GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 23 mei 2012 Zaaknummer : 200.104.304/01 Rekestnummer rechtbank : F1 RK 11-705 [appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. M.E.T. Mijs-Zillikens te Rotterdam, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], [land], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.J.A. van Schaik te Rotterdam. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 20 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2011 van de rechtbank Rotterdam, ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.104.300/01. De man heeft tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 21 december 2011 ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.104.304/01. De vrouw heeft op 11 april 2012 een verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 21 december 2011 ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 24 april 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen; - op 24 april 2012 een tweede brief van diezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de vrouw: - op 1 mei 2012 een faxbericht. De zaak is op 3 mei 2012 mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Ter zitting was aanwezig de advocaat van de man. De man, de vrouw en de advocaat van de vrouw zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 25 augustus 2008 van de rechtbank Rotterdam. Bij beschikking van 25 augustus 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de tussen partijen getroffen regelingen zoals neergelegd in het door partijen op 9 juni 2008 ondertekende convenant opgenomen in de beschikking. In voormeld convenant hebben partijen onder meer over en weer nadrukkelijk afstand gedaan van een recht op een uitkering tot levensonderhoud. Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, met wijziging in zoverre van de beschikking van 25 augustus 2008, bepaald dat met ingang van 21 december 2011 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) wordt toegekend van € 840,-- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen. Daarbij is verstaan dat gemelde uitkering jaarlijks, met ingang van 1 januari 2013, wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ten aanzien van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. 2. De man verzoekt het hof de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking - voor zover daarbij een partneralimentatie van € 840,- per maand is bepaald - te schorsen. 3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking af te wijzen. 4. De man stelt dat de vrouw, mede gelet op de belangen van de man die door een eventuele executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep in de hoofdzaak tot tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking over te gaan, dan wel misbruik maakt van haar bevoegdheid indien zij tot executie overgaat. De man voert daartoe aan dat de rechtbank bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte rekening heeft gehouden met inkomsten uit arbeid, nu hij heeft aangetoond dat zijn dienstverband bij [X] B.V. is geëindigd op 31 mei 2011, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is. Hij ontvangt per voormelde datum slechts inkomsten uit een uitkering uit hoofde van de Algemene Ouderdomswet en uit hoofde van pensioenen. Er is dan ook sprake van een feitelijke misslag. De man stelt een zeer geringe draagkracht te hebben. Ter zitting heeft de man zijn grief met betrekking tot de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw in het kader van het schorsingsincident ingetrokken. 5. De vrouw erkent dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte rekening heeft gehouden met een inkomen uit dienstbetrekking bij [X] B.V. Dit brengt in de visie van de vrouw echter niet vanzelfsprekend met zich dat de man geen draagkracht heeft om in haar behoefte te voorzien. De vrouw betwist daartoe verschillende posten van de door de man overgelegde draagkrachtberekening. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.