GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector civiel Zaaknummer : 200.023.772/01 Rolnummer rechtbank : 569531 \ CV EXPL 06-1927 Arrest d.d. 15 november 2011 inzake [appellante] gevestigd te Dordrecht, appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. A.Th.J.M. de Vocht te Bergeijk, tegen [geïntimeerde] wonende te Leiden, geïntimeerde, hierna te noemen: [geïntimeerde], advocaat: mr. E.J.C. van Hartingsveldt te Leiden. Het geding Bij exploot van 22 januari 2009, hersteld op 29 januari 2009 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden (verder: de kantonrechter) in conventie en reconventie tussen partijen gewezen vonnis van 4 juli 2007 (verder: het bestreden tussenvonnis) en van het in dezelfde zaak gewezen vonnis van 17 december 2008 (verder: het bestreden eindvonnis). Bij memorie van grieven tevens akte wijziging van eis (met producties) heeft [appellante] acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. [appellante] heeft op 25 januari 2011 een akte genomen en daarbij de stukken betrekking hebbende op de verzoekschriftprocedure met nummer 200.042.534/01 in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft vervolgens een akte na deskundigenbericht genomen. Op 9 augustus 2011 hebben partijen schriftelijk gepleit. Daarna hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. In het door [geïntimeerde] overgelegde dossier ontbreken de producties bij inleidende dagvaarding. Op 20 augustus 2011 is [geïntimeerde] overleden. Mr. Hartingsveldt heeft bij akte van 20 september 2011 aan het hof laten weten, dat hij wenst dat de procedure zal worden voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij (art. 225 Rv). Vervolgens heeft [appellante] bij akte van 27 september 2011 aan het hof doen weten dat hij evenmin wenst dat het geding zal worden geschorst, waarna arrest is bepaald op 15 november 2011. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.1 [geïntimeerde] is eigenaar van een pand gelegen aan de [adres]. [geïntimeerde] heeft de begane grond van het pand verhuurd als bedrijfsruimte (verder: de bedrijfsruimte). De daarboven gelegen drie verdiepingen worden door [geïntimeerde] als woonruimte (kamerverhuur) verhuurd. 2.2 [appellante] huurt vanaf 15 augustus 2001 de bedrijfsruimte. Deze bedrijfsruimte is blijkens de schriftelijke huurovereenkomst bestemd om te worden gebruikt als cafébedrijf. In de huurovereenkomst is bepaald dat [appellante] een borgsom verschuldigd is van hfl 9.000,--, welk bedrag desgewenst mag worden verstrekt in de vorm van een bankgarantie. De huur is aangegaan voor een periode van vijf jaar, met een optie voor vijf jaar en wordt daarna – behoudens opzegging – telkens voor een periode van vijf jaar voortgezet. De huurprijs dient per maand, bij vooruitbetaling te worden voldaan. Deze bedroeg in maart 2006 € 1.520,-- per maand. In de huurovereenkomst is voorts het volgende bepaald: "Artikel 8 (…) 5. Huurder staat er jegens verhuurder voor in, dat in het gehuurde geen handel in verdovende middelen zal plaatsvinden en dat er geen middelen als bedoeld in artikel 2 Opiumwet of stoffen die alleen op recept van een arts mogen worden afgegeven zullen worden afgegeven, zullen worden gebruikt, bereid, bewerkt, verkocht, (…) dan wel aanwezig zijn en dat geen gelegenheid zal worden gegeven tot het bedrijven van enig kansspel (uitgezonderd speelautomaten waarvoor van overheidswege vergunning is afgegeven). Huurder is ermee bekend dat de verhuurder zonder deze bepaling de onderhavige overeenkomst niet zou zijn aangegaan en komt overeen dat een handelen in strijd met vorenstaande aan de verhuurder het recht geeft de huurovereenkomst tussentijds te doen ontbinden. Artikel 9 1. Huurder mag het gehuurde geheel aan derden in onderhuur afstaan. 2. Het is huurder uitsluitend na schriftelijke toestemming van de verhuurder toegestaan tijdens de looptijd van deze overeenkomst een andere huurder voor zich of in de plaats te stellen. 