de verklaring van één getuige van hetgeen op 13 mei 1994 op de heuvel Muyira in Bisesero C.M zou zijn overkomen, te weten de verklaring van meergenoemde A.H. De andere door het openbaar ministerie genoemde getuigenverklaringen houden - kort gezegd - in dat de getuigen op 13 mei 1994 de verdachte hebben gezien in de heuvels van Bisesero; sommigen noemen daarbij de heuvel Muyira, terwijl sommigen voorts verklaren dat de verdachte de beschikking had over een vuurwapen met bajonet (zoals ook A.H. heeft verklaard). Aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de getuigen draagt op zichzelf bij dat de getuigen de verdachte voordien kenden en - voor zover valt na te gaan - er geen bijzonder belang bij hadden de verdachte ten onrechte te belasten. Geen van de getuigen (anders dan A.H.) kan echter - alles overziende - voldoende specifiek verklaren over plaats, tijdstip of handelingen van de verdachte die rechtstreeks in verband gebracht zouden kunnen worden met het beweerde slachtoffer C.M. of wat haar die dag zou zijn aangedaan. De getuigenverklaringen (anders dan die van A.H.), zijn, nu in die tijd op meerdere dagen kennelijk vele mannen gewapend in de heuvels van Bisesero zijn waargenomen en ook de heuvel Muyira een grondgebied van niet geringe omvang betreft, onvoldoende specifiek en staan in een te verwijderd verband van het tenlastgelegde om tot steunbewijs te dienen van de verklaring van A.H., dat het de verdachte is geweest die bij de beweerde verkrachting van en de moord op C.M. betrokken is geweest. Er is daardoor evenmin voldoende buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij die dag niet op de heuvel Muyira in Bisesero is geweest, kennelijk leugenachtig was, zodat daarin ook in zoverre geen wettig bewijsmiddel kan worden gezien. Dat brengt mee dat het hof - evenals de rechtbank - tot de slotsom komt dat artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering aan bewezenverklaring van dit feit in de weg staat nu het bewijs uitsluitend zou kunnen worden gebaseerd op de verklaring van de getuige A.H. Het hof zal derhalve de verdachte van dit feit vrijspreken vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs. 12.2 Dagvaarding II, feit 1, sub c (verkrachting van K.): De verdenking Aan de verdachte is - zakelijk weergegeven - tenlastegelegd dat hij, samen met anderen, op of omstreeks 14 april 1994 in het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, een vrouw genaamd K. heeft geslagen, vastgepakt en verkracht. De verdachte is in eerste aanleg voor dit hem onder dagvaarding II, feit 1, sub c tenlastegelegde vrijgesproken. Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging Het openbaar ministerie heeft zich tegen die vrijspraak verzet, maar heeft in hoger beroep desondanks gevorderd dat, op grond van het onderzoek in eerste aanleg, het onderzoek in hoger beroep en in het bijzonder gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad123, de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. De verdachte heeft in hoger beroep - evenals in eerste aanleg - ontkend dat hij dit feit heeft gepleegd. De raadsman heeft - op gronden als vermeld in zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen - evenals in eerste aanleg bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van dit feit. Hij heeft daartoe aangevoerd, kort gezegd, dat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is. Er is slechts één getuige, te weten S.N., die heeft verklaard over de verkrachting van K. door de verdachte. Deze getuigenverklaring is in de visie van de verdediging onbetrouwbaar en kan derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt. Verder heeft de verdediging in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, het bestaan van K. betwist en er op gewezen dat hiernaar door het openbaar ministerie geen onderzoek is gedaan. Tenslotte heeft de verdediging aangevoerd dat kamer 18 in het ziekenhuis op het Adventistencomplex, waar de verkrachting zou hebben plaatsgevonden, niet bestaat. Oordeel van het hof Het hof is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering aan een bewezenverklaring van dit feit in de weg staat. In het dossier bevinden zich de verdachte belastende verklaringen van de hierboven reeds genoemde getuige S.N. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dienen de verklaringen van deze getuige gelet op het in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde voldoende ondersteuning te vinden in het overige bewijsmateriaal. Het dossier bevat in dat kader een aantal verklaringen van getuigen die inhouden dat zij de verdachte op het Adventistencomplex hebben gezien in de dagen voorafgaande aan de aanval van 16 april 1994. Het hof acht deze verklaringen echter onvoldoende specifiek over plaats, tijdstip of handelingen van de verdachte die rechtstreeks in verband gebracht zouden kunnen worden met het beweerde slachtoffer K. of wat haar op 14 april 1994 zou zijn aangedaan, om ter ondersteuning van de verklaring van de getuige S.N. te kunnen dienen. Ook de verklaringen van de gedurende het onderzoek in hoger beroep gehoorde getuigen F.M. en J.K. kunnen naar het oordeel van het hof niet ter ondersteuning van de verklaring van S.N. dienen. Het hof overweegt daartoe dat de getuigen weliswaar verklaren over de verkrachting te hebben gehoord, maar K. heeft van de verkrachting gehoord van S.N. zelf en de getuige F.M. heeft verklaard dat zij niet meer goed weet wie haar over de verkrachting heeft verteld. Nu - ongeacht de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige S.N. - niet is voldaan aan het in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven bewijsminimum dient de verdachte derhalve bij gebreke van voldoende wettig bewijs van dit feit te worden vrijgesproken. 