← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2470

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer : 105.005.627/01 Rolnummer (oud) : 06/1415 Rolnummer rechtbank : 01-2208 arrest d.d. 5 juli 2011 inzake [appellant], wonende te [adres], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. J.H. Pelle te `s-Gravenhage, tegen

  1. [geïntimeerde 1], wonende te [adres], hierna te noemen: [geïntimeerde 1]
  2. [geïntimeerde 2], wonende te [adres]
  3. [geïntimeerde 3], wonende te [adres],
  4. [geïntimeerde 4], wonende te [adres], hierna tezamen ook te noemen: de geïntimeerden, advocaat: mr. R.H. Dormeier te Leiden, Het verdere verloop van het geding Op 12 mei 2009 heeft het hof een tussenarrest gewezen, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De in het tussenarrest bevolen comparitie van partijen is op 8 oktober 2009 gehouden waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. [geïntimeerde 1] heeft op 24 november 2009 een akte na comparitie zijdens geïntimeerden genomen en daarbij drie producties in het geding gebracht. [appellant] heeft op 19 januari 2010 gereageerd bij antwoordakte. Op 20 april 2010 heeft mr.R.H. Dormeier zich als procesvertegenwoordiger gesteld voor geïntimeerden sub 2 –
  5. Geïntimeerden hebben bij die gelegenheid een aanvullende akte na comparitie genomen. Op 1 juni 2010 heeft [appellant] bij antwoordakte gereageerd. [appellant] heeft vervolgens arrest gevraagd en zijn procesdossier aan het hof overgelegd. De verdere beoordeling van het hoger beroep 1.Als niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat [geïntimeerde 1] en vader [naam] in de jaren 1996 tot en met 1998 voor gezamenlijke rekening in het bedrijf hebben samengewerkt. De door de accountant van [geïntimeerde 1] aan het hof toegestuurde cijfers over 1997 en 1998 (productie 2 bij genoemde akte van 24 november 2009) tonen aan dat [geïntimeerde 1] in de jaren 1997 en 1998 voor fl. [bedrag A] respectievelijk fl. [bedrag B],- in het resultaat van het bedrijf heeft gedeeld. Het hof concludeert op grond van die cijfers dat – naar de stand van 1998 – sprake is van een levensvatbaar bedrijf met een lonende exploitatie voor vader [naam] en voor [geïntimeerde 1]. Het hof acht niet van belang dat in 1998 sprake was van een kleinschalig agrarisch bedrijf bestaande uit het inscharen van vee en het fokken van kalveren tot mestkoeien. Voor die wijze van bedrijfsvoering, met een bescheiden maar nog wel juist lonend bedrijfsresultaat, was al vóór het overlijden van vader [naam] gekozen. 2.Door [appellant] wordt niet weersproken dat [geïntimeerde 1] gedurende 25 jaar tegen een zeer lage vergoeding in het bedrijf heeft gewerkt en dat [geïntimeerde 1] overeenkomstig de wens van zijn vader voor eigen rekening het bedrijf heeft voortgezet en in stand gehouden. Als onweersproken staat ook vast dat [geïntimeerde 1] met het bedrijf nog net in zijn levensonderhoud kan voorzien.
  6. Het hof is van oordeel dat waardering van de onroerende zaken op verkoopwaarde aan voortzetting van het bedrijf in de weg staat. Het belang van [geïntimeerde 1] om met de exploitatie van het bedrijf in zijn levensonderhoud te voorzien weegt zwaarder dan het belang van de overige deelgenoten bij een zo hoog mogelijke waardering. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval de landbouwwaarde als waarde dient te worden gehanteerd, ook voor de bepaling van de omvang van de legitimaire massa. De grieven I, II en III falen derhalve.
  7. De grieven IV, V en VI zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat in dit geval onder landbouwwaarde moet worden verstaan een waarde waarbij een redelijke kans bestaat op een nog net lonende exploitatie door [geïntimeerde 1]. Volgens [appellant] volgt de rechtbank in dit geval ten onrechte de maatstaf die in de rechtspraak wordt gehanteerd voor waardering bij voortzetting van agrarische bedrijven. Volgens [appellant] is in dit geval geen sprake van een levensvatbaar bedrijf.
  8. Het hof is van oordeel dat in dat kader rekening gehouden dient te worden met de volgende omstandigheden: - vader [naam] beoogde tijdens zijn leven al de opvolging door [geïntimeerde 1]. - [geïntimeerde 1] werkte al vele jaren met zijn vader in het bedrijf samen. - De onderneming was voor [geïntimeerde 1] de enige bron van inkomsten en [geïntimeerde 1] is nog steeds voor zijn levensonderhoud op voortzetting aangewezen. Naar het oordeel van het hof is er vóór 1998 een recht van [geïntimeerde 1] ontstaan om in het bedrijf op te volgen. Dit recht van opvolging dient in het kader van de verdeling te worden betrokken bij de waardering. Anders dan [appellant] stelt zijn de criteria van de Pachtwet voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf hier niet van toepassing. De grieven IV, V en VI falen derhalve.
  9. Grief VII betreft de verdeling van de kosten van de deskundigen. De rechtbank heeft bepaald dat de proceskosten worden gecompenseerd aldus dat ieder de eigen proceskosten draagt. De rechtbank heeft de kosten van de deskundigen dienovereenkomstig over partijen verdeeld. Dit is in overeenstemming met de wettelijke regeling. Grief VII faalt.
  10. Grief VIII faalt ook. Nu een schriftelijke opgave van de actuele stand van de banksaldi niet is overgelegd, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de door de rechtbank aangewezen notaris de actuele banksaldi zal moeten opvragen.
  11. De conclusie is dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Beslissing Het hof: bekrachtigt de bestreden vonnissen van 3 september 2003, 31 maart 2004 en 26 juli 2006 door de rechtbank `s-Gravenhage tussen partijen gewezen; veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden bepaald op € 300,- aan verschotten en € 4.894,- aan salaris van de advocaat; wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de kostenveroordeling. Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Kamminga en Van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2011 in aanwezigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.