GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 1 februari 2012 Zaaknummer : 200.091.593/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-3830 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.N.G.N.H. Brech te ’s-Gravenhage, tegen [geïntimeerde], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ter lande, verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.B. Kloppenburg te Leiden. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 1 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 juni 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De man heeft op 13 oktober 2011 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. De vrouw heeft op 18 november 2011 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van man: - op 23 november 2011 een faxbericht met bijlagen. De zaak is op 25 november 2011 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat en mr. drs. D.J. Prins, kantoorgenote van zijn advocaat. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het meer of anders verzochte afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de geldvorderingen van de vrouw daarbij zijn afgewezen en, opnieuw beschikkende, de geldvorderingen die de vrouw in eerste aanleg heeft ingesteld jegens de man alsnog toe te wijzen en mitsdien de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 207.303,02 plus de wettelijke rente daarover vanaf 27 oktober 2010 voor de deelvordering van € 70.000,- en vanaf 1 april 2011 voor de overige deelvorderingen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties. 2. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren, althans af te wijzen, en in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de vorderingen van de man en, opnieuw beschikkende, de vrouw te bevelen om – ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ter verrekening op basis van de gemeenschap van goederen dan wel uit hoofde van de door hem aan de vrouw ter beschikking gestelde geldbedragen – aan de man te voldoen een bedrag van (het hof begrijpt:) € 301.417,96 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van indiening van dit verzoekschrift, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd wanneer de vrouw ter uitvoering van het als bijlage 4 bij het verzoekschrift tot echtscheiding zaken aan de man ter beschikking stelt, met de bedragen die in dat voorstel voor de betreffende zaken zijn vastgesteld, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties. Principaal appel Wisseltransactie 3. De vrouw stelt als eerste grond voor haar hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de vordering van de vrouw op de man van € 70.000,-, plus de wettelijke rente, heeft afgewezen. De man heeft zonder haar toestemming op 28 oktober 2005 een bedrag van € 200.000,- opgenomen bij de op haar naam staande rekening bij de [naam] bank te [land] en dit geld gebruikt voor een illegale geldtransactie waarbij hij vals geld terugkreeg. De man heeft een verleden van valsheid in geschrifte en verduistering. De man was met betrekking tot deze rekening uitsluitend gemachtigd om onkosten ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding van partijen te betalen. Van de € 200.000,- heeft de vrouw € 130.000,- in materialen terug ontvangen, zodat de man nog € 70.000,- aan de vrouw verschuldigd is. 4. De man bestrijdt de stellingen van de vrouw en stelt dat het juist de vrouw was die het initiatief heeft genomen voor deze illegale geldtransactie. Voorts stelt de man dat de rekening ook gevoed werd met gelden die van hem afkomstig waren. 5. Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. Vaststaat dat het geld stond op een rekening ten name van de vrouw. Het hof gaat er in beginsel vanuit dat het saldo op die rekening toebehoorde aan de vrouw tenzij de man het tegendeel aantoont. De enkele stelling van de man dat het geld wat op die rekening staat niet van de vrouw is, is onvoldoende. De man heeft in deze niet voldaan aan zijn stelplicht. Voorts staat tussen partijen vast dat de man € 200.000,- van deze rekening heeft opgenomen. De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, is of de man bevoegd was met betrekking tot deze geldtransactie. 6. Naar het oordeel van het hof is het aan de man om zijn stelling te bewijzen dat hij van de vrouw toestemming heeft gekregen om op 28 oktober 2005 een bedrag van € 200.000,- van de rekening op te nemen voor de wisseltransactie, waarbij hij [valuta] zou omwisselen voor euro’s. De man heeft bewijs aangeboden door het doen horen van de heer [naam]. Het hof zal de man daartoe in de gelegenheid stellen. 7. Het hof wijst de man erop dat deze in dient te staan voor de kosten van het getuigenverhoor, waaronder het transport van de getuige naar Nederland en de kosten van een tolk. [naam] bank € 43.341,75 8. Als tweede grond voor het appel voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van de vrouw op de man, genoemd onder b. in de bestreden beschikking van in totaal € 43.341,75 plus de wettelijke rente inzake door de man opgenomen geld van de bankrekening van de vrouw bij de [naam] bank (nummerrekening [nummer]) voor niet-huishoudelijke lasten, afgewezen. De vrouw bestrijdt dat partijen ieder gerechtigd waren tot de helft van het saldo op deze rekening. Het geld dat op deze rekening stond was afkomstig uit de opbrengst van de verkoop van de woning van de vrouw in de [regio]. De man was uitsluitend gemachtigd om uitgaven voor de gemeenschappelijke huishouding te doen, maar heeft zonder toestemming van de vrouw in totaal € 43.341,75 naar zijn eigen bankrekening overgeschreven, zonder dat deze bedragen bestemd zijn geweest ter voldoening van de kosten van de huishouding. De laatste twee overboekingen zijn bovendien gedaan na het moment waarop partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan, hetgeen plaatsvond op 1 september 2008. 9. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. 10. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat zowel de vrouw als de man bevoegd waren om over de nummerrekening te beschikken. De vrouw is gehouden feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat het tegoed op de bankrekening uitsluitend haar toekwam en de man niet bevoegd was om over het bedrag van € 43.341,75 te beschikken. Uit de stukken en uit de verklaringen ter terechtzitting blijkt van een consistente gedragslijn tussen partijen waarbij de man grote bedragen overboekte of opnam van de rekening van de vrouw en de vrouw daarvan tijdens de huwelijkse samenleving geen rekening en verantwoording verlangde. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet aan deze stelplicht met betrekking tot het hiervoor vermelde bedrag heeft voldaan. Vordering van € 15.520,58 11. De vrouw is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van de vrouw op de man genoemd onder c. in de bestreden beschikking van in totaal € 15.520,58 plus wettelijke rente heeft afgewezen, inzake door de man gedane betalingen van de lopende rekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.