GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 9 mei 2012 Zaaknummer : 200.103.079/01 Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-235 [De man], wonende te [woonplaats], [naam land], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest, tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 2 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 december 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage, welk hoger beroep bij het hof bekend is onder zaaknummer 200.103.076/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.103.079/01. De vrouw heeft op 29 maart 2012 een verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ingediend. De zaak is op 6 april 2012 mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking. Ter zitting waren aanwezig: - de advocaat van de man; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 april 2009 – de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 12 maart 2010 bepaald op € 1.850,- netto per maand, in de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE UITVOERBAAR BIJ VOORRAADVERKLARING VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De man verzoekt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking voor de duur van het hoger beroep te schorsen. 3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, subsidiair zijn verzoek af te wijzen en meer subsidiair zijn verzoek ongegrond te verklaren. 4. De man verzoekt schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad omdat de bestreden beschikking volgens hem op een feitelijke en dientengevolge tevens juridische misslag berust. De man voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte de door hem ontvangen ontslagvergoeding van de [naam organisatie] bij zijn inkomen in 2010 heeft betrokken en dusdoende ten onrechte is uitgegaan van een besteedbaar inkomen van € 13.000,- per maand. De man kan bovendien geen aanspraak maken op enige (aanvullende) uitkering, zodat hij zijn ontslagvergoeding geheel aan moet wenden ter substitutie van zijn weggevallen inkomen uit dienstbetrekking, welke vergoeding per 1 januari 2012 verbruikt zal zijn, althans per 1 september 2012 geheel opgesoupeerd zal zijn. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat van de man medegedeeld dat de man zijn ontslagvergoeding inmiddels mede heeft aangewend ter aflossing van zeer omvangrijke huwelijkse schulden en dat de vergoeding derhalve thans geheel opgesoupeerd is. Met ingang van 1 januari 2012 heeft de man als gevolg daarvan in het geheel geen draagkracht meer om alimentatie ten behoeve van de vrouw te voldoen. Indien de vrouw de bestreden beschikking executeert ontstaat er voor de man een noodtoestand. 5. De vrouw betwist dat er sprake is van een feitelijke en/of juridische misslag. Volgens haar heeft de man in eerste aanleg onvoldoende financiële stukken in het geding gebracht, althans uit de door de man ingediende stukken blijkt geenszins dat de bestreden beschikking enige misslag bevat. Nu de man ook in hoger beroep geen nieuwe gegevens in het geding heeft gebracht, heeft hij volgens de vrouw ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie. 6. Een uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem/haar – althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. 7. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.