Gerechtshof ’s-Gravenhage Sector Civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.084.077/01 zaak/rolnummer Rechtbank Dordrecht, Sector kanton, Locatie Dordrecht: 259550 CV EXPL 10-6327 arrest d.d. 24 mei 2011 inzake ICT WATERPROOF B.V., statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Bosch en Duin (gemeente Zeist), appellante, advocaat: mr. O.R. Siemelink te Utrecht, tegen: PROVIDE CONSULTANCY B.V., statutair gevestigd te Maarssen en kantoorhoudende te De Meern (gemeente Utrecht), geïntimeerde, advocaat: mr. E. Brouwer te Maarssen. Het geding Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 16 december
- Appellante heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen. Appellante heeft de zaak aangebracht. Voor appellante heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen. De zaak is op 22 maart 2011 aangehouden tot de rol van 26 april 2011 voor: Afwachten griffierecht partijen. Appellante heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald. In verband met het achterwege blijven van een tijdige betaling van het griffierecht heeft het hof op 26 april 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier De motivering van de beslissing
- De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 22 maart
- Volgens art. 3 lid 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellante ervoor zorgen dat binnen vier weken na 22 maart 2011, dus uiterlijk 19 april 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof.
- Op 28 april 2011 om 10.59 uur heeft mr. O.R. Siemelink een fax naar de civiele griffie gestuurd. Uit de bijlagen van deze fax blijkt dat een nota d.d. 28 maart 2011 is ontvangen waarin staat vermeld dat de betaling uiterlijk op 19 april 2011 bijgeschreven moet zijn op het rekeningnummer van het hof. De betaling van het verschuldigde griffierecht is voldaan op 20 april
- Dat is één dag te laat. Appellante heeft dus niet tijdig betaald.
- Van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127 lid 2 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, is niet gebleken. Nu appellant niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellante worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De beslissing Het hof: - ontslaat geïntimeerde van deze instantie, - veroordeelt appellante in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 1.769,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2011.