3. Huurder dient de in deze overeenkomst opgenomen bepalingen (…) zonder enige beperking (…) aan de onderhuurder voor te schrijven en zijn beiden steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. Artikel 10 1. Huurder mag in, aan of op het gehuurde niets aanbrengen, veranderen of wegbreken, ook niet aan de daartoe behorende leidingen of lozingen, dan met voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder. De huurder is ervoor aansprakelijk, dat bij de uitvoering van de werkzaamheden voldaan wordt aan terzake van overheidswege gestelde of te stellen eisen alsmede dat eventuele benodigde vergunningen zijn verkregen. (…) Artikel 13 1. Alle binnenonderhoud dat verband houdt met het dagelijks gebruik(…)is voor rekening van de huurder en dient vakkundig te worden verricht. Voor rekening van verhuurder komen in ieder geval het onderhoud buiten. Verhuurder zal er eveneens voor zorg dragen dat het gehuurde steeds voldoet aan de door de overheid te stellen eisen waaronder in ieder geval begrepen veiligheid-, geluidshinder- en brandpreventievoorschriften, welke voor het gebruik als cafébedrijf noodzakelijk zijn. 2. (…) 3. Het zogenaamde groot onderhoud mag uitsluitend door of vanwege verhuurder worden verricht. De kosten verbonden aan het groot onderhoud, komen voor rekening van de verhuurder." 2.3 [appellante] heeft ingaande 1 april 2002 de bedrijfsruimte onderverhuurd aan ene [onderhuurder 1] (verder: [onderhuurder 1]). [onderhuurder 1] heeft de bedrijfsruimte zonder toestemming van [appellante] in gebruik gegeven aan derden. De onderhuurovereenkomst tussen [appellante] en [onderhuurder 1] is bij vonnis van 17 december 2003 ontbonden, waarna op 8 januari 2004 ontruiming heeft plaatsgevonden. 2.4 De bedrijfsruimte bleek na ontruiming ernstig beschadigd door bovengenoemde derde. 2.5 De brandweer van de gemeente Leiden heeft in maart 2004 een inspectie in het gehuurde uitgevoerd en daarover op 13 april 2004 gerapporteerd. In dit rapport staat onder meer dat het plafond tussen het gehuurde en de daarboven gelegen woonruimte niet ten minste 60 minuten brandwerend is. 2.6 [geïntimeerde] heeft in november 2004 op zijn kosten een nieuw brandwerend plafond aangebracht in het gehuurde, hoewel hij van mening was dat de herstelkosten eigenlijk voor rekening en risico van [appellante] zouden moeten komen, omdat deze het gevolg waren van vernielingen door de onderhuurder van [appellante]. 2.7 [appellante] heeft daarna het verhuurde verder laten opknappen/renoveren. Rond april 2005 is het café weer opengegaan. 2.8 Vanaf 1 maart 2006 heeft [onderhuurder 2] het café in onderhuur. 2.9 Naar aanleiding van een en ander heeft [appellante] [geïntimeerde] in rechte aangesproken. Zij wenste schadevergoeding, stellende dat zij het gehuurde door toedoen van [geïntimeerde] gedurende 10 maanden niet heeft kunnen gebruiken. Voorts vorderde [appellante] huurprijsvermindering en terugbetaling van de huurpenningen over de periode 1 februari 2004 t/m 30 november 2004 ten bedrage van € 14.675,--. 2.10 Bij vonnis van 9 november 2005 (zaak-/rolnummer: 482461 / 05.1393) heeft de kantonrechter bepaald dat [appellante] recht heeft op een evenredige vermindering van de huurprijs van 20% gedurende de periode 1 februari 2004 tot en met 30 november 2004, resulterend in een door [geïntimeerde] aan [appellante] terug te betalen bedrag van € 2.121,32, vermeerderd met rente. De vordering tot schadevergoeding is afgewezen. 2.11 [appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Deze procedure is bij dit hof bekend onder rolnummer oud 06-264, zaaknummer 105.004.476. 2.12 In maart 2006 heeft [geïntimeerde] [appellante] gedagvaard in de onderhavige procedure. [geïntimeerde] vorderde – kort en zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – de ontbinding van de huurovereenkomst wegens toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [appellante], ontruiming van het gehuurde, [appellante] te verbieden het gehuurde opnieuw in gebruik te nemen op straffe van een dwangsom, betaling van een bedrag van € 9.031,57 aan achterstallige huur vermeerderd met rente, betaling van een bedrag van € 1.520,-- per maand vermeerderd overeenkomstig de indexeringsclausule in de huurovereenkomst voor iedere maand dat [appellante] na 1 maart 2006 het gehuurde op grond van de huurovereenkomst in gebruik zal houden, alsmede een bedrag van € 1.520,-- per maand vermeerderd overeenkomstig de indexeringsclausule in de huurovereenkomst ingaande de datum van ontbinding tot 15 augustus 2011 wegens schadevergoeding in verband met de vroegtijdige ontbinding, proceskosten en buitengerechtelijke kosten. 