← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2629

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 3 oktober 2012 Zaaknummer : 200.109.673/01 en 200.109.675/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-272

  1. [appellant 1], en
  2. [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers in hoger beroep, hierna te noemen: de ouders, advocaat mr. D.M.S. van der Wulp te Werkendam, tegen de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbende is aangemerkt: de Stichting Bureau Jeugdzorg te Dordrecht, hierna te noemen: Jeugdzorg. Als degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, zijn aangemerkt: de pleegouders van de nader te noemen minderjarige, wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres, hierna te noemen: de pleegouders. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De ouders zijn op 11 juli 2012, met twee beroepsschriften, in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 april 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht, betreffende de ondertoezichtstelling respectievelijk de uithuisplaatsing van de na te noemen minderjarige. Bij het hof zijn voorts van de zijde van de ouders de volgende stukken ingekomen: - op 24 juli 2012 een brief van 23 juli 2012 met bijlage; - op 28 augustus 2012 een brief van 27 augustus 2012 met bijlagen; - op 11 september 2012 een brief van 10 september 2012 met bijlage. De zaken zijn op 12 september 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de advocaat van de ouders; - mevrouw [A] namens de raad; - mevrouw [B] namens Jeugdzorg. De pleegouders en de ouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de na te noemen minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld, met benoeming van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Voorts is, ter effectuering van het indicatiebesluit van 21 maart 2012, machtiging verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor dag en nacht in een pleeggezin. Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: - de vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige], geboren in 2011 (hierna: de minderjarige); - de ouders hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
  3. In geschil zijn de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige tot 25 april
  4. In de zaak met zaaknummer 200.109.673/01
  5. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de uithuisplaatsing en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad om, ter effectuering van het indicatiebesluit de minderjarige uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling, alsnog af te wijzen. In de zaak met zaaknummer 200.109.675/01
  6. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de ondertoezichtstelling en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de raad om de minderjarige onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en hierbij Jeugdzorg te benoemen als uitvoerder alsnog af te wijzen.
  7. Ter onderbouwing van hun verzoeken voeren de ouders het volgende aan. De gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn niet aanwezig. De beslissing van de kinderrechter ontbeert de noodzakelijke motivering. De in het raadsrapport, dat ten grondslag ligt aan het inleidend verzoek van de raad, genoemde informatie is oud. De huidige situatie van de ouders is stabiel. Zij kunnen de minderjarige voorzien van basale zorg en veiligheid in de thuissituatie. De moeder neemt haar medicatie in waardoor de veiligheid van de minderjarige is gewaarborgd. Zij wensen de minderjarige zelf op te voeden. Zij hebben er in de afgelopen maanden alles aan gedaan om de vereiste stabiliteit te creëren. Zo zijn er geen schulden meer. De moeder woonde in het verleden in bij haar moeder. Ook de zus van de moeder woonde daar met haar kind. Dat zorgde voor een spanningsvolle situatie. De ouders wonen nu samen zodat daar geen sprake meer van is. De moeder betreurt de eenmalige misstap, te weten het slaan en op de bank gooien van de minderjarige, die zij heeft gemaakt, maar tekent hierbij aan dat dit is gebeurd tijdens die stressvolle situatie.
  8. Ter zitting heeft de raad zich tegen voormelde verzoeken van de ouders verweerd. De raad betoogt dat de ouders onvoldoende in staat zijn om aan te sluiten bij de behoeften van de minderjarige. De veiligheid van de minderjarige kan niet gewaarborgd worden door het gedrag dat de moeder vertoont. De moeder heeft in het verleden jarenlang onder toezicht van Jeugdzorg gestaan. Gedurende die periode is er, ondanks jarenlange hulpverlening, geen verbetering gekomen in de situatie van de moeder. Ook is er nog een incident geweest bij het begeleid bezoek bij de pleegmoeder. De moeder is niet in staat zichzelf te begrenzen. Ook de vader kan geen tegengewicht geven aan de moeder.
  9. Jeugdzorg heeft zich ter zitting aangesloten bij het standpunt van de raad. Voorts heeft Jeugdzorg aangevoerd dat tijdens de bezoekregeling van de ouders met de minderjarige is gebleken dat de moeder niet in staat is zich in te leven in de behoeften van de minderjarige. De ouders moeten gestimuleerd worden in hun contact met haar. Het hof overweegt als volgt.
  10. Gelet op de omstandigheid dat de moeder ter zitting bij de kinderrechter bij monde van haar advocaat te kennen heeft gegeven in te stemmen met de verzoeken van de raad, heeft de kinderrechter de beoordeling van de verzoeken bondig gemotiveerd. Naar het oordeel van het hof ontbeert - anders dan de moeder stelt - de bestreden beschikking dan ook niet de noodzakelijke motivering.
  11. Het hof zal thans in hoger beroep beoordelen of de kinderrechter terecht heeft geoordeeld of de gronden voor de ondertoezichtstelling van de minderjarige en de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn en, of deze gronden nog steeds aanwezig zijn.
  12. In de periode dat de ouders - die beiden een verstandelijke beperking hebben - de zorg hebben gedragen voor de minderjarige is vast komen te staan dat zij niet in staat waren haar die basale verzorging en opvoeding te bieden die op dit moment voor haar noodzakelijk was. Zo was de moeder niet in staat om in te spelen op de behoeften van de minderjarige en benaderde de moeder de minderjarige voornamelijk vanuit haar eigen behoefte. De moeder heeft al jarenlang te kampen met agressieregulatieproblemen en heeft problemen met impulsbeheersing. Tijdens een woedeaanval van de moeder heeft zij de minderjarige op de bank gegooid en geslagen; bij een andere gelegenheid heeft zij de pleegmoeder geslagen en de minderjarige hardhandig in de armen van de pleegmoeder geduwd. De vader is niet in staat om de moeder in haar woedeaanvallen te begrenzen. Hulpverlening in het vrijwillige kader heeft in het verleden niet geleid tot de gewenste resultaten.
  13. Weliswaar is door de ouders betoogd dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige zijn verleend op basis van oude informatie aangezien er inmiddels geen sprake meer is van een stressvolle situatie, maar dit neemt niet weg dat zij in de toekomst ook te maken zullen krijgen met dergelijke situaties. Bovendien heeft één van de door de raad in zijn rapport aangehaalde incidenten plaatsgevonden toen de ouders al samenwoonden en de moeder zich derhalve niet in de door hen gestelde spanningsvolle situatie bij de grootmoeder van moederszijde bevond. Daar komt bij dat tijdens de begeleide bezoeken is bevestigd dat de ouders geen inzicht hebben in de behoeften van de minderjarige en dat zij gestimuleerd moeten worden in hun contacten met haar.
  14. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de kinderrechter terecht heeft geoordeeld dat de gronden voor de verlening van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige aanwezig zijn en is het hof van oordeel dat die gronden ook thans nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, van Nievelt en Willems, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.