GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 23 mei 2012 Zaaknummer : 200.104.114/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 11-2500
- [appellant], hierna te noemen: de vader, en
- [appellant], hierna te noemen: de moeder, beiden wonende te [woonplaats], verzoekers in hoger beroep, hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders, advocaat mr. J. de Haan te Utrecht, tegen de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland te Gouda, hierna te noemen: Jeugdzorg. Als belanghebbende zijn aangemerkt:
- de heer en mevrouw [X], wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,
- de heer en mevrouw [Y], wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,
- de heer en mevrouw [Z], wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,
- de heer en mevrouw [W], wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres, hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage, hierna te noemen: de raad. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De ouders zijn op 19 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage. Jeugdzorg heeft op 18 april 2012 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de ouders: - op 23 april 2012 een brief van 20 april 2012 met bijlagen; - op 25 april 2012 een brief van 24 april 2012 met bijlagen. De raad heeft bij brief van 2 april 2012 aan het hof medegedeeld niet ter terechtzitting te zullen verschijnen. De zaak is op 2 mei 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de ouders, bijgestaan door hun advocaat en een tolk, de heer Clo; - de heer J. Pappers (teamleider) en mevrouw P.M.N Uithol (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg. De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 31 oktober 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage. Bij tussenbeschikking van 31 oktober 2011 zijn, voor zover thans van belang, de ondertoezichtstelling van de minderjarigen: - [minderjarige A], geboren op [in 2000] te [geboorteplaats], [geboorteland] (hierna ook: [A]), - [miderjarige B], geboren op [in 2005] te [geboorteplaats], [geboorteland] (hierna ook: [B]), - [minderjarige C], geboren op [in 2007] te [geboorteplaats], [geboorteland] (hierna ook: [C]) en - [minderjarige D], geboren op [in 2009] te [woonplaats] (hierna ook: [D]), en de aan Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, verlengd van 2 november 2011 tot 31 december
- De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Bij bestreden beschikking zijn de ondertoezichtstelling van de minderjarigen en de aan Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd van 31 december 2011 tot 2 november
- De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat: - [A] sinds januari 2010 bij haar huidige pleegouders verblijft; - [B] sinds april 2010 bij zijn huidige pleegouders verblijft; - [C] sinds mei 2010 bij haar huidige pleegouders verblijft; - [D] sinds juli 2010 bij zijn huidige pleegouders verblijft. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen.
- De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de verzoeken tot machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen aan te houden en Jeugdzorg opdracht te geven om de indicatiebesluiten te herzien zodat wordt toegewerkt naar hereniging van de minderjarigen met de ouders; na een mondelinge toelichting ter zitting van de advocaat van de ouders leest het hof dat de ouders het hof verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de raad of een andere onafhankelijke partij onderzoek te laten doen naar de vraag of thuisplaatsing van de minderjarigen (op termijn) mogelijk is en hoe hiernaar kan worden toegewerkt. Subsidiair verzoeken de ouders de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in duur te beperken tot maximaal zes maanden.
- Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep af te wijzen.
- De ouders voeren het volgende aan. Zij bestrijden ten zeerste dat zij ongeschikt zijn de minderjarigen op te voeden. Zij onderkennen dat de normen en waarden vanuit hun achtergrond anders zijn dan de Nederlandse maatstaven en proberen zich hieraan aan te passen. Dit vergt evenwel tijd en intensieve begeleiding. In het verleden heeft ICF zich hierop toegelegd en ook vanuit de [bevolkingsgroep]-community in Nederland is men bereid de ouders hierin bij te staan. De ouders menen dat het ook een verplichting is van Jeugdzorg om om te zien naar geschikte middelen om hen te begeleiden in hun rol als opvoeders. Door de door Jeugdzorg gehanteerde handelwijze vervreemden de minderjarigen evenwel steeds verder van hun ouders en hun cultuur. Volgens de ouders handelt Jeugdzorg daarmee in strijd met artikel 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de artikelen 7, 9 lid 3 en 30 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). De ouders stellen zich op het standpunt dat Jeugdzorg in de indicatiebesluiten dient aan te geven op welke wijze de minderjarigen hun ouders en hun cultuur kunnen leren kennen, hoe de minderjarigen regelmatig contact met de ouders kunnen houden en - meer in het bijzonder - op welke wijze de ouders kunnen worden begeleid in de opvoeding van de minderjarigen. Hiertoe dient de verlenging van de machtigen tot uithuisplaatsing te worden aangehouden, althans in duur te worden beperkt, aldus de ouders.
