GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 1 februari 2012 Zaaknummer : 200.093.088/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-742 [De vader], wonende te [woonplaats],[naam land], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. M.H. Wormmeester te Emmen, tegen
- [de moeder], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. R.G. Groen te ‘s-Gravenhage. en
- [de jongmeerderjarige], geboren [in] 1993 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de jongmeerderjarige. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 26 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 juli 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage. De vader is in eerste aanleg niet verschenen en de inhoud van de beschikking is hem voor het eerst op 7 juni 2011 bekend geworden. De moeder heeft op 21 oktober 2011 een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift heeft de moeder een machtiging van de jongmeerderjarige overgelegd, waaruit blijkt dat zij gemachtigd is om in deze procedure namens hem op te treden. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vader: - op 8 september 2011 een ongedateerde brief met bijlagen; - op 22 september 2011 een brief van 21 september 2011 met bijlagen; - op 25 november 2011 een brief van 24 november 2011 met bijlagen; van de zijde van de moeder: - op 2 december 2011 een brief van 1 december 2011 met bijlagen; - op 5 december 2011 een brief van dezelfde datum met bijlagen. De zaak is op 16 december 2011 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door mr. C.C.N. Brens-Cats, kantoorgenoot van mr. Wormmeester; - de moeder, tevens optredend als gevolmachtigde van de jongmeerderjarige, van welke volmacht blijkt uit het als productie 1 aan het verweerschrift gehechte stuk, bijgestaan door mr. R.K. van der Brugge, kantoorgenoot van mr. Groen. Mr. Brens-Cats heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. De hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige sub 1] heeft zijn mening bij brief van 12 november 2011, ter griffie ontvangen op 15 november 2011, kenbaar gemaakt. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de door de vader met ingang van 1 april 2009 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de toen nog drie minderjarige kinderen: - [de jongmeerderjarige] voornoemd, - [de minderjarige sub 1], geboren [in] 1995 te [geboorteplaats] (hierna ook: [de minderjarige sub 1]), en - [de minderjarige sub 2], geboren [in] 1997 te [geboorteplaats] (hierna ook: [de minderjarige sub 2]) hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen, bepaald op € 500,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, hierna ook: kinderalimentatie, ten behoeve van de minderjarigen, alsmede met ingang van 28 januari 2011 de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de jongmeerderjarige, hierna ook: alimentatie jongmeerderjarige.
- De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de alimentatie ten behoeve van de kinderen op nihil te bepalen.
- De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. Ontvankelijkheid
- Het hof passeert de stelling van de vader dat de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar inleidend verzoek voor zover dat betrekking heeft op de jongmeerderjarige. De vader heeft daartoe aangevoerd dat de jongmeerderjarige op de dag van indiening van het inleidend verzoek 18 jaar is geworden en de moeder op dat moment niet gemachtigd was om namens hem op te treden. Aangezien de moeder echter met ingang van 1 april 2009 een bijdrage ten behoeve van de kinderen heeft verzocht en de jongmeerderjarige op die datum nog minderjarig was, was de moeder gemachtigd om namens hem een verzoek in te dienen. Dat de jongmeerderjarige op de dag van indiening van het inleidend verzoek 18 jaar is geworden doet daar niet aan af. Overigens is de moeder op grond van de hiervoor genoemde volmacht bevoegd de jongmeerderjarige te vertegenwoordigen. Ingangsdatum
- De vader verzet zich tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum van de kinderalimentatie terwijl de moeder geen reden ziet om een andere ingangsdatum in aanmerking te nemen.
- Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat de vader in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd tegen het inleidend verzoek van de moeder omdat de oproep voor de behandeling hem nimmer heeft bereikt. Als gevolg daarvan is het inleidend verzoek van de moeder als niet weersproken en op de wet gegrond toegewezen. Eveneens staat vast dat de rechtbank 's-Gravenhage bij beschikking van 12 juli 2005 een eerder verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie wegens gebrek aan draagkracht aan de zijde van de vader heeft afgewezen. Nu de vader in hoger beroep onbetwist heeft gesteld dat hij bij brief van 26 mei 2011 van het UWV op de hoogte is geraakt van het bestaan van de bestreden beschikking en hij voor het eerst op 7 juni 2011 kennis heeft kunnen nemen van die door het LBIO aan hem toegezonden beschikking, acht het hof het niet redelijk om de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum te handhaven. De vader was tot dan toe niet op de hoogte van zijn alimentatieverplichting jegens de kinderen en handhaving van de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum brengt met zich dat de vader vanwege de terugwerkende kracht wordt geconfronteerd met een forse betalingsachterstand, hetgeen het hof niet redelijk acht. Gelet op het vorenstaande acht het hof het redelijk om de ingangsdatum van de alimentatie ten behoeve van de kinderen overeenkomstig het verzoek van de vader te bepalen op 26 mei
- Het hof zal derhalve vanaf die datum bezien in hoeverre de draagkracht van de vader een bijdrage ten behoeve van de kinderen toelaat. Behoefte
- Partijen verschillen van mening over de behoefte van de kinderen. De vader stelt dat de behoefte van de kinderen tezamen op grond van zijn inkomen in 2005 is te stellen op € 337,50 per maand ofwel € 112,50 per maand per kind. De moeder stelt dat de rechtbank de behoefte van de kinderen bij beschikking van 12 juli 2005 heeft vastgesteld op € 350,- per maand per kind, zodat de behoefte in ieder geval niet op een lager bedrag kan worden vastgesteld.
