GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer : 200.074.766/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 302188/HA ZA 08-573 arrest van de sector Civiel Recht d.d. 10 april 2012 inzake appellant, wonende te [gemeente Y], appellant, hierna te noemen: [de zoon], advocaat: mr. Z.B. Gyömörei te ’s-Gravenhage, tegen 1. geintimeerde 1, hierna te noemen: [dochter A], 2. geintimeerde 2, hierna te noemen: [dochter B], 3. geintimeerde 3, hierna te noemen: [dochter C], allen wonende te [gemeente Z], hierna ook gezamenlijk te noemen: de geïntimeerden, advocaat voorheen mr. M.E.T. Mijs-Zillikens te Rotterdam, thans mr. A.D. Stout-van Erp te Rotterdam. Het geding Bij exploot van 29 september 2010 is [de zoon] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 28 juli 2010 door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen, hierna: het bestreden vonnis. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2008 en in het bestreden vonnis heeft vermeld. Bij memorie van grieven heeft [de zoon] dertien grieven aangevoerd. [de zoon] vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen in eerste aanleg alsnog geheel toe te wijzen door: Buitenwettelijke verdeling in partijen van 100.000,- - [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], ieder, te veroordelen tot het betalen van € 45.348,02 aan de onverdeelde nalatenschap, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999, althans van der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening en te bepalen dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren om mee te delen in voornoemde bedragen van € 45.348,02; - [dochter B] en/of [dochter C] als erfgenamen van mevrouw .. (hierna: de weduwe) te veroordelen tot het betalen aan de onverdeelde nalatenschap van een bedrag van € 45.348,02, al dan niet uit de nalatenschap van de weduwe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening en te bepalen dat [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren om mee te delen in voornoemd bedrag van € 45.348,02; Bankrekening bij de Generale bank in Merksplas, - voor recht te verklaren dat artikel 4:1110 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), dan wel artikel 3:194 BW, is geschonden door de weduwe en/of [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] en voor recht te verklaren dat de weduwe of de erfgenamen van de weduwe en/of [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren te delen in het saldo van de bankrekening bij de Generale Bank (Fortis Bank) waarvan het bestaan ultimo 1999 is aangetoond; - [dochter B] en/of [dochter C] in hun hoedanigheid van erven van de weduwe, voor zover mogelijk hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen tot het betalen aan de nalatenschap het bedrag van € 75.120,88, zijnde de helft van het saldo van de verzwegen bankrekening bij de Generale Bank, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de eerste boedelbeschrijving, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening; Derde geldbron - [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], voor zover mogelijk hoofdelijk, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan de onverdeelde nalatenschap van een bedrag van € 250.000,-; - voor recht te verklaren dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren mee te delen in de verdeling van de hierboven bedoelde inbreng van € 250.000,-; Giften gedurende het leven - [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot betaling door ieder van € 68.067,03, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de sterfdatum van na te noemen erflater tot aan de dag der algehele betaling, aan de onverdeelde nalatenschap; - voor recht te verklaren dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C] het recht hebben verloren om mee te delen in voornoemd in te brengen bedragen van steeds € 68.067,03; Huizen - [dochter B] te veroordelen om aan de onverdeelde nalatenschap een bedrag van € 5.717,65 te betalen, zijnde het verschil tussen de vordering van de nalatenschap op [dochter B] en de vordering van de nalatenschap op [dochter B] zoals zij later bleek te zijn, met bepaling dat [dochter B] het recht heeft verloren om mee te delen in het aldus in te brengen bedrag; - [dochter B] te veroordelen tot betaling aan de onverdeelde nalatenschap de wettelijke rente over het bedrag van € 29.027,40 vanaf 21 mei 1971, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele betaling, althans tot aan de dag van het overlijden van erflater; - [dochter A] te veroordelen tot betaling aan de onverdeelde nalatenschap van de wettelijke rente over het bedrag ad € 15.428,53 vanaf de datum waarop het krediet is verschaft, althans vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele betaling; Boot - [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], ieder, te veroordelen tot betaling van € 4.537,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de overlijdensdatum van erflater tot aan de dag der algehele betaling; - voor recht te verklaren dat [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], het recht hebben verloren om mee te