2.11 In reconventie vorderde [appellante] – kort en zakelijk weergegeven en na meerdere wijzigingen van eis – de machtiging om de heer [onderhuurder 2] in haar plaats te stellen als huurder, de machtiging om de lekkages op de bovenverdieping zelf te herstellen en de daarvoor gemaakte kosten in mindering te brengen op de huurprijs, alsmede betaling van € 1.920,-- en € 960,-- excl. BTW, vermeerderd met rente in verband met kosten deskundigenrapport ter zake van de lekkages, de hele althans gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst voor zover zij nog enig bedrag aan huur aan [appellante] verschuldigd zou zijn, dan wel de vermindering van de huurprijs op de voet van artikel 7:207 BW, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. 2.12 Bij brief van 17 maart 2006 heeft [onderhuurder 2] bij [appellante] geklaagd over wateroverlast als gevolg van lekkage ter plaatse van de plafonds. Bij brief van 29 maart 2006 van zijn advocaat heeft [appellante] [geïntimeerde] gewezen op die lekkages en hem verzocht het gebrek onmiddellijk te repareren. 2.13 Tijdens een in april 2006 in de zaak met zaaknummer 105.004.476 (zie hiervoor 2.9) voor dit hof gehouden comparitie van partijen, hebben partijen een vaststellings¬overeenkomst gesloten, waarmee zij al hun geschillen wensten te regelen. In artikel 8 van deze overeenkomst is bepaald, dat deze afspraken vervallen "wanneer de in de plaatsstelling van [onderhuurder 2] als huurder niet uiterlijk 1 juli 2006 tot stand is gekomen". Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Partijen hebben doorgeprocedeerd bij het hof in de zaak met rolnummer 105.004.476 en de onderhavige zaak bij de rechtbank. 2.14 [appellante] heeft PRC B.V. verzocht onderzoek te doen naar de oorzaak van de lekkages in het gehuurde. In zijn rapport van 6 juli 2006 heeft ing. J.C. Kok van PRC B.V. (verder: Kok) geoordeeld dat (alle drie) de lekkages een gevolg zijn van een gebrekkig onderhoud. [appellante] heeft dit rapport ter kennis van [geïntimeerde] gebracht. 2.15 Op 28 augustus 2006 heeft Kok een vervolginspectie uitgevoerd. Bij brief van 29 augustus 2006 heeft Kok aan de advocaat van [appellante] bericht dat weliswaar herstelwerkzaamheden zijn verricht, maar dat deze niet zijn te beschouwen als duurzaam herstel. 2.16 Bij het thans bestreden tussenvonnis van 4 juli 2007 heeft de kantonrechter overwogen dat het aan het hof is om te oordelen over het verweer van [appellante] dat [geïntimeerde] geen beroep toekomt op de ontbindende voorwaarde in de vaststellingsovereenkomst, omdat hij deze zelf heeft bewerkstelligd. De kantonrechter heeft de zaak daarom verwezen naar de parkeerrol, met de bepaling dat partijen de zaak weer op de rol kunnen laten plaatsen zodra het hof arrest heeft gewezen. 2.17 In juli 2007 heeft [appellante] een bedrag van € 9.031,57 aan [geïntimeerde] voldaan. 2.18 Bij arrest van 21 augustus 2008 (zaaknummer 105.004.476) heeft dit hof – voor zover thans van belang – de hiervoor onder 2.10 bedoelde uitspraak bekrachtigd. Het hof overwoog ten gronde uitspraak te doen, omdat beide partijen hebben aangegeven weinig heil meer te zien in de ter comparitie gesloten vaststellingsovereenkomst. 2.19 Bij het thans bestreden eindvonnis van 17 december 2008 heeft de kantonrechter in conventie de in geding zijnde huurovereenkomst ontbonden, [appellante] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, [appellante] – op straffe van een dwangsom – verboden het gehuurde na ontruiming weer in gebruik te nemen, [appellante] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 9.031,57, vermeerderd met contractuele rente en van een bedrag van € 1.520,-- per maand vermeerderd overeenkomstig de indexclausule in de huurovereenkomst vanaf 1 maart 2006 zolang de overeenkomst voortduurt tot uiterlijk 15 augustus 2011 