GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-11/00393 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer d.d. 31 oktober 2012 in het geding tussen: [X] te [Z], hierna: belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Lisse, hierna: de Inspecteur, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2011, nr. AWB 10/4330 WOZ, betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag. Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1. De Inspecteur heeft bij beschikking van 28 februari 2010 (hierna: de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2009 (hierna: de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld op € 502.500. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2010 (hierna: de aanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking bij brief van 7 april 2010 bezwaar gemaakt en heeft daarbij verzocht om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag. 1.3. Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2010 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen. 1.4. Op het beroep van belanghebbende is de rechtbank tot de navolgende oordelen gekomen. De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 450.000; - vermindert de aanslag onroerendezaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 450.000; - bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt de Inspecteur de kosten van het bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1.441,40 aan belanghebbende te voldoen; - gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt. Loop van het geding in hoger beroep 2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep in gesteld. De Inspecteur heeft een conclusie van repliek genomen en heeft tevens het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord. Belanghebbende heeft daarop een conclusie van dupliek en een conclusie van repliek inzake het incidenteel hoger beroep genomen. Bij brief van 16 januari 2012 heeft belanghebbende de conclusie van dupliek aangevuld. Tevens heeft belanghebbende een nader stuk met dagtekening 27 juni 2012 per brief en per fax verstuurd. Dit stuk is in afschrift verzonden aan de Inspecteur. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 augustus 212, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 2.3. Gelijktijdig - maar niet gevoegd - met de behandeling van de onderhavige zaak is het hoger beroep met kenmerk BK-11/00392, betreffende de belanghebbende [A] woonachtig te [Z] behandeld. Hetgeen in de ene zaak is overgelegd en aangevoerd wordt tevens geacht te zijn overgelegd en aangevoerd in de andere zaak. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan. Daarbij gaat het Hof uit van de navolgende feiten zoals deze door de rechtbank zijn vastgesteld en waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is omschreven. “2.1. Eiser is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning betreft een twee-onder-één-kapwoning met serre (38 m³) en een garage (128 m³). De inhoud van de woning is ongeveer 417 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 495 m² . 2.2. Eiser heeft voor de bezwaar- en beroepsprocedure gebruik gemaakt van de diensten van [B] van [C] (hierna: de gemachtigde), die voor hem als gemachtigde optreedt. De gemachtigde heeft namens eiser een bezwaar- en een beroepschrift ingediend. De gemachtigde biedt zijn diensten aan op basis van een systeem van “no cure no pay”. 2.3. De gemachtigde heeft in de bezwaarfase een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 21 mei 2010 door [D] (hierna: de taxateur), taxateur van [E] te [Q]. In dit taxatierapport, met opname- en inspectiedatum 14 mei 2010, is de waarde van de woning op de waardepeildatum getaxeerd op € 417.500. 2.4. Tot de gedingstukken behoort een factuur van het kantoor van de taxateur, gericht aan [F] van [G], met dagtekening 27 mei 2010, ten bedrage van € 481,90. De factuur ziet op voormeld taxatierapport van de taxateur. De taxateur heeft daarbij € 476 (5 uur à € 80 x 1,19) voor het taxatierapport en € 5,90 voor kadastrale kosten in rekening gebracht.” 2.5. Tot de gedingstukken behoort voorts een factuur van de gemachtigde aan eiser, met dagtekening 8 juni 2010, ten bedrage van € 696,10. De gemachtigde heeft daarbij € 476 (5 uur à € 80 x 1,19) voor het taxatierapport van de taxateur, € 214,20 (2 uur à € 90 x 1,19) voor het bezwaarschrift en € 5,90 voor kosten van uittreksels uit het kadaster in rekening gebracht. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1. In hoger beroep is uitsluitend in geschil de vraag of aanspraak bestaat op een kostenvergoeding en meer in het bijzonder de hoogte daarvan. 