delen in de vorenbedoeld in te brengen bedragen van steeds € 4.537,80; Exhibitie - [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot het verstrekken van afschriften, althans tot het geven van inzage aan [de zoon] of diens advocaat van alle rekeningafschriften, doorlopend genummerd, van de bankrekeningen die op hun naam of mede op hun naam staan vanaf 1994 tot en met 2006 en van hun belastingaangiften en belastingaanslagen in de periode 1994 tot en met 2006; Dwangsom - [dochter A] en/of [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,-, althans een in goede justitie te betalen bedrag, voor elke dag, deel van een dag daaronder begrepen, dat geïntimeerden, vanaf 2 dagen na betekening van het arrest, in gebreke blijven aan het gebod als hierboven beschreven, namelijk tot verstrekking van bankrekeningafschriften, belastingaangiften en belastingaanslagen, te voldoen; Exhibitie - [dochter B] en/of [dochter C] in hun hoedanigheid van erfgenamen van de weduwe te veroordelen tot het verstrekken van afschriften aan [de zoon] of diens advocaat van de belastingaangiften en belastingaanslagen van de weduwe van 1994 tot aan de overlijdensdatum, van het testament van de weduwe en van de boedelbeschrijving in de nalatenschap van de weduwe, althans tot het geven van inzicht daarin; Dwangsom - [dochter B] en/of [dochter C], te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 500,-, althans een in goede justitie te betalen bedrag, voor elke dag, deel van een dag daaronder begrepen, dat [dochter B] en [dochter C], vanaf twee dagen na betekening van het arrest, in gebreke blijven aan het gebod als hierboven beschreven, namelijk tot verstrekking van belastingaangiften, belastingaanslagen van de weduwe en haar boedelbeschrijving; Beeldjes - [dochter B] te veroordelen tot het betalen aan de nalatenschap het bedrag van € 10.000,- en voor recht te verklaren dat [dochter B] en [dochter C], als erfgenamen van de weduwe het recht hebben verbeurd om mee te delen in dit in te brengen bedrag van € 10.000,-; Verdeling - de verdeling te bepalen van de nalatenschap van de erflater en te bepalen dat de kosten daarvan door de boedel worden gedragen, met bepaling dat aan [de zoon] een voorschot op de verdeling wordt verstrekt van € 100.000,-; - de maatregelen te nemen die het hof in goede justitie vermeent te behoren; met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het wijzen van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad. Bij memorie van antwoord, waarbij twee producties zijn gevoegd, hebben geïntimeerden de grieven bestreden. Zij concluderen dat het hof, zo nodig met aanvulling van gronden, [de zoon] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn vorderingen af zal wijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [de zoon] in de werkelijke door geïntimeerden gemaakte kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na de datum waarop het arrest in deze procedure zal worden gewezen tot de dag der algehele voldoening. Vervolgens hebben beide partijen arrest gevraagd. [de zoon] heeft daarbij zijn procesdossier aan het hof overgelegd¸ waarbij bladzijde 12 en productie 2 van de memorie van antwoord ontbreken. Beoordeling van het hoger beroep 1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 2 in het bestreden vonnis is niet opgekomen zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat. 2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [de zoon] afgewezen. Voorts heeft de rechtbank [dochter B] veroordeeld de zilveren boedelbestanddelen die zij onder zich heeft in te brengen in de verdeling van de nalatenschap. De rechtbank heeft de kosten van het geding gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen. Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3. De grieven van [de zoon] leggen, gezien ook de daarop gegeven toelichting, het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor. 4. Geïntimeerden hebben de grieven gemotiveerd bestreden. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. 6. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de verdeling van de nalatenschap van de vader, overleden op ... 1998 (hierna: erflater). Uit het testament van erflater volgt dat er een ouderlijke boedelverdeling is gemaakt ten gunste van de weduwe als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW. [de zoon] en de geïntimeerden hebben zich allen op de legitieme beroepen en zijn daarmee volgens het destijds geldende erfrecht erfgenaam geworden en zijn daardoor op grond van het testament van erflater betrokken in de door de erflater bij dat testament gemaakte verdeling (ouderlijke boedelverdeling). De weduwe is de moeder van [dochter B] en [dochter C] en de stiefmoeder van [de zoon] en [dochter A]. De weduwe is op 16 maart 2003 overleden. 