13. Bewezenverklaring Ten aanzien van de tenlastelegging met parketnummer 09/750009-06 (dagvaarding I) acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Feit 1 (Ambulance) hij op 13 april 1994 in Mugonero in Rwanda, tezamen en in vereniging met anderen (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, - terwijl die feiten (telkens) de dood van anderen tengevolge hebben gehad en - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en wederrechtelijk optreden tegen de bevolkingsgroep der Tutsi's, hierin bestaande dat hij, verdachte toen en (al)daar in strijd met - het internationaal gewoonterecht en/of - het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of - het bepaalde in (artikel 4 van) het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten als deelnemer aan en/of als burger in een niet-internationaal gewapend conflict (tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF)) op het grondgebied van Rwanda (opzettelijk) tezamen en in vereniging met anderen heeft gedood personen die (toen) niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen (te weten burgers), welk doden hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, - de inzittenden van een ambulance, waaronder D. (de vrouw van G.M.) en/of één of meer van haar kind(eren) en één of meer van de kind(eren) van B. (de vrouw van A.M.) in Mugonero opdracht heeft gegeven uit te stappen en - vervolgens voornoemde D. en/of voornoemde kinderen heeft geslagen en/of (neer)gehakt met (een) machete(
  20. s)en/of knuppel(
  21. s)tengevolge waarvan deze D. (de vrouw van G.M.) en één of meer van haar kinderen en één of meer van de kind(eren) van B. (de vrouw van A.M.) zijn overleden Feit 2 (Complex van de Zevendedagsadventisen) hij op 16 april 1994 in de provincie (prefectuur) Kibuye, in Rwanda, tezamen en in vereniging met anderen (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, - terwijl die feiten (telkens) de dood van (een) ander(
  22. en)tengevolge hebben gehad en - terwijl die feiten (telkens) geweldpleging met verenigde krachten tegen personen inhielden en - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en wederrechtelijk optreden tegen de bevolkingsgroep der Tutsi's, hierin bestaande dat hij, verdachte toen en (al)daar (telkens) in strijd met - het internationaal gewoonterecht en/of - het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of - het bepaalde in (artikel 4 van) het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten als deelnemer aan en/of als burger in een niet-internationaal gewapend conflict (tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF)) op het grondgebied van Rwanda (opzettelijk) tezamen en in vereniging met anderen (meermalen) een aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging heeft gepleegd tegen en heeft gedood personen die (toen) niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(
  23. en)(te weten burger(s)), welk(
  24. e)aanslag(
  25. en)op het leven en doden en lichamelijke geweldpleging hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders - met (een) vuurwapen(
  26. s)en/of (een) machete(
  27. s)en/of (een) knuppel(
  28. s)en/of (een) handgrana(a)t(
  29. en)en/of (een) ander(
  30. e)wapen(s), het complex van de Zevendedagsadventisten (waar zich veel personen (waaronder vrouwen en kinderen) (van (met name) de Tutsi bevolkingsgroep) bevonden) heeft aangevallen, en - met (een) vuurwapen(
  31. s)heeft geschoten op een of meer van deze perso(o)n(
  32. en)en - (een) handgrana(a)t(
  33. en)heeft gegooid (die vervolgens is/zijn ontploft) naar één of meer van deze perso(o)n(
  34. en)en - met (een) machete(
  35. s)en/of (een) knuppel(
  36. s)en/of ander(
  37. e)wapen(
  38. s)één of meer van deze perso(o)n(
  39. en)heeft geslagen en/of (neer) gehakt tengevolge waarvan een groot aantal personen is overleden en personen letsel hebben ondervonden Feit 3 (Familie B.) hij op 27 april 1994 in Mugonero in Rwanda, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden, - terwijl van die feiten (telkens) de dood of zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(
  40. en)te duchten was en - terwijl die feiten (telkens) een onmenselijke behandeling inhield(
  41. en)en - terwijl die feiten uiting waren van een politiek van stelselmatige terreur en wederrechtelijk optreden tegen de bevolkingsgroep der Tutsi's, hierin bestaande dat hij, verdachte toen en (al)daar (telkens) in strijd met - het internationaal gewoonterecht en/of - het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of - het bepaalde in (artikel 4 van) het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten als deelnemer aan en/of als burger in een niet-internationaal gewapend conflict (tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF)) op het grondgebied van Rwanda (opzettelijk) tezamen en in vereniging met anderen a +
  42. b)wreed (onmenselijk) heeft behandeld en de persoonlijke waardigheid heeft aangerand van en heeft vernederd en onterend heeft behandeld J.M en (haar man/partner) W.B., en J.M en W.B., bedreigd heeft met geweld gericht tegen het leven van en (in het bijzonder) moord op J.M en/of haar zoon F. zijnde personen die (toen) niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnamen, (te weten burgers), welke aanranding van de persoonlijke waardigheid en onmenselijke en vernederende en onterende behandeling en bedreiging met geweld tegen het leven gericht en moord hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, - J.M. en/of W.B en hun (pas enkele maanden oude) zoon F. (gedurende meerdere uren) bij een wegversperring/slagboom de doorgang heeft geweigerd en - J.M en/of W.B (in het bijzijn van hun zoon F. en/of (verschillende) andere personen) (ernstig) heeft beledigd en heeft vernederd door (onder meer) het tonen, althans zichtbaar aanwezig hebben, van wapens (machetes en/of knuppels en/of handgranaten en/of vuurwapens) en/of het gebruik van bewoordingen als: 'kakkerlak(ken)' en 'Kijk maar goed naar die Tutsi vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord' en 'wil je soms als een Tutsi worden behandeld?' en 'je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gyishita gedood wordt' en 'kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu power' althans woorden van gelijke aard en/of strekking (terwijl J.M. en/of haar zoon F. behoorden tot de Tutsi bevolkingsgroep en door anderen daar aanwezig werden beschouwd als behorende tot de Tutsi bevolkingsgroep) en - deze J.M. (aldus) in een situatie heeft gebracht waarin zij langdurig (meerdere uren) voor haar leven en/

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.