en verminderd met hetgeen intussen is betaald of verhaald. De vorderingen in reconventie heeft de rechtbank afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van zowel de conventie als de reconventie. De kantonrechter overwoog daartoe onder meer dat hij het arrest van 21 augustus 2008 zodanig leest, dat de vaststellingsovereenkomst naar het oordeel van het hof zonder gevolgen is gebleven en dat hij zich daarnaar voegt. Vervolgens de kantonrechter volgt uit het arrest dat [appellante] zich niet op verrekening met een liquide tegenvordering kan beroepen, zodat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is evenals de door die huurachterstand gerechtvaardigde ontbinding. Met betrekking tot de reconventionele vordering overwoog de kantonrechter dat hij hieraan niet toe komt, deels omdat de huurovereenkomst in conventie is ontbonden, deels omdat het hof hierover al heeft beslist. 2.20 [appellante] is een executiegeschil gestart. Bij vonnis in kort geding van 2 maart 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage op straffe van een dwangsom de executie van het bestreden vonnis verboden totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat sprake was van een juridische misslag, omdat aangenomen moet worden dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de in juli 2007 door [appellante] gedane betaling van € 9.031,57. 2.21 Bij beschikking van 13 april 2010 heeft dit hof op verzoek van [appellante] een voorlopig deskundigenonderzoek gelast naar – kort gezegd – de oorzaken van de lekkages in het gehuurde. Als deskundige is benoemd ir. H. Brummel (technisch adviseur bouwtechniek, verder: Brummel). 2.22 Op 24 november 2010 heeft Brummel zijn voorlopig deskundigenrapport gedeponeerd ter griffie van dit hof. 2.23 [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst met [appellante] opgezegd tegen 15 augustus 2011, zijnde de datum waarop de tweede termijn van vijf jaren van de huurovereenkomst eindigt. [appellante] heeft niet berust in de opzegging. 3.1 In hoger beroep vordert [appellante] – na wijziging van eis – de vernietiging van de bestreden vonnissen en opnieuw rechtdoende de vorderingen in conventie af te wijzen en voorts: a. [appellante] te machtigen [onderhuurder 2] in haar plaats te stellen als huurder van de bedrijfsruimte; b. [appellante] te machtigen de lekkages in de bedrijfsruimte zelf te verhelpen en de daarvoor gemaakte kosten in mindering op de huurpprijs te brengen; c. [geïntimeerde] te veroordelen aan [appellante] te vergoeden de som van € 1.920,-- en € 960,--, zijnde de kosten van het onderzoek door Kok, vermeerderd met rente d. de huurovereenkomst vanaf 7 april 2006 gedeeltelijk te ontbinden, althans de huurprijs vanaf 7 april 2006 te verminderen met € 9.228,99 totdat de lekkages verholpen zullen zijn met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. 3.2 [geïntimeerde] vordert in hoger beroep primair bekrachtiging van de bestreden vonnissen en subsidiair, ingeval van vernietiging van het bestreden eindvonnis, kort samengevat: A. de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst; B. de veroordeling van [appellante] de bedrijfsruimte binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest te ontruimen en [appellante] te verbieden de bedrijfsruimte na de ontruiming opnieuw in gebruik te nemen of te laten nemen, zulks onder verbeurte van een dwangsom; C. de veroordeling van [appellante] tot betaling van een bedrag van € 1.520,-- per maand, ingaande (het hof begrijpt) de datum van ontbinding tot de datum van ontruiming, vermeerderd met de overeengekomen, dan wel wettelijke rente met ingang van de respectievelijke data van opeisbaarheid, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties. Het hof vat de subsidiaire vordering op als een voorwaardelijk incidenteel appel, houdende een wijziging van eis. 3.3 De grieven van [appellante] lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Tekortkomingen die de ontbinding rechtvaardigen? 3.4 In dit geding gaat het in de eerste plaats om de vraag of sprake is van (een) zodanige tekortkoming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.