7. Voor wat betreft het toepasselijke recht geldt het volgende. De nalatenschap is opengevallen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek op 1 januari 2003.. Artikel 128 van de Overgangswet NBW bepaalt dat een legitimaris van een erflater die is opengevallen voor het inwerkingtreden van de wet zijn bevoegdheden uitsluitend kan uitoefenen overeenkomstig het tevoren geldende recht, zodat de legitimarissen ook na invoering van het nieuwe recht hun oude legitieme hebben behouden en derhalve erfgenaam van erflater zijn. Bankrekening bij Generale Bank te Merksplas 8. In grief 1 betoogt [de zoon] naar het hof begrijpt dat de rechtbank zijn vorderingen onder punt 3 en 4 van het petitum van zijn dagvaarding in eerste aanleg zonder - kenbare - motivering heeft afgewezen. [de zoon] doet een beroep op het bepaalde in artikel 4:1110 (oud) BW en/of artikel 3:194 lid 2 BW. Hij stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de weduwe en de geïntimeerden hun aandeel in de bankrekening bij de Generale Bank te Merksplas hebben verbeurd, omdat zij deze bankrekening bij de beschrijving van de nalatenschap van erflater hebben verzwegen. Daarnaast heeft de weduwe, zo stelt [de zoon], om gelijke reden als hiervoor vermeld, ook haar aandeel in de ontbonden huwelijksgemeenschap ter zake van deze bankrekening verbeurd. 9. Geintimeerden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. 10. Het hof gaat in dezen aan de door [de zoon] aangevoerde grondslag van artikel 3:194 lid 2 BW voorbij, nu dit artikel ingevolge artikel 103 van de Overgangswet NBW, niet van toepassing is op een gemeenschap die op het tijdstip van het in werking treden van de wet (op 1 januari 2003) reeds bestaat. Het hof beoordeelt de vordering van [de zoon] derhalve op de grondslag van artikel 4:1110 (oud) BW, dat op grond van de Overgangswet NBW eerbiedigende werking toekomt. Dit artikel luidde: “Erfgenamen welke goederen, tot eene nalatenschap behoorende, hebben te zoek gemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande hunne verwerping, zonder dat zij eenig deel in het zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen.” 11. Het hof stelt vast dat onder ‘zoek maken’ of ‘verborgen houden’ wordt verstaan; elke handeling waardoor de erfgenaam op onrechtmatige wijze waarde aan de rechthebbende onttrekt of beoogt te onttrekken. 12. Het hof overweegt in dit verband als volgt. Vast staat door notaris mr. [A] in 1999 een boedelbeschrijving is opgemaakt, op grond waarvan de weduwe door tusenkomst van de notaris aangifte heeft gedaan voor het recht van successie. De notaris heeft verklaard dat de boedelbeschrijving is vastgesteld op aangeven van de weduwe. De aangifte is opgesteld aan de hand van de gegevens zoals deze door de boekhouder zijn verstrekt en deze is door de weduwe ondertekend. In deze boedelbeschrijving en de daarop volgende aangifte voor het recht van successie is niet een bankrekening van erflater bij de Generale bank in België opgenomen. Voorts staat tussen partijen vast dat de weduwe voor het opmaken van die boedelbeschrijving eind 1998, begin 1999, een bezoek aan de Generale Bank te Merksplas (België) heeft gebracht, waarbij zij, althans tot in de hal van het bankgebouw, werd vergezeld door [dochter B]. Ook staat tussen partijen vast dat [de zoon], nadat hij door de notaris werd geïnformeerd over het batig saldo van de nalatenschap, hierover navraag heeft gedaan bij de weduwe en bij de notaris en in dat verband melding heeft gemaakt van het bestaan van een bankrekening in België. Bij brief van 5 juni 1999 heeft [dochter B] op een brief van [B] & [A] notarissen hierover namens de weduwe geantwoord dat het jammer was dat het saldo van ƒ 800.000,- onwaarschijnlijk laag voorkomt en dat zij van mening is dat [de zoon] geen inzage behoeft in de bezittingen en de schulden. De notaris heeft naar aanleiding van een en ander navraag gedaan bij de Generale Bank naar het bestaan van een bankrekening op naam van de erflater. Nadat de Generale Bank hierover bij brief van 15 december 1999 in bevestigende zin heeft geantwoord aan de notaris onder opgave van het saldo van de bewuste bankrekening, die op naam stond van zowel de erflater als van de weduwe, is op 29 augustus 2000 de boedelbeschrijving door de weduwe aangepast en is vervolgens door de weduwe een aangepaste aangifte voor het recht van successie ingediend. Tevens is met de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten over de ingevolge het niet aangeven van de bankrekening te weinig betaalde vermogensbelasting. 13. Het hof is van oordeel dat op grond van dit alles is komen vast te staan dat de weduwe wist van het bestaan van de bankrekening in België op het moment dat de eerste boedelbeschrijving werd opgemaakt. Deze bankrekening stond mede op haar naam. Zij heeft een bezoek gebracht aan de Generale Bank, kort na het overlijden van de erflater en vóór het opmaken van de eerste boedelbeschrijving. Op grond daarvan komt het hof tot de slotsom dat de weduwe deze bankrekening verborgen heeft gehouden in de zin van artikel 4: 1110 (oud) BW. Dit heeft tot gevolg, dat zij geen aanspraak meer kon maken op haar aandeel in de erfenis ten aanzien van deze bankrekening in de nalatenschap van erflater, zodat dit zij dit aandeel verbeurt aan de andere deelgenoten. In zoverre slaagt de grief van [de zoon]. Uit de boedelbeschrijving blijkt dat het saldo van de rekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.