Rolnummer: 22-001899-11 Parketnummer: 09-935111-10 Datum uitspraak: 23 februari 2012 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 9 februari 2012. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts is de verdachte de bevoegdheid ontzegd tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 29 juni 2010 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A4 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen: - hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid van (minimaal) 196 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of (vervolgens) - hij, verdachte, heeft gereden met een, gelet op de verkeersveiligheid ter plaatse, (veel) te hoge snelheid en/of - hij, verdachte, heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was te anticiperen op manoeuvres van medeweggebruikers, waarna hij, verdachte, tegen de achterzijde van een voor hem rijdende auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd: [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een beenfractuur en/of knieletsel waaruit een litteken is ontstaan en/of gescheurde enkelbanden) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 29 juni 2010 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A4, als volgt heeft gehandeld: - hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid van (minimaal) 196 kilometer per uur, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur en/of (vervolgens) - hij, verdachte, heeft gereden met een, gelet op de verkeersveiligheid ter plaatse, (veel) te hoge snelheid en/of - hij, verdachte, heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was te anticiperen op manoeuvres van medeweggebruikers, waarna hij, verdachte, tegen de achterzijde van een voor hem rijdende auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd: [slachtoffer]) lichamelijk letsel, te weten een beenfractuur en/of knieletsel waaruit een litteken is ontstaan en/of gescheurde enkelbanden) heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Onderzoekswensen Getuigen Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte gepersisteerd bij de in de appelschriftuur neergelegde verzoeken om de getuigen [arts] (het hof begrijpt: [arts]), [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen, één en ander overeenkomstig hetgeen is neergelegd in de door de raadsman ter terechtzitting voorgedragen en overgelegde akte onderzoekswensen. Het hof stelt vast dat ten aanzien van alle opgegeven getuigen het criterium van het verdedigingsbelang van toepassing is en overweegt omtrent de verzoeken als volgt. Voor wat betreft het verzoek tot het horen van de getuige [arts] overweegt het hof als volgt. De ter onderbouwing van dit verzoek gedane bewering dat feitelijke vaststellingen van de arts [arts] omtrent de letsels niet stroken met de verklaring van het slachtoffer daaromtrent, vindt geen steun in het dossier. De kwalificatie van het door [slachtoffer] opgelopen letsel als al dan niet zwaar lichamelijk, is een juridisch oordeel dat met in acht neming van alle feiten en omstandigheden aan het hof is voorbehouden. Mitsdien is het met het verzoek beoogde verhoor van genoemde [arts] redelijkerwijs niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing en wordt de verdachte, door het niet horen van [arts], derhalve redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad. Het hof wijst het verzoek af. Het verzoek tot het horen van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] strekt er gezien de onderbouwing toe dat het hof voor de vraag of het letsel moet worden beschouwd als gevolg van de ten laste gelegde botsing, onderscheid maakt tussen het geval waarin het als zwaar lichamelijk te kwalificeren letsel werd veroorzaakt door een foutief aangebrachte geleiderail in de vangrail en de gevallen waarin de foutief aangebrachte geleiderail niet als oorzaak van dat letsel kan worden aangewezen. Het hof is echter van oordeel dat bij delicten waarvan een zo grote gevaarzetting uitgaat als bij het aan de verdachte ten laste gelegde weggedrag, fouten van derden zoals fouten van de wegenbouwer bij het aanbrengen van de geleiderail zonder welke zwaar lichamelijk letsel zou zijn uitgebleven de causaliteitsketen niet doorbreken. Nu uit de onderbouwing niet volgt dat het verzochte verhoor van belang kan zijn voor enige andere beslissing, is het belang van de verdediging door het achterwege blijven daarvan redelijkerwijs niet geschaad en zal het verzoek worden afgewezen. Reclasseringsrapportage Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte voorts gepersisteerd bij het in de appelschriftuur neergelegde verzoek om - met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte - een reclasseringsrapportage te doen samenstellen, één en ander overeenkomstig hetgeen is neergelegd in de door de raadsman overgelegde akte onderzoekswensen. Het hof stelt vast dat ook ten aanzien van dit verzoek het verdedigingsbelang van toepassing is en overweegt omtrent het verzoek als volgt. Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep over de persoonlijke omstandigheden is medegedeeld, acht het hof zich reeds voldoende voorgelicht over de gevolgen die een eventueel op te leggen straf, waaronder met name een rij-ontzegging heeft voor verdachtes werk als bron van inkomsten en gezin. Het hof zal met deze omstandigheden rekening gehouden bij de bepaling van de op leggen straf(fen) zowel naar -modaliteit als -maat. Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte door afwijzing van dit verzoek, redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 29 juni 2010 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A4, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, als volgt te handelen: - hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid van minimaal 196 kilometer per uur en - hij, verdachte, heeft gereden met een, gelet op de verkeersveiligheid ter plaatse, veel te hoge snelheid en - hij, verdachte, heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was te anticiperen op manoeuvres van medeweggebruikers, waarna hij, verdachte, tegen de achterzijde van een voor hem rijdende auto is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een beenfractuur en knieletsel waaruit een litteken is ontstaan, werd toegebracht. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverwegingen Dubbele causaliteit De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat niet voldaan is aan de voor artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 vereiste dubbele causaliteit, nu - kort gezegd - het letsel van het slachtoffer is ontstaan doordat een vangrailbegeleider ter plaatse niet naar behoren functioneerde. Er zou derhalve geen sprake zijn van een causaal verband tussen het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval en het door het slachtoffer opgelopen letsel, hetgeen tot vrijspraak van de verdachte dient te leiden voor wat betreft het primair ten laste gelegde. Eén en ander overeenkomstig de door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Met betrekking tot de causaliteit dient het criterium van de redelijke toerekening te worden gehanteerd en dient allereerst te worden beoordeeld of het verkeersongeval redelijkerwijs als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen aan de verdachte is toe te rekenen. In het onderhavige geval is de verdachte met zeer hoge snelheid achterop de auto waarin het slachtoffer zat, gereden ten gevolge waarvan die auto in aanraking is gekomen met de vangrail. Het hof is derhalve, met de rechtbank, van oordeel dat het ongeval redelijkerwijs aan de verdachte toe is te rekenen. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het letsel van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte valt toe te rekenen. Het hof beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Doordat de auto waarin het slachtoffer zat tegen een vangrail botste en in een spin raakte heeft het slachtoffer letsel opgelopen. De omstandigheid dat het ongeval mogelijk minder schadelijke gevolgen voor het slachtoffer zou kunnen hebben gehad, indien de vangrailgeleider goed zou hebben gefunctioneerd, doet niet af aan het feit dat het letsel een gevolg is van het door de verdachte veroorzaakte ongeval. Het hof verwijst hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat het oplopen van zwaar lichamelijk letsel kan worden toegerekend aan de veroorzaker van de aanrijding, ook al droeg het slachtoffer geen gordel (Hoge Raad 11 december 2001, NJ 2002, 62). Ter aanvulling op de overwegingen van de rechtbank merkt het hof op dat de leer van de redelijke toerekening zich niet beperkt tot omstandigheden die in de sfeer van het slachtoffer liggen en zich tevens uitstrekt tot omstandigheden die in de invloedssfeer van derden gelegen zijn (Hoge Raad 12 september 1978, NJ 1979, 60). Anders dan de raadsman meent, betekent de omstandigheid dat het ontstane letsel niet zou zijn ingetreden indien de vangrail wel naar behoren had gefunctioneerd niet dat daardoor het causaal verband tussen het ongeval en het letsel van het slachtoffer ontbreekt. De relevante oorzaak is niet het gebrek van de vangrail, maar de aanrijding. Het hof verwerpt het verweer. Zwaar lichamelijk letsel De raadsman van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het door [slachtoffer] opgelopen letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Eén en ander overeenkomstig de door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht brengt volgens vaste jurisprudentie mee dat de rechter de vrijheid heeft om ook buiten de in dat artikel genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te kwalificeren wanneer dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Met betrekking tot het door het slachtoffer opgelopen letsel als gevolg van het bewezenverklaarde bevat het dossier -voor zover relevant- onder meer het navolgende: - een formulier medische informatie d.d. 13 juli 2010 waarop als bevinding ten aanzien van het slachtoffer door arts [arts] onder meer is vermeld: "Wond knie Re. Zonder diep letsel. FIBULA fractuur li. (onderbeens fractuur)"; - een proces-verbaal van verhoor betrokkene d.d. 1 juli 2010 waarin onder meer als verklaring van het slachtoffer is opgenomen: "Aan de aanrijding heb ik het volgende letsel overgehouden: Ik heb een vleeswond onder mijn rechter knie. Van de binnenzijde van mijn been naar de voorkant, totaal twaalf
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.