GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer : 200.096.821/01 Zaak/rolnummer rechtbank : 386999 / KG ZA 11-831 arrest van 17 januari 2012 inzake [Naam], wonende te [Woonplaats], appellant, advocaat: mr. M.C. de Jong te Rotterdam, tegen Stichting Dierenopvang Rijnmond, statutair gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. F. Bonefaas te Leiden. Het geding Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen kort geding vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 17 oktober
- Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen. Appellant heeft de zaak aangebracht. Voor appellant heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen. De zaak is op 8 november 2011 aangehouden tot de rol van 6 december 2011 voor: Afwachten griffierecht partijen. Appellant heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald. In verband met het achterwege blijven van betaling van het griffierecht heeft het hof op 13 december 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier. De motivering van de beslissing De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 8 november
- Volgens art. 3 lid 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellant ervoor zorgen dat binnen vier weken na 8 november 2011, dus uiterlijk 6 december 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Het verschuldigde griffierecht is op 30 december 2011 bijgeschreven op de rekening van het hof. Dit is dus 24 dagen te laat. Er is niet gebleken van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127a lid 2 Rv., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Nu appellant niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellant worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Aangezien het hof constateert dat ook geïntimeerde het griffierecht nog niet heeft betaald, zal bij de veroordeling tot betaling van de verschotten worden bepaald dat hieraan slechts dient te worden voldaan nadat geïntimeerde aan appellant een bewijs van betaling van het griffierecht aan het hof heeft overgelegd. De beslissing Het hof: - ontslaat geïntimeerde van deze instantie; - veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep - met betrekking tot de verschotten nadat geïntimeerde aan appellant een bewijs van betaling van het griffierecht aan het hof heeft overgelegd -, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 649,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat. Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2012.