GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector civiel Zaaknummer : 200.077.239/01 Rolnummer rechtbank : 332696/HA ZA 09-1668 arrest van de familiekamer van 13 november 2012 in de zaak van: [de kinderen] allen wonende te [woonplaats] appellanten, advocaat: mr. G.M. van den Bergh te Dordrecht tegen [de vrouw], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. M.E.H. Dumont te Rotterdam. HET VERLOOP VAN HET GEDING Procesverloop in hoger beroep 1. Appellanten zijn bij exploot van 11 november 2010 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Rotterdam, op 8 september 2010 tussen appellanten als eisers en geïntimeerde als gedaagde gewezen. 2. Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter te Schiedam op 26 mei 2009 in het incident op de voet van artikel 98 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna ook Rv), alsmede naar de vonnissen van de rechtbank te Rotterdam van 20 januari 2010 en het vonnis waarvan beroep. 3. Op 11 januari 2010 hebben appellanten, hierna ook te noemen [de kinderen], een memorie van grieven, met producties, genomen. Zij hebben vijf grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de navolgende vorderingen van appellanten geheel zal toewijzen, aldus: dat het hof primair: a. zal verklaren voor recht dat de [de vader] in het op 17 april 2008 in Portugal opgemaakte testament zijn uiterste wil verklaart en hij alle testamenten die voor deze datum door hem zijn gemaakt herroept, waardoor zijn testamenten van voor die datum zijn komen te vervallen; b. zal verklaren voor recht dat geïntimeerde blijkens haar handelen het executeurschap heeft aanvaard; c. geïntimeerde zal ontslaan uit haar functie van executeur; d. geïntimeerde zal veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep; subsidiair: e. indien de vordering onder b niet zal worden toegewezen, geïntimeerde een termijn van 2 maanden zal stellen waarbinnen zij schriftelijk uitsluitsel geeft over de aanvaarding van haar benoeming tot executeur en na afloop waarvan de benoeming niet meer kan worden aanvaard; f. geïntimeerde zal veroordelen om binnen een door het hof te bepalen termijn een notariële boedelbeschrijving op te maken indien zij haar benoeming tot executeur aanvaardt; meer subsidiair: g. indien de vordering onder c niet zal worden toegewezen, geïntimeerde zal veroordelen om binnen een door hem te bepalen termijn een notariële boedelbeschrijving op te laten maken. 4. Bij akte inbreng producties tevens inhoudende vermindering van eis hebben [de kinderen] op 22 februari 2011 hun eis verminderd door intrekking van de hiervoor genoemde onderdelen b en e. 5. Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde, hierna ook te noemen [de vrouw], op 21 juni 2011 de grieven bestreden met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, de vorderingen van appellanten zal afwijzen en appellanten zal veroordelen in de kosten in beide instanties. 6. Op 27 januari 2012 zijn de zaken bepleit door der partijen advocaten. 7. [De kinderen] hebben arrest gevraagd, waarna partijen ieder hun procesdossier aan het hof hebben overgelegd. Het arrest is uiteindelijk bepaald op heden. De feiten 8. Tegen de door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Beoordeling van het hoger beroep Grieven I, II en III 9. Met de eerste, de tweede en de derde grief richten [de kinderen] zich tegen rechtsoverweging 5.3., laatste regel, van het bestreden vonnis, inhoudende dat [de vrouw] haar benoeming tot executeur ‘tot nu toe niet heeft (...) aanvaard’. 10. Het hof stelt voorop dat procedures met betrekking tot de aanvaarding en beëindiging van de hoedanigheid van executeur bij verzoekschrift moeten worden ingediend bij de kantonrechter, als de absoluut bevoegde rechter. In eerste aanleg is het geding bij dagvaarding aangebracht bij de kantonrechter te Schiedam. Bij vonnis van 26 mei 2009 heeft deze zich ten aanzien van de toen aan de orde zijnde vordering welke zag op de afgifte van de urn – in hoger beroep niet meer aan de orde – en tevens op de positie van de executeur, onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank te Rotterdam. 11. Uit de stellingen van [de vrouw] zoals verwoord in de memorie van antwoord en van [de kinderen] bij akte inbreng producties tevens inhoudende vermindering van eis, leidt het hof af dat [de vrouw] haar benoeming tot executeur heeft aanvaard. Nu [de kinderen] bovendien hun vordering ten aanzien van de aanvaarding van de hoedanigheid hebben ingetrokken, komt het hof aan een beoordeling van die onderdelen niet meer toe en zal het hof om proceseconomische redenen dit onderdeel niet verwijzen naar de verzoekschriftprocedure en volstaan met vorenstaande vaststelling. 12. Aangezien vaststaat dat [de vrouw] haar hoedanigheid van executeur heeft aanvaard, komt het primaire verzoek tot haar ontslag als executeur om gewichtige redenen aan de orde en subsidiair het verzoek te bepalen dat [de vrouw] als executeur binnen een door het hof te bepalen termijn een notariële boedelbeschrijving zal dienen te maken. 