GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-10/00236 Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 21 september 2011 in het geding tussen: [X] te [Z], hierna: belanghebbende, en de voorzitter van het managementteam Belastingdienst/ Rijnmond, hierna: de Inspecteur, op het hoger beroep van belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 maart 2010, nummer AWB 09/4004 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aan belanghebbende opgelegde aanslag. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.038. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.673. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 111. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 augustus 2011, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 7 juni 2011, op het adres [a-straat 1] te [Z], onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens bij TNT Post ingewonnen informatie, die in het dossier is gevoegd, is de vorenbedoelde brief op 8 juni 2011 aan het voormelde adres uitgereikt. Van belanghebbende is geen bericht van verhindering of verzoek om uitstel van de zitting ontvangen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende is eigenaar en bewoner van de woning [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). 3.2. Belanghebbende heeft in het jaar 1998 zijn hypotheekschuld verhoogd met een bedrag van € 23.143 tot een bedrag van € 74.191 in verband met een verbouwing van zijn woning. Vervolgens heeft belanghebbende zijn hypotheekschuld in 2005 verhoogd naar € 96.000. 3.3. Belanghebbende heeft op 11 oktober 2005 een nieuwe hypothecaire lening afgesloten van in totaal € 96.000. Met deze hypothecaire lening is een hypotheekschuld van € 85.555,98 afgelost en een bedrag van € 8.218 is aangewend voor de aflossing van consumptieve kredieten bij [A], [B], [C] en [D]. 3.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.917. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 8.610 aan hypotheekrente als aftrekbare kosten eigen woning in aanmerking genomen en een bedrag van € 96.000 aangegeven als rentedragende schuld van eigen woning (hierna ook: de eigenwoningschuld). 3.5. De Inspecteur heeft na bezwaar een bedrag van € 74.191 aangemerkt als eigenwoning-schuld en de aftrekbare hypotheekrente en -kosten vastgesteld op € 4.470. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 27.673. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil de vraag of het bedrag van € 21.809 waarmee de hypotheekschuld in het jaar 2005 is verhoogd aangemerkt moet worden als eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a, derde lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en of de daaraan toe te rekenen hypotheekrente van € 4.140 aftrekbare kosten van de eigen woning zijn in de zin van artikel 3.120, eerste lid Wet IB 2001. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend. 4.2. Belanghebbende stelt zich op de volgende standpunten: - het recht van hypotheek is gevestigd op een onroerende goed die zijn eigendom is. Dientengevolge dient de hypotheekschuld aangemerkt te worden als eigenwoningschuld en is de daaraan toe te rekenen rente aftrekbaar; - een deel van de verhoging is aangewend voor de aflossing van de reeds bestaande hypotheekschuld inclusief boeterente terwijl het meerdere ,nadat het in eerste instantie is aangewend voor de aflossing van consumptieve kredieten, is bijgeleend en besteed aan de verbetering van de woning. De verhoging moet daarom worden aangemerkt als eigenwoningschuld; - belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat andere belastingplichtigen die het bedrag van een hypotheeklening in een later jaar dan het jaar van het verkrijgen van de lening besteden aan de eigen woning wel direct in het jaar van verkrijging van de lening de rente en kosten in aanmerking kunnen nemen. 4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de bestreden aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.917. 5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank 6. De rechtbank heeft als volgt overwogen, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder wordt aangeduid. “ 2.1 Uit artikel 3.119a, derde lid, van de Wet IB 2001 volgt - voorzover hier van belang - dat de eigenwoningschuld wordt verhoogd met het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning. Ingevolge artikel 3.120, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijk bedrag van: - voorzover hier van belang - de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld. Volgens artikel 3.123 van de Wet IB 2001 worden kosten voor verbetering of onderhoud van de woning in aanmerking genomen voorzover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven. 2.2 De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ten aanzien van de hoogte van de eigenwoningschuld en de aftrek van hypotheekrente –en kosten in beginsel op de belastingplichtige rust. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verhoging van de hypotheekschuld in 2005 met een bedrag van € 21.809 is aangewend voor verbetering of onderhoud van de woning van eiser. Eiser heeft van de in 1.14 genoemde kosten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.