olnummer: 22-003976-10 Parketnummer: 10-612853-06 Datum uitspraak: 24 augustus 2011 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de gerechtshof Rotterdam van 27 februari 2008 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1972, [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 december 2010 en 10 augustus 2011. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2010 - ten laste gelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 16 februari 2006 te Schiedam meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 293 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; 2. hij op 16 februari 2006 te Schiedam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 293 hennepplanten gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 3. hij in of omstreeks de periode van 11 april 2005 tot en met 16 februari 2006 te Schiedam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden electrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak. Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Vrijspraak De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 december 2010 en d.d. 10 augustus 2011 -overeenkomstig zijn d.d. 3 december 2010 overgelegde pleitaantekeningen- betoogd dat het binnentreden in de woning van de verdachte onrechtmatig is geschied. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim ex. artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op waardoor het tengevolge daarvan verkregen bewijsmateriaal dient te worden uitgesloten van het bewijs. Dit leidt tot vrijspraak van de verdachte van het tenlastegelegde. Ter adstructie van zijn betoog heeft de raadsman -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat: - op het moment van binnentreden in de woning van de verdachte er geen redelijk vermoeden was dat daar een overtreding van artikel 9 van de Opiumwet plaatsvond; - is gehandeld in strijd met artikel 7 van de Algemene Wet op het binnentreden nu de machtiging tot binnentreden ontbreekt en derhalve niet kan worden vastgesteld dat in de machtiging uitdrukkelijk is bepaald dat ook bij afwezigheid van de bewoner mag worden binnengetreden. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Blijkens het proces-verbaal relaas van onderzoek d.d. 29 maart 2006 zijn de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] naar de woning aan [adres] te Schiedam gegaan omdat er bij de verhuurder van het pand, [naam] te Schiedam, diverse meldingen waren gedaan van stankoverlast. In de woning zou zich vermoedelijk een hennepkwekerij bevinden. Tevens was de stankoverlast waargenomen door een medewerker van [naam] zelf. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat op grond van de binnengekomen concrete en gedetailleerde informatie een redelijk vermoeden kon ontstaan dat in de woning aan [adres] te Schiedam een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd. Op grond van het bepaalde in artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet had de politie dan ook toegang tot bedoelde woning. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden kan bij afwezigheid van de bewoner slechts in een woning worden binnengetreden indien dit dringend noodzakelijk is en - indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden - de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. De machtiging tot binnentreden bevindt zich niet bij de stukken van het strafdossier. Het hof stelt voorop dat gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad de machtiging niet in het dossier hoeft te zitten. Blijkens het verslag binnentreden woning d.d. 16 februari 2006, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], is op grond van een machtiging van de hulpofficier van justitie op grond van artikel 9 van de Opiumwet op 16 februari 2006 binnengetreden in de woning gelegen aan [adres] te Schiedam bij afwezigheid van de bewoner en zonder diens toestemming. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2011, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1], blijkt dat de machtiging die op 16 februari 2006 is afgegeven voor het pand aan [adres] te Schiedam is uitgeschreven om zonder toestemming van de bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.