GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 23 mei 2012 Zaaknummer : 200.104.243/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8214 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. E.R. Schenkhuizen te ‘s-Gravenhage, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. T.G. Brown-Knip te Zoetermeer. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 21 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 december 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage, ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.104.241/01. De man heeft tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 27december 2011 ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.104.243/01. De moeder heeft op 11 april 2012 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 29 maart 2012 een faxbericht met bijlage; - op 3 april 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen. De zaak is op 3 mei 2012 mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de door de man met ingang van 18 juni 2011 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2002 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), bepaald op € 400,-- per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De man verzoekt het hof de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak. 3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen. 4. De man stelt dat onverkorte tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking ertoe zal leiden dat hij in nog grotere betalingsmoeilijkheden komt te verkeren dan thans reeds het geval is. Hij komt maandelijks te kort om de lopende lasten te voldoen en is nauwelijks in staat om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man heeft van zijn werkgever vernomen dat zijn tijdelijke dienstverband niet zal worden omgezet in een vast dienstverband en dat die arbeidsovereenkomst definitief eindigt met ingang van 1 september 2012. Hij heeft geen uitzicht op een andere baan. Met ingang van 1 september 2012 verwacht hij in de WW terecht te komen. Verder heeft de rechtbank het verzoek van de moeder als niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen, zonder te beschikken over de financiële gegevens van de man. Het verzoek van de moeder tot het betalen van een bijdrage van € 400,-- per maand is als onweersproken - de man is in eerste aanleg niet verschenen - door de rechtbank toegewezen. De door de moeder gestelde draagkracht van de man is in eerste aanleg noch onderbouwd noch onderzocht en de thans door hem in hoger beroep overgelegde financiële bescheiden maken voldoende duidelijk dat sprake is geweest van een feitelijke misslag. 5. De moeder heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Ter terechtzitting is namens de moeder gesteld dat de man wel degelijk voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank bepaalde kinderalimentatie te betalen. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.