GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector handel Rolnummer : 200.104.670/01 Rolnummer Rechtbank : 1127013 RL EXPL 11-36615 arrest van 25 september 2012 inzake [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: [appellante], advocaat: mr. K. Aantjes te Rijswijk, tegen CENTRAAL BUREAU VOOR DE STATISTIEK, gevestigd te Den Haag, geïntimeerde, hierna te noemen: CBS, advocaat: mr. R.J.A. Dil te Utrecht. Het geding 1. Het hof verwijst naar zijn arrest van 15 mei 2012 waarbij een comparitie van partijen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling is bepaald. De comparitie is gehouden op 5 juli 2012, waarvan proces-verbaal. Ter comparitie is aan [appellante] akte verleend van het bij monde van haar raadsman mr. Aantjes gedane verzoek tot vermindering van eis, inhoudend - kort gezegd – intrekking van de vordering tot toekenning van een voorschot ad € 25.000,--. Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft CBS (tijdig) zijn memorie van antwoord aan [appellante] en het hof doen toekomen. De stukken gewisseld zijnde is de zaak verwezen naar de rol voor arrest. Beoordeling van het hoger beroep 2.1 Tegen de door de rechtbank in haar vonnis van 21 december 2011 vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Het gaat in daarbij, voor zover in het geding tussen [appellante] en CBS van belang, om het volgende. 2.2 [appellante], geboren [in] 1958, is op basis van een met Manpower Uitzendorganisatie gesloten detacheringsovereenkomst sedert 19 november 2009 in de functie van projectmedewerker werkzaam geweest bij CBS. 2.3 Op 6 april 2010 is [appellante] bij het verlaten van het kantoor van CBS aan de Henri Faasdreef 312 te Den Haag ten val gekomen, met ernstig polsletsel tot gevolg. [appellante] heeft CBS aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en te lijden schade. 2.4 CBS is geen eigenaar van het gebouw waarin zijn kantoor is gevestigd. CBS is hoofdhuurder, maar ook andere huurders maken gebruik van het gebouw. De facilitaire dienst van CBS heeft de zorg over het onderhoud van het voorterrein. 3.1 [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd CBS (en Manpower Nederland hoofdelijk) te veroordelen tot vergoeding van de door haar ten gevolge van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en bij wijze van voorschot daarop voorlopig aan [appellante] te voldoen de som van € 25.000,00, met veroordeling van CBS (en Manpower Nederland) in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het te wijzen vonnis. 3.2 [appellante] legde naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten aan haar vordering jegens CBS ten grondslag dat zij is gevallen over losliggende kiezelstenen, die deel uitmaken van de bestrating van het CBS-terrein c.q. door in de zogenaamde grintstroken van die bestrating ontstane gaten. Uit hoofde van artikel 7:658 lid 1 jo. 4 BW was CBS verplicht de werkplek zodanig in te richten dat voorkomen zou worden dat [appellante] in de uitoefening van haar werkzaamheden schade lijdt, welke verplichting CBS niet is nagekomen. CBS als bezitter is, aldus [appellante], bovendien aansprakelijk uit hoofde van artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 BW nu het voorterrein niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. 3.3 Op het door CBS gevoerde verweer heeft de kantonrechter bij vonnis van 21 december 2011 de vorderingen van [appellante] afgewezen. De kantonrechter, tot uitgangspunt nemend dat in het licht van hetgeen partijen over en weer met betrekking tot de toedracht van het ongeval naar voren hebben gebracht de door [appellante] geschetste toedracht daarvan als tussen partijen vaststaand kan worden aangenomen, oordeelde daartoe (samengevat) onder verwijzing naar rov. 3.4.3 van het HR-arrest van 11 november 2011 (LJN: BR5215), dat het voorterrein van het pand van het CBS niet kan worden gekwalificeerd als ‘werkplek’ in de zin van artikel 7:658 BW. Gesteld noch gebleken is dat werknemers van het CBS het voorterrein gebruiken ter uitoefening van de aan hen door het CBS opgedragen werkzaamheden. De enkele omstandigheid dat [appellante] zich ten tijde van het ongeval op slechts 20 meter van de hoofdingang van het pand van het CBS bevond, maakt dit niet anders. [appellante] had op het moment dat zij het pand van het CBS verliet, haar werkzaamheden voor het CBS voor die dag definitief beëindigd en zij bevond zich niet op het voorterrein ter uitoefening van haar werkzaamheden. Aldus komt [appellante] geen beroep op artikel 7:658 BW toe. De enkele omstandigheid dat de facilitaire dienst van het CBS het onderhoud van het voorterrein op zich heeft genomen, maakt dit niet anders, nu dat onderhoud niet wordt uitgevoerd ter uitvoering van de op het CBS rustende zorgplicht van artikel 7:658 BW. De gestelde opstalaansprakelijkheid van het CBS op grond van artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 lid 1 i.f. BW werd door de kantonrechter naar de maatstaf van HR 26 november 2010, LJN: BM9757, afgewezen met het oordeel dat het ontstaan van het gebrek – het loslaten van de verlijmde kiezelstenen, waardoor deze los op het voorterrein terechtkomen – niet in enig causaal verband staat met de bedrijfsuitoefening door het CBS welke in het pand van het CBS plaatsvindt. 