GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 1 augustus 2012, geminuteerd op 8 augustus 2012 Zaaknummer : 200.101.939/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 11-2737 [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat voorheen mr. L.A. Middelkoop te Rotterdam, tegen de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbende zijn aangemerkt: 1. [belanghebbende 1], wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de vader van [minderjarige 1], 2. [belanghebbende 2], wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de vader van [minderjarige 2 en 3], 3. [belanghebbende 3 en 4], wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 4], 4. [belanghebbende 5] wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de pleegmoeder van [minderjarige 1], 5. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, kantoorhoudende te Rotterdam, hierna te noemen: Jeugdzorg. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 10 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 november 2011 van de rechtbank Rotterdam. Op 5 april 2012 heeft de moeder een nadere onderbouwing van haar beroepschrift bij het hof ingediend. De raad heeft op 13 maart 2012 een verweerschrift ingediend en op 30 juli 2012 een verweerschrift ten aanzien van de nadere onderbouwing van de moeder. Jeugdzorg heeft op 22 maart 2012 een verweerschrift ingediend en op 27 juli 2012 een verweerschrift ten aanzien van de nadere onderbouwing van de moeder. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de moeder: - op 3 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage; - op 18 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen; De zaak is op 1 augustus 2012 mondeling behandeld. De behandeling heeft zich geconcentreerd op de vraag of het beroep ontvankelijk te achten is. Ter zitting waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - mevrouw A. Timmers en mevrouw A. van Veen namens de raad; - de vader van [minderjarige 2 en 3]; - de pleegmoeder van [minderjarige 1]; - de pleegzorgbegeleidster van de pleegouders van [minderjarige 4], mevrouw E. Brouwer; - Mevrouw S. Groeneboom en mevrouw W.J. Lamers namens Jeugdzorg. De vader van [minderjarige 1], en de pleegouders van [minderjarige 4] zijn hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij de beschikking is de moeder ontheven van het gezag over de minderjarigen: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1]), - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 2]), - [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 3] en - [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 4]), hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. Verder is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 4]. De moeder is veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording te doen van het gevoerde bewind over het vermogen van de minderjarigen. Voorts is vastgesteld dat de vader van [minderjarige 2 en 3] ingevolge de ontheffing van de moeder van het gezag over [minderjarige 2 en 3] en het bepaalde in artikel 1:274, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voortaan alleen het gezag over [minderjarige 2 en 3] uitoefent. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen. 2. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek strekkende tot ontheffing van het ouderlijk gezag af te wijzen. 3. De raad bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het ingestelde hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. ONTVANKELIJKHEID 5. De moeder heeft in haar beroepschrift, ingekomen bij het hof op 10 februari 2012, de volgende nog met nadere gronden te onderbouwen en nog aan te vullen grief naar voren gebracht: “Ten onrechte heeft de rechtbank Rotterdam de moeder van het ouderlijk gezag ontheven, terwijl niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen.” 6. De raad heeft in het verweerschrift van 13 maart 2012 primair geconcludeerd tot niet- ontvankelijkheid van de moeder. De raad stelt dat, nu de grief onvoldoende is gemotiveerd, het voor de raad onvoldoende duidelijk is waartegen verweer gevoerd dient te worden. Subsidiair, voor het geval het hof de moeder ontvankelijk verklaart in het hoger beroep, voert de raad verweer door in algemene zin naar het uitgebrachte raadsrapport te verwijzen en naar de bestreden beschikking. 7. Het hof heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 1 augustus 2012 de (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.