← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0899

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 15 februari 2012 Zaaknummer : 200.091.628/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-9452 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. P. Willems te Capelle aan den IJssel, tegen [naam jongmeerderjarige], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de jongmeerderjarige, advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 1 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 3 mei 2011 van de rechtbank 's-Gravenhage. De jongmeerderjarige heeft op 20 september 2011 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vader: - op 19 augustus 2011 een brief van 18 augustus 2011 met bijlagen; van de zijde van de jongmeerderjarige: - op 5 januari 2012 een brief van 3 januari 2012 met bijlagen. De zaak is op 12 januari 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de jongmeerderjarige, bijgestaan door haar advocaat. De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de vader - strekkende tot nihilstelling van de bij beschikking van 17 december 2001 van de rechtbank ’s-Gravenhage vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de inmiddels jongmeerderjarige van € 355,- per maand - afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

  1. In geschil is de door de vader aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige, hierna ook: de alimentatie.
  2. De vader verzoekt het hof, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de vader verschuldigde alimentatie met ingang van 1 januari 2010, althans met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie zal vaststellen, te matigen tot nihil, althans tot een zodanig bedrag als (het hof leest:) het hof zal vaststellen.
  3. De vader voert twee gronden aan tegen de bestreden beschikking en stelt daarin dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in 2010 en de volgende jaren de winst zodanig is gedaald of zal dalen dat er onvoldoende draagkracht is voor de betaling van alimentatie en dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen. De rechtbank heeft geconstateerd dat zowel in 2009 als in 2010 een post “voorziening dubieuze debiteuren” van € 86.000,- ten laste van de winst is gebracht. Volgens de rechtbank was hier sprake van een dubbele afboeking en omdat de vader niet in staat was om een en ander nader toe te lichten is de rechtbank kennelijk aan deze voorziening voorbijgegaan. Ten onrechte volgens de vader. Van een dubbele afboeking is geen sprake. De vader verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een brief van zijn huidige accountant waarin wordt uitgelegd dat het om classificatieverschillen gaat, die geen invloed hebben op het resultaat onder de streep. Als gevolg van een kennelijk niet vlekkeloze overdracht door de oude accountant, heeft de nieuwe accountant in 2010 correcties moeten aanbrengen ten opzichte van 2009, waardoor het lijkt alsof er dubbel is afgeboekt, hetgeen niet het geval is. De vader stelt dat dus wel degelijk uitgegaan kan worden van zijn bedrijfsresultaten en dat hij dus niet in staat is de alimentatie voor de jongmeerderjarige te betalen. De vader biedt aan desnoods door middel van getuigenbewijs aan te tonen dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een dubbele afboeking.
  4. De jongmeerderjarige bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure aan de zijde van de jongmeerderjarige gevallen. Zij stelt – onder meer – dat de vader alleen gronden aanvoert tegen het oordeel dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in 2010 en de volgende jaren de winst zodanig is gedaald of zal dalen dat er onvoldoende draagkracht is voor het betalen van alimentatie en tegen het oordeel dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. De vader formuleert dus geen gronden tegen de overwegingen van de rechtbank over de draagkracht van de vader tot aan de laatste alinea. De overige overwegingen van de rechtbank staan naar het oordeel van de jongmeerderjarige dus vast. Ter zitting bij het hof heeft de jongmeerderjarige betoogd dat de vader geen inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie door de cijfers over 2011 niet te produceren en op geen enkele wijze de stelling van de rechtbank over de winst in 2010 en de volgende jaren heeft ontkracht. Volgens de jongmeerderjarige dient het verzoek van de vader dan ook te worden afgewezen.
  5. Het hof overweegt als volgt. Wijziging van omstandigheden
  6. Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat het hof hiervan zal uitgaan. Het hof zal hierna beoordelen of de alimentatieverplichting nog voldoet aan de wettelijke maatstaven. Behoefte jongmeerderjarige
  7. De behoefte van de jongmeerderjarige is tussen partijen niet in geschil. Draagkracht vader
  8. De vader heeft – kort samengevat – gesteld dat hij met ingang van 1 januari 2010 geen draagkracht meer heeft om alimentatie te betalen voor de jongmeerderjarige. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door de vader overgelegde financiële gegevens over 2010, zoals de aangifte Inkomstenbelasting 2010 en de jaarrekening 2010 van [naam bedrijf] en de daarbij behorende verklaringen van zijn (nieuwe) accountant, inhoudende dat de vader in 2010 een negatief inkomen had. Het hof is dan ook van oordeel dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is geweest om in 2010 alimentatie te betalen voor de jongmeerderjarige.
  9. Voor wat betreft 2011 overweegt het hof als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de jongmeerderjarige had het op de weg van de vader gelegen om zijn stelling dat hij in 2011 geen draagkracht heeft, deugdelijk, met relevante stukken zoals de (voorlopige) tussentijdse jaarcijfers over 2011, te onderbouwen. De vader heeft dit nagelaten, ook nadat hierom door het hof bij brief van 3 augustus 2011 is verzocht. Nu de vader geen bewijzen heeft overgelegd omtrent zijn draagkracht in 2011, heeft hij naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat hij in 2011 geen alimentatie kan betalen voor de jongmeerderjarige, zodat het verzoek van de vader om de alimentatie op nihil te stellen voor het tijdvak ingaande 1 januari 2011 zal worden afgewezen; de bestreden beschikking zal in zoverre worden bekrachtigd. Proceskostenveroordeling
  10. De jongmeerderjarige heeft verzocht om de vader te veroordelen in de proceskosten van in ieder geval haar eigen bijdrage van € 125,- en het griffierecht van € 260,-, ook al procedeert zij met een toevoeging. Verder stelt zij dat ook de Staat door de vader schadeloos gesteld zou moeten worden.
  11. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de jongmeerderjarige heeft verzocht, de vader te veroordelen in de proceskosten en zal, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard, de proceskosten compenseren.
  12. Het hof beslist als volgt. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze het tijdvak ingaande 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 betreft, en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 december 2001 - de door de vader aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 op nihil; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige; compenseert de kosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten zal dragen; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Husson, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.