GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 25 mei 2011 Zaaknummer : 200.069.292 Rekestnr. rechtbank : 08-8412 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. E.M.H. Alkemade te ’s-Gravenhage, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. P.B. van Eck-Molenaar te Gouda. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 28 juni 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 4 september 2009 en 26 maart 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De vrouw heeft op 3 september 2010 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 16 juli 2010 een brief van 15 juli 2010 met bijlagen; - op 28 maart 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen. De zaak is op 8 april 2011 mondeling behandeld ten overstaan van mr. A.N. Labohm als raadsheercommissaris. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen. Bij beschikking van 4 september 2009 heeft de rechtbank het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden, het verzoek tot partneralimentatie van de man afgewezen en de zaak met betrekking tot het verzoek tot verdeling aangehouden opdat partijen stukken in het geding konden brengen. Bij beschikking van 26 maart 2010 heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt vastgesteld: aan de man worden toegedeeld (althans, voor zover het schulden betreft, wordt bepaald dat de man deze voor zijn rekening neemt): - de [auto]; - de inboedel die de man thans onder zich heeft, waaronder de door de man na het uiteengaan van partijen aangeschafte inboedel; - de Rabobankrekening op naam van de man ([rekeningnummer]); - de helft van de schuld bij de Postbank ([rekeningnummer]); - de helft van de schuld aan mevrouw [naam]; - de eventuele schuld aan het UWV; - de rekening-courant schuld bij [naam] B.V.; - de eenmanszaak [naam], onder vrijwaring van de vrouw van alle plichten die verband houden met de onderneming; - het stamrecht; - de aandelen [naam] B.V.; aan de vrouw worden toegedeeld (althans, voor zover het schulden betreft, wordt bepaald dat de vrouw deze voor haar rekening neemt): - het onroerend goed aan de [adres]; - de hypotheekschuld[naam], met ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid; - de schuld aan [naam] B.V., met ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid; - de inboedel uit voornoemd onroerend goed aan de [adres]; - de Postbankrekening op naam van de vrouw ([rekeningnummer]); - de helft van de schuld bij de Postbank ([rekeningnummer]); - de helft van de schuld aan mevrouw [naam]; - de schuld bij [naam]; - het onroerend goed gelegen in [plaats, land]; en is bepaald: - dat de man aan de vrouw ter zake van voornoemde verdeling in totaal een bedrag van € 37.944,54 dient te voldoen; - dat de vrouw de schuld aan [naam] B.V. ter grootte van een bedrag van € 150.246,- aan [naam] B.V. terugbetaalt; - dat de vrouw aan de man ter zake van voornoemde verdeling van de eventuele schuld aan het UWV de helft van het saldo van deze schuld per de peildatum dient te voldoen. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is op 30 december 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP Algemeen 1. De man verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover het de verdeling van de gemeenschap betreft en, opnieuw beschikkende voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: - het stamrecht aan de man verknocht is, buiten de gemeenschap valt en derhalve niet voor verdeling in aanmerking komt; - de schuld aan mevrouw [naam] voor rekening van de man komt; - met inachtneming daarvan de wijze van verdeling vast te stellen als in de beschikking van de rechtbank genoemd, echter onder de bepaling dat de vrouw aan de man ter zake van voornoemde verdeling in totaal een bedrag van € 29.938,46 dient te voldoen; en akte verzoekend van de (voorwaardelijke) vermeerdering van eis als volgt: te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat: - de vrouw gehouden is de man te vergoeden de helft van de rente die de man na 31 december 2008 betaald heeft op het debetsaldo van de gezamenlijke rekening van partijen bij de Postbank nummer [rekeningnummer]; - te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de conversie van de door haar staande het geregistreerd partnerschap bij de Stichting Pensioenfonds [naam] onder nummer [nummer] opgebouwde pensioenaanspraken. 2. De vrouw bestrijdt zijn beroep. 3. De man heeft zeven grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Ter zitting heeft hij zijn vijfde grief, inzake de geldlening van de vrouw bij de Stichting Voorzieningenfonds [naam], ingetrokken. Voorts zijn partijen ter zitting overeengekomen dat zij over en weer afzien van hun recht op pensioenverevening. Ontslagvergoeding/stamrecht 4. Een kerngeschil tussen partijen is of de rechten voortvloeiende uit de tussen de man en [naam] B.V. gesloten stamrechtovereenkomst aan de man zijn verknocht en op grond daarvan niet in de verdeling dienen te worden betrokken. 5. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het recht uit de hiervoor vermelde stamrechtovereenkomst aan de man verknocht is, is door de man onder meer het navolgende aangevoerd: • het dienstverband van de man met [werkgever] is per [datum] 2007 ontbonden met toekenning aan de man van een vergoeding van € 200.000,-; • de man heeft dit bedrag laten afstorten in de door hem opgerichte stamrecht B.V. [naam] B.V.; • de man heeft met [naam] B.V. een stamrechtovereenkomst gesloten; • de stamrechtovereenkomst verplicht [naam] B.V. om uiterlijk aan de man per 11 november 2016 periodieke uitkeringen te doen, welke eindigen bij diens overlijden; • de ontslagvergoeding heeft betrekking op inkomstenderving; • de man moet op korte termijn aanspraak op de uitkering gaan maken jegens [naam] B.V. aangezien hij onvoldoende inkomsten kan verwerven. 6. De vrouw is van mening dat het recht uit hoofde van de stamrechtovereenkomst die de man heeft jegens [naam] B.V. niet aan de man verknocht is. Zij voert daartoe onder meer aan: • de verknochtheidsvraag kan door latere rechtshandelingen beïnvloed worden; • er sprake is van een ontslagvergoeding van € 200.000,- die de man heeft ontvangen van zijn werkgever; • de ontslagvergoeding is gestort op de daartoe opgerichte stamrecht B.V. [naam] B.V.; • [naam] B.V. nimmer tot een uitkering is overgegaan; • uit het feit dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan en de hoogte nog niet vaststaat, blijkt dat de vergoeding in casu niet wordt gebruikt ter vervanging van inkomen dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten; • doordat de ontslagvergoeding niet is omgezet in een uitkering ter vervanging van inkomen dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zal genieten, is de vergoeding niet aan te merken voor schade die zal ontstaan na echtscheiding. 7. Het hof overweegt als volgt. 8. Uit de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage sector kanton van 27 april 2007 volgt: “Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per [datum] 2007: kent aan verwerende partij ten laste van verzoekende partij een vergoeding toe van € 200.000,00 (zegge tweehonderdduizend euro) bruto en veroordeelt verzoekende partij tot betaling van dit bedrag.” 9. In de brief van [werkgever] van 14 mei 2007 gericht aan de man is vermeld: “De uitkering kunt u indien u dit wenst zelf omzetten in een lijfrente-constructie.” 10. Door de man is op 21 augustus 2007 [naam] B.V. opgericht. Het doel van deze vennootschap was: ”het beheren en uitvoeren van pensioenregelingen, het afsluiten van levensverzekeringen, waaronder begrepen stamrecht- en lijfrente overeenkomsten;” 11. Door de man en [naam] B.V. is op 21 augustus 2007 een stamrechtovereenkomst gesloten onder meer inhoudende: “De BV verbindt zich bij dezen tot het doen van periodieke uitkeringen aan achtereenvolgens:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.