GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer : 200.092.587/01 Rolnummer rechtbank : 1209612 \ CV EXPL 11-8983 sector kanton, locatie Rotterdam Arrest d.d. 24 april 2012 (bij vervroeging) inzake [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. L.C.H. Karstanje te Gouda, tegen Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Woonstad, advocaat: mr. E.J.P. Nolet te 's-Gravenhage. Het geding Voor het verloop van de procedure tot 4 oktober 2011 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen werd gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 30 november 2011. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven (met producties) vijf grieven aangevoerd. Deze zijn door Woonstad bestreden bij memorie van antwoord. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De in het bestreden vonnis van 8 juli 2011 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat. 2. Kort en zakelijk weergegeven gaat het geschil om het volgende. 2.1 [appellant] woont sinds zijn geboorte op [geboortedatum] met zijn moeder in de door zijn moeder van Woonstad gehuurde woning aan de [A-straat 1] te [plaats] (hierna: het gehuurde). De moeder is op 4 augustus 2010 overleden. [appellant] was toen 20 jaar. 2.2 [appellant] heeft de kantonrechter verzocht te bepalen dat hij de huur van het gehuurde mag voortzetten op grond van artikel 7:268, tweede lid BW. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen bij het thans bestreden vonnis. Daartoe heeft de kantonrechter, zakelijk samengevat en voor zover thans van belang, overwogen: (I) [appellant] biedt onvoldoende financiële waarborg, gelet op de op dat moment geldende huur van € 520,-- per maand en de hoogte van zijn salaris van € 943,64 bruto per maand, terwijl Woonstad gemotiveerd heeft betoogd dat hij niet in aanmerking komt voor huurtoeslag; (II) Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van een duurzame gemeen¬schappelijke huishouding in de zin van artikel 7: 268, derde lid, onder a juncto lid 2 BW. Een kind wordt geacht ‘uit te vliegen’. Van bijzondere omstandigheden om daar thans anders over te denken is geen sprake. [appellant] blijkt voldoende zelfredzaam te zijn en heeft ook een baan. Van een gemeenschappelijke financiële huishouding was al evenmin sprake. 3. [appellant] klaagt met zijn grieven over deze beslissing. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Woonstad heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwerpt de grieven en licht dit als volgt toe. 4. Het hof is ten aanzien van (I) met de kantonrechter van oordeel dat [appellant] onvoldoende financiële waarborg biedt. Zijn (met productie 1 onderbouwde) stelling in hoger beroep dat hij inmiddels per 1 september 2011 € 1.350,-- bruto verdient, is gemotiveerd betwist door Woonstad. Woonstad heeft naar voren gebracht (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.