4.1 [appellante] is, onder het aanvoeren van drie grieven, van vermeld vonnis in beroep gekomen. Zij verzoekt het hof het vonnis van 21 december 2011 van de rechtbank te vernietigen en – na vermindering van eis als vermeld in rov. 1. van dit arrest - CBS alsnog te veroordelen aan [appellante] te vergoeden alle door haar ten gevolge van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2009, althans vanaf de inleidende dagvaarding, met veroordeling van CBS in de kosten van het geding in beide instanties. 4.2 Grief I keert zich met een uitvoerig citaat uit HR 12 december 2008, LJN BD3129, tegen de afwijzing van de vordering voorzover deze is gegrond op artikel 7:658 BW, grief II is gekant tegen de afwijzing van de vordering voorzover deze is gebaseerd op artikel 6:174 in verbinding met artikel 6:181 BW en grief III klaagt over het oordeel van de rechtbank dat [appellante] heeft nagelaten andere gronden aan te voeren. Het hof zal deze grieven voorzover nodig hierna beoordelen. 4.3.1 Ten aanzien van grief I neemt het hof met de kantonrechter tot uitgangspunt dat in het licht van hetgeen partijen over en weer met betrekking tot de toedracht van het ongeval naar voren hebben gebracht de door [appellante] geschetste toedracht daarvan (thans) als vaststaand kan worden aangenomen: CBS heeft (MvA sub 5) het causaal verband tussen het letsel dat [appellante] is overkomen en een (curs. hof) ongelukkige valpartij na werktijd op 6 april 2010, niet betwist, maar heeft betwist dat het ongeval daadwerkelijk op het voorplein aan de voorzijde van het kantoorgebouw van CBS heeft plaatsgevonden. Voor zover niet reeds met de kantonrechter geoordeeld moet worden dat dit verweer van CBS tardief is nu CBS bij CvA sub 6 en 7 reeds heeft erkend als bedoeld in artikel 154 Rv. dat [appellante] aldaar ten val gekomen is, mede in het licht van het verloop van het processuele debat van partijen – waaronder bedoelde passages uit de CvA – is hetgeen CBS heeft aangevoerd (ten minste) een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van [appellante]. Het hof herinnert eraan dat naar vaste rechtspraak (HR 17 november 2000, LJN AA8369, HR 27 april 2007, LJN AZ6717) van een werkgever, die op grond van artikel 7:658 lid 2 BW door een werknemer wordt aangesproken, in het kader van de motivering van de betwisting van de stellingen van de werknemer mag worden gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen. Het hof oordeelt daarbij ook het volgende van belang. CBS (mr. Barendswaard) heeft ter zitting in eerste aanleg gezegd dat “(v)erschillende mensen van het CBS hebben verklaard dat [appellante] tegen een auto geleund stond, buiten het terrein van CBS (…)” en “(d)e mevrouw van de receptie heeft [appellante] niet (zien) vallen. Zij zag alleen dat [appellante] bij de auto stond” hetgeen in hoger beroep is veranderd in “tegen de auto zien leunen.” Schriftelijke verklaringen van de door [appellante] bedoelde “blonde vrouw van de receptie” of de “lange, kale man van de security”, welke aanduidingen voor CBS (mr. Barendswaard) naar de waarnemening van de raadsheer-commissaris ter zitting in hoger beroep kennelijk voldoende duidelijk waren om te weten dat daarmee door [appellante] werd gedoeld op de twee medewerkers waarmee mr. Barendswaard reeds zou hebben gesproken, zijn niet overgelegd, noch is er navraag gedaan bij de leidinggevende van [appellante], [naam leidinggevende], naar een of meer (eerdere) ongevallen. Het hof wijst erop dat reeds de ‘Commissie advisering bezwaarschriften personeelsleden CBS’ CBS adviseerde nader onderzoek te doen en CBS daaraan geen uitvoering heeft gegeven. Voorts heeft CBS de door [appellante] voorafgaande aan de comparitie van partijen in eerste aanleg overgelegde getuigenverklaring van haar partner [naam partner] niet (gemotiveerd) betwist. CBS heeft slechts geconcludeerd dat “derhalve niet met zekerheid vast te stellen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.