4.2. De Inspecteur heeft – zakelijk weergegeven – zich op het standpunt gesteld dat de uispraak van de rechtbank voor zover betrekking hebbend op het oordeel betreffende de proceskostenvergoeding, dien te worden vernietigd. De vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op een te hoog bedrag bepaald door de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank de kosten van het taxatierapport als kosten van een deskundigenrapport voor vergoeding in aanmerking genomen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de wegingsfactor gewicht op een kwart dan wel subsidiair op een half dient te worden gesteld, dat sprake is van samenhangende zaken in bezwaar, beroep en hoger beroep, voorts dat sprake is van verwevenheid van gemachtigde en taxateur en/of partijdigheid van de taxateur en dat subsidiair een beperkte vergoeding (aantal uren en uurtarief) op zijn plaats is. 4.3. Belanghebbende heeft de standpunten van de Inspecteur gemotiveerd bestreden. In incidenteel hoger beroep voert belanghebbende aan dat drie uur vergoed dient te worden voor het opmaken van het taxatierapport. Voorts stelt belanghebbende dat een uurtarief van € 50 niet correct is nu de gemeente zelf bereid is € 112 per uur te besteden aan de taxatie 4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Conclusies van partijen 5.1. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vaststelling van de waarde van de woning op de waardepeildatum op € 450.000, met vergoeding van proceskosten als hierna vermeld. Voor de vergoeding van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is sprake van samenhangende zaken zowel in bezwaar, beroep als hoger beroep, met een factor gewicht van primair een kwart en subsidiair een half. Ten aanzien van het taxatierapport dienen primair geen kosten te worden vergoed, dan wel subsidiair ten hoogste € 42 exclusief BTW per uur op basis van 2,5 uur. 5.2. Belanghebbende concludeert in het incidenteel hoger beroep eveneens tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vaststelling van de waarde van de woning op de waardepeildatum op € 450.000 en veroordeling van verweerder in de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep als hierna vermeld. Slechts in hoger beroep is sprake van twee samenhangende zaken. De factor gewicht dient op 1 te worden gesteld. Ten aanzien van de kosten van het taxatierapport dient te worden uitgegaan van een tijdsbeslag van vijf uur. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft voorzover in hoger beroep nog van belang het volgende overwogen waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder zijn aangeduid: “WOZ 4.1. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat de waarde van de woning op de waardepeildatum nader moet worden vastgesteld op € 450.000. De rechtbank sluit zich hierbij aan. 4.2. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. Kosten rechtsbijstand 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van de door de gemachtigde in de bezwaar- en beroepsfase verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). 4.4. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit dient voor de vaststelling van de hoogte van de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden uitgegaan van het tarief dat is opgenomen in de bijlage bij het Besluit (hierna: de bijlage). In de bijlage is voorts een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen. 4.5. De rechtbank stelt allereerst voorop dat voor het indienen van het bezwaarschrift, anders dan verweerder voorstaat, een tarief geldt van € 218, nu het bezwaarschrift ná 1 oktober 2009 – de datum van inwerkingtreding van het Koninklijk Besluit van 4 september 2009, Staatsblad 2009,375, betreffende de indexering van de bedragen in de bijlage – is ingediend. 4.6. Voorts kan de door eiser ingebrachte brief van 7 april 2011 niet, zoals eiser heeft betoogd, als een conclusie van repliek worden aangemerkt, nu voormelde brief een nader stuk betreft als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Het indienen van een dergelijk stuk komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die werkzaamheden niet vallen onder de in de bijlage genoemde proceshandelingen. 4.7. Met betrekking tot de te hanteren wegingsfactor heeft het volgende te gelden. De wegingsfactor wordt bepaald naar gelang het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. De hoogte van het financiële belang kan een factor zijn, maar is niet doorslaggevend. Bij een zaak van gemiddeld gewicht is de wegingsfactor 1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft als uitgangspunt te gelden dat een zaak als “gemiddeld” moet worden aangemerkt, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. In het onderhavige geval betreft het een procedure waarbij eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde inhoudelijk bestrijdt en derhalve een materieel oordeel over het geschil vraagt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hier, mede gelet op de inhoud van de gedingstukken, een gemiddelde zaak betreft, waarvoor een wegingsfactor gehanteerd dient te worden van 1. In de stelling van verweerder, dat de werkbelasting van de gemachtigde in verband met de nagenoeg identieke procedure betreffende de buurwoning slechts gering is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding om van voormeld uitgangspunt af te wijken en een wegingsfactor van 0,5 toe te passen. 4.8. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onderhavige zaak en het in 1.12. genoemde beroep betreffende de buurwoning, anders dan verweerder heeft betoogd, niet worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. Het materiële geschil in elke zaak betrof immers de vraag of de primaire besluiten naar de juiste heffingsgrondslag waren opgelegd. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de desbetreffende primaire besluiten betrekking hebben op twee, niet verbonden, gerechtigden van twee afzonderlijke, niet identieke WOZ-objecten, waarbij door verweerder twee verschillende WOZ-waarden zijn vastgesteld. Van nagenoeg identieke besluiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De omstandigheid dat de bezwaar- en beroepschriften nagenoeg identiek zijn en nagenoeg gelijktijdig door dezelfde gemachtigde zijn ingediend, als ook de omstandigheid dat het hier gaat om buurwoningen, doet aan voormeld oordeel niet af. 4.9. Verweerder heeft na het sluiten van het in 4.1 vermelde compromis de rechtbank verzocht de forfaitaire kostenvergoeding met gebruikmaking van artikel 2, tweede lid, van het Besluit te beperken omdat eiser slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. 4.10. Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.310,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Kosten taxatierapport 4.11. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit kan een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb (onder meer) betrekking hebben op kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. De in de bezwaarfase gemaakte kosten komen naar vaste jurisprudentie alleen voor vergoeding op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb in aanmerking wanneer voldaan is aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets: niet alleen de kosten zelf moeten redelijk zijn, maar het maken van de kosten als zodanig moet eveneens redelijk zijn. 4.12. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 november 2010, nr. AWB 10/451 WOZ, LJN: BO5666, aangevoerd dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien de werkzaamheden van de taxateur zozeer zijn verweven met de werkzaamheden van de gemachtigde en zij zich naar eiser toe hebben gepresenteerd als één dienstverlener dat de kosten van het taxatierapport zijn opgegaan in de kosten van de gemachtigde. 4.13. De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige zaak een andere taxateur is betrokken dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak en dat in de onderhavige zaak een afzonderlijke beoordeling dient plaats te vinden met betrekking tot de vraag of hier sprake is van functievermenging. Daarbij acht de rechtbank beslissend hoe de gemachtigde en de taxateur in werkelijkheid hebben gehandeld. De stelling van verweerder dat uit de informatie op de website van [C] en uit de factuur van de gemachtigde aan eiser, waarin hij de kosten van het taxatierapport aan eiser heeft doorberekend, blijkt dat sprake is van één samenhangende dienstverlening bestaande uit taxatiewerkzaamheden en het verlenen van rechtskundige bijstand, wat daar overigens van zij, is in zoverre niet van doorslaggevend belang. 4.14. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd de huidige werkwijze van [C] uiteengezet. Deze is naar zijn zeggen zodanig vormgegeven dat er op vergoeding van zowel de kosten van rechtsbijstand als de kosten van een deskundigenbericht (het taxatierapport) aanspraak bestaat. In de huidige werkwijze, die ook in het onderhavige geval is gevolgd, schakelt [C] voor taxaties van de WOZ-waarde – behalve die voor de erfbelasting – door tussenkomst van het taxatiebureau [G] B.V. (hierna: het taxatiebureau) lokale, externe taxateurs in. Deze taxateurs factureren de kosten van hun taxatierapporten aan het taxatiebureau. Het taxatiebureau brengt de kosten op zijn beurt in rekening aan [C]. [C] berekent de kosten door aan de cliënten, in dit geval aan eiser. Het taxatiebureau ontvangt van de door zijn tussenkomst ingeschakelde taxateurs een (soort van) bemiddelingsprovisie. Verweerder heeft niet betwist dat in het voorliggende geval de door de gemachtigde geschetste werkwijze is gevolgd. De rechtbank gaat daar dan ook vanuit. Uit de werkwijze van [C] kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de werkzaamheden van de gemachtigde en de taxateur met elkaar verweven zijn. 4.15. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de betwisting van de gemachtigde, niet aannemelijk gemaakt dat [C] en het taxatiebureau met elkaar verbonden zijn. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Verweerder heeft zijn stelling dat [C] of de gemachtigde aandeelhouder is van het taxatiebureau, niet met bewijsstukken of anderszins onderbouwd. Hoewel de gemachtigde ter zitting niet heeft willen zeggen wie de commanditaire vennoten van [C] zijn, ziet de rechtbank ervan af aan deze weigering het gevolg te verbinden dat [C] en het taxatiebureau met elkaar verbonden zijn. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat niet is gesteld dat de taxateur in [C] deelneemt en dat, zo (de belanghebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.