- Jeugdzorg is van mening dat gezien de ontwikkelingsgeschiedenis van de minderjarigen (waarin bij [A] en [B] sprake is geweest van mishandeling en bij [D] van een groeistoornis als gevolg van emotionele verwaarlozing), de in de visie van Jeugdzorg gebleken ontoereikende pedagogische vaardigheden van de ouders, de inzet van meerdere hulpverlening en de gebleken beperkte leerbaarheid van de ouders het belang van de minderjarigen is gelegen in voortzetting van de uithuisplaatsing bij de pleeggezinnen waar zij thans verblijven. Gebleken is dat de minderjarigen zich daar positief ontwikkelen. Jeugdzorg onderkent de door de ouders genoemde rechten zoals neergelegd in het EVRM en IVRK. Als dit het belang van de minderjarigen dient, vindt er ook een structurele bezoekregeling plaats, waarbij uitbreiding niet is uitgesloten. Ook is er met de ouders, het netwerk en betrokkenen een plan gemaakt om de [bevolkingsgroep]-cultuur over te brengen op de kinderen. Het primaire ontwikkelingsbelang van de minderjarigen vergt evenwel een stabiele, veilige en stimulerende opvoedingsomgeving. Deze omgeving wordt door de pleegouders geboden. In dat licht zijn de indicatiebesluiten opgesteld. Deze besluiten zijn de professionele visie van Jeugdzorg op het ontwikkeling- en hulpverleningsbelang van de minderjarigen.
- Het hof stelt voorop dat de duur van een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261 lid 1 van het BW slechts kan worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds bestaan. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid
- Het hof verenigt zich met het oordeel van de kinderrechter dat de wettelijke gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing nog altijd aanwezig zijn. Het hof neemt de gronden waarop dit oordeel van de kinderrechter berust over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen of naar voren gekomen die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De opvoedingsvaardigheden van de ouders zijn – ondanks de geboden hulp – nog immer beperkt en zij hebben onvoldoende oog voor de belangen van de minderjarigen. Bovendien kunnen de ouders en de minderjarigen als gevolg van een taalbarrière niet of nauwelijks met elkaar communiceren. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de minderjarigen zich positief ontwikkelen in de huidige pleeggezinnen. Deze ontwikkeling moet naar het oordeel van het hof niet worden doorbroken. Ten aanzien van de in hoger beroep opgeworpen stelling van de ouders dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen inbreuk maakt op artikel 8 EVRM en de artikelen 7, 9 lid 3 en 30 IVRK, wordt nog opgemerkt dat de gestelde inbreuk naar het oordeel van het hof wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarigen.
- Mede in het licht van het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden en de raad of een andere onafhankelijke partij onderzoek te laten doen naar de vraag of thuisplaatsing van de minderjarigen tot de mogelijkheden behoort. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen een (hernieuwd) onderzoek aangezien dit – gelet op hun voorgeschiedenis en problematiek – als te belastend zal worden ervaren.
- Niettegenstaande het voorgaande vertrouwt het hof erop dat partijen en alle overige bij het gezin betrokken hulpverleners zich tot het uiterste zullen inspannen om de minderjarigen kennis over hun culturele achtergrond bij te brengen en dat daarmee op korte termijn zal worden begonnen. Het hof acht dit van groot belang voor de vorming van de identiteit van de minderjarigen.
- Uit het voorgaande volgt dat de verzoeken van de ouders worden afgewezen en de bestreden beschikking – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – wordt bekrachtigd. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Punselie en Van Wijk bijge¬staan door mr. Imthorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2012.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.