13. Omdat het verzoek ten onrechte bij dagvaarding en niet bij verzoekschrift is gedaan, zal het hof dit onderdeel op de voet van artikel 69 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de staat waarin het zich thans bevindt verwijzen naar de verzoekschriftprocedure. Terzijde merkt het hof op dat de verwijzing van de verzoeken met betrekking tot de positie van de executeur naar de rechtbank als absoluut bevoegde rechter – gezien het in artikel 4:149 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalde - ten onrechte is geschied. Grief IV 14. De vierde grief heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 5.5. van het bestreden vonnis: De rechtbank is verder van oordeel, dat de twee testamenten naast elkaar begrijpelijk zijn en dat er slechts sprake is van een afwijking van het eerste (Nederlandse) testament, in deze zin, dat de kinderen bij het tweede testament worden benoemd als erfgenamen in de blote eigendom van onroerend goed in Portugal. De rechtbank constateert dan ook dat er geen innerlijke tegenstrijdigheid tussen de twee testamenten bestaat en dat deze als elkaar aanvullend zonder bezwaar door een (Nederlandse) notaris thans kunnen worden afgewikkeld, nu er ook overigens geen beletselen bestaan. Naar de stellingen van [de kinderen] gaat de rechtbank daarmee voorbij aan het feit dat erflater in zijn ten overstaan van een Portugese notaris op 17 april 2008 verleden uiterste wil, alle door hem voordien gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroept, in het bijzonder – zo begrijpt het hof – de uiterste wil door hem op 19 december 2005 ten overstaan van een Nederlandse notaris verleden. 15. Uit de toelichting op deze grief begrijpt het hof dat [de kinderen] met deze grief mede het oog hebben op de uitleg van de uiterste wilsbeschikking van 17 april 2008 (hierna ook: het Portugese testament). 16. [De vrouw] heeft in de memorie van antwoord daartegen aangevoerd dat [de kinderen] niet- ontvankelijk zijn in hun vordering in hoger beroep zoals vorenstaand in punt 3 onder a (primair) weergegeven, omdat in eerste aanleg niets is gevorderd omtrent de uitleg van de testamenten en daarover ook niets is gezegd in het dictum van het vonnis waarvan beroep. [De vrouw] voegt daar aan toe dat hier geen sprake is van een wijziging of vermeerdering van eis, maar van een totaal nieuw verzoek. Daarmee wordt [de vrouw] het recht ontnomen op een behandeling in twee instanties van dit verzoek. 17. Het hof stelt vast dat de gevolgen van het Portugese testament in eerste aanleg aan de orde zijn gesteld door [de kinderen] (punt 18 van de inleidende dagvaarding). Daarop heeft [de vrouw] verweer gevoerd (onderdeel III conclusie van antwoord). Dat het petitum in eerste aanleg daaraan geen gevolgen verbond, maakt zulks niet anders. Het debat tussen partijen heeft geleid tot de rechtsoverweging 5.5 in het bestreden vonnis, waartegen de vierde grief is gericht. In zoverre kan dan ook niet worden gezegd dat sprake is van een nieuwe vordering, doch wel van een wijziging of vermeerdering van eis. Nu tegen dit laatste geen procesrechtelijke bezwaren zijn ingebracht door [de vrouw], zal het hof thans ingaan op hetgeen in deze grief wordt aangevoerd. 18. De navolgende feiten en omstandigheden zijn van belang. Erflater en [de vrouw] hebben vanaf oktober 1990 tot aan erflaters overlijden te [woonplaats] [in 2008] met elkander samengeleefd. Zij hebben op 1 februari 1995 bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst gesloten, onder meer inhoudende: Artikel 7. 1. Indien (...) de overeenkomst eindigt door overlijden van één van partijen, verblijven alle gemeenschappelijke goederen en schulden aan de andere partij. (...) Erflater heeft in zijn uiterste wilsbeschikking van 19 december 2005 (hierna ook het Nederlandse testament) bepaald: I. ALGEMENE BEPALINGEN Begripsbepaling a. In dit testament wordt onder ‘mijn partner’ verstaan: [de vrouw] (...). II. BEPALINGEN OMTRENT VERKRIJGINGEN Erfstelling Ik benoem tot mijn enige erfgenaam mijn partner en bepaal uitdrukkelijk dat ook mijn in het buitenland gelegen goederen onder deze erfstelling vallen en door mijn partner als erfgenaam zullen worden verkregen, onverminderd de in dit testament opgenomen bijzondere regelingen met betrekking tot deze erfstelling. (...). Tweetrapsmaking Benoeming langstlevende en kinderen. Eerste trap: de langstlevende Ik bepaal dat mijn partner – hierna ook te noemen de bezwaarde – is benoemd onder de hierna vermelde ontbindende voorwaarde. Subsidiaire erfstelling en plaatsvervulling Indien de bezwaarde vóór of gelijktijdig met mij overlijdt of mijn nalatenschap verwerpt, benoem ik in haar plaats mijn kinderen gezamenlijk en voor gelijke delen tot mijn erfgenamen. De onderhavige tweetrapsmaking vervalt in dat geval. (...) Tweede trap: de kinderen Ik benoem de hier te noemen verwachters tot erfgenamen onder de bij de ontbindende voorwaarde aansluitende opschortende voorwaarde. Verwachters zijn: mijn kinderen en het kind van mijn partner, gezamenlijk en voor gelijke delen. (...) Strekking van de tweetrapsmaking Al wat mijn partner als bezwaarde bij het einde van haar recht van de verkrijging nalaat, zal, binnen het kader van het hierna bepaalde toekomen aan de hierboven genoemde kinderen als verwachters. (...) Executele Benoeming Ik benoem mijn partner tot executeur. (...) Erflaters advocaat in Portugal, Bruno Fermin Melo, hierna ook Melo, heeft aan erflater op 12 maart 2008 ge-e-maild: Ik heb uw document ontvangen maar helaas is deze vaststellingsovereenkomst niet geldig in Portugal. Mijn advies is om voor de bezittingen een (het hof leest:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.