GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Zaaknummer : 200.107.737/01 Zaak-/rolnummer rechtbank : 399373 / KG ZA 12-268 arrest d.d. 4 december 2012 inzake 1. [Naam], 2. [Naam], beiden wonende te Rotterdam, appellanten, hierna respectievelijk te noemen: [appellant 1] en [appellant 2] en gezamenlijk [appellanten], advocaat: mr. N. Schuerman te Rotterdam, tegen Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Havensteder, advocaat: mr. C.P. van den Berg te Rotterdam. Het geding Bij exploot van 25 mei 2012 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 8 mei 2012. In het exploot heeft [appellanten] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft Havensteder de grieven bestreden. Op 6 juli 2012 hebben partijen hun zaak doen bepleiten. Partijen hebben vervolgens getracht hun geschil op te lossen conform de ter zitting overeengekomen afspraken, zoals neergelegd in het van de pleitzitting opgemaakte proces-verbaal. Bij brief van 28 september 2012 heeft Havensteder aan het hof bericht dat partijen niet tot een aanvaardbare oplossing zijn gekomen en heeft verzocht (conform afspraak) een comparitie van partijen te gelasten. Deze comparitie heeft op 5 november 2012 plaatsgevonden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Tussen Havensteder als verhuurder en [appellanten] als huurder bestaat sinds 1 februari 2010 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met betrekking tot de woonruimte aan de […] te […] (verder: de woning). [appellanten] bewoont de woning samen met zijn drie kinderen van respectievelijk 9, 7 en 2 jaar oud. 3. In de woonkamer en de keuken van de woning ligt laminaat met een zachte ondervloer die geluidstechnisch voldoet. De slaapkamers van de woning zijn slechts voorzien van zeil zonder zachte ondervloer. 4. Bij het bestreden vonnis is [appellanten] veroordeeld tot - zakelijk weergegeven - ontruiming van de woning binnen vier weken in verband met aanhoudende overlast. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de rechter in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen, omdat voorshands in voldoende mate is komen vast te staan dat sinds medio juli 2010 sprake is van aanhoudende en ernstige geluidsoverlast, zowel overdag als tot aan het begin van de nacht, veroorzaakt door [appellanten] en/of zijn drie minderjarige kinderen. Met betrekking tot die overlastklachten is - zo overwoog de voorzieningenrechter - geregeld contact geweest met [appellanten] en zijn - op initiatief van Havensteder - bemiddelings- en/of hulpverleningstrajecten in gang gezet. Dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. De voorzieningenrechter achtte meer in het bijzonder aannemelijk dat de overlast in overwegende mate is veroorzaakt door de kinderen van [appellanten] die stampen en/of bonken op de vloer en/of tegen de muren van de woning en rennend in de woning voetbal spelen, welke vorm van overlast nog eens wordt versterkt door de zich in (de slaapkamers van) de woning bevindende slecht geïsoleerde vloeren. Voorts achtte de voorzieningenrechter aannemelijk dat de overlast (mede) is veroorzaakt door hard geschreeuw en/of gekrijs van [appellanten] en/of zijn kinderen en dat [appellant 1] zich (in het verleden) jegens direct omwonenden en een medewerker van Havensteder intimiderend, agressief en zelfs bedreigend heeft gedragen. 5. Bij exploot van 13 juni 2012 heeft Havensteder de ontruiming aangezegd op 12 juli 2012. 6. In hoger beroep vordert [appellanten] vernietiging van het bestreden vonnis, en afwijzing van de inleidende vorderingen van Havensteder. De grieven van [appellanten] zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Havensteden haar spoedeisend belang bij haar vordering voldoende aannemelijk heeft gemaakt (de eerste klachten dateren immers van juli 2010, van toenemende overlast is niet gebleken en de recente klachten over overlast komen van slechts één omwonende) en tegen het oordeel dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de rechter in een bodemprocedure de ontbinding zal toewijzen. [appellanten] betwist niet alleen de ernst van de overlast, maar meent tevens dat de gevolgen van een ontruiming voor hem zo ingrijpend zijn, dat de ernst van de situatie deze gevolgen niet rechtvaardigt. Hij wijst er daarbij met name op dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.