- Het hof stelt voorop dat de rechtbank bij beschikking van 12 juli 2005 de behoefte van de kinderen niet heeft vastgesteld doch slechts heeft overwogen dat de behoefte van de kinderen aan een bijdrage als niet weersproken vaststaat. In beginsel is voor het vaststellen van de behoefte van de kinderen het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen bepalend. Aangezien de relatie van partijen in april 2004 is verbroken en zij geen gegevens in het geding hebben gebracht omtrent het toenmalige netto gezinsinkomen, acht het hof het redelijk om aan te sluiten bij de feitelijke kosten die de moeder thans voor de kinderen maakt. Het door de vader gestelde inkomen in 2005 kan, gezien het vorenstaande, niet als maatstaf worden genomen. Aangezien de moeder bij brief van 1 december 2011 als productie 2 een overzicht van de kosten van de kinderen in het geding heeft gebracht en het hof die kosten – totaal € 928,- per maand – redelijk acht, zal het hof de behoefte van de kinderen vaststellen op, afgerond, € 309,- per maand per kind. Draagkracht vader Het hof rondt af op hele bedragen.
- Bij het vaststellen van de draagkracht van de vader neemt het hof de als productie 6 bij zijn beroepschrift overgelegde draagkrachtberekening van 26 augustus 2011, welke berekening eveneens is overgelegd bij brief van 21 september 2011, als uitgangspunt.
- Het hof passeert de stelling van de moeder dat de vader naast zijn WAO-uitkering van € 1.710,- netto per maand inkomen heeft uit verhuur van paardenstallen en/of het geven van paardrijlessen. Nog afgezien van het feit dat de vader de stelling van de moeder heeft betwist en de moeder haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, acht het hof de stelling van de vader, dat hij in verband met zijn slechte gezondheidstoestand geen neveninkomsten kan genereren, aannemelijk. Het hof passeert de stelling van de moeder dat de vader in [naam land] samenwoont met mevrouw [naam vrouw] en dat hij derhalve de door hem opgevoerde woonlasten met mevrouw [naam vrouw] kan delen, aangezien de vader de samenwoning met mevrouw [naam vrouw] betwist en de moeder haar stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hof acht de stelling van de vader, dat mevrouw [naam vrouw] een vriendin is met wie hij geen affectieve relatie heeft en van wie hij een gedeelte van haar woning huurt tegen een huur van € 500,- per maand, voldoende aannemelijk. Het hof neemt die huur derhalve in aanmerking, waarop in mindering strekt de “gemiddelde basishuur” van € 210,-. Aangezien de moeder zich niet kan verenigen met de door de vader opgevoerde premie Zorgverzekeringswet, van in totaal € 400,- per maand en de vader geen recente gegevens met betrekking tot zijn premie in het geding heeft gebracht, acht het hof het redelijk om de bedragen in aanmerking te nemen zoals op zijn jaaropgave 2010 staan vermeld, te vermeerderen met de woonlandfactor en het verplicht eigen risico en te verminderen met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel Zorgverzekeringswet. Gelet hierop neemt het hof een bedrag van in totaal € 292,- per maand in aanmerking. Eventuele overige, niet vergoede ziektekosten van de vader laat het hof buiten beschouwing, aangezien deze geen voorrang verdienen boven de onderhoudsverplichting van de vader jegens de kinderen. Bovendien heeft [naam zorgverzekeraar] bij brief van april 2010 (productie 3 bij brief van 24 november 2011) aan de vader medegedeeld dat hij van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2011 recht heeft op (een vergoeding van de kosten voor) medische zorg in Nederland, zodat het hof er van uit gaat dat de vader de overige kosten op zijn zorgverzekering kan verhalen, dan wel die kosten uit zijn draagkrachtvrije ruimte dient te voldoen. Het hof houdt voorts rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, de op de vader toepasselijke heffingskorting(en) en een draagkrachtpercentage van
- Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader een alimentatie toelaat van € 25,- per maand per kind¬, zodat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd.
- Het vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof met zich – mede gelet op het feit dat de jongmeerderjarige een enkele keer via een uitzendbureau werkt, maar in februari 2012 weer zijn SPW-opleiding wil hervatten – dat ook de jongmeerderjarige recht heeft op voormelde maandelijkse bijdrage van € 25,--, nu de draagkracht van de vader daartoe ruimte laat.
- Dit alles leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende: bepaalt de door de vader aan de jongmeerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, alsmede de aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige kinderen met ingang van 26 mei 2011 op € 25,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Stille en Burgers-Thomassen, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2012.