GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 10 oktober 2012 Zaaknummer : 200.106.256/01 Rekestnummer rechtbank : F1 RK 11-2877 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoekster, tevens incidenteel verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.W. Prinsen te Maassluis, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P. Hoogenraad te Maassluis. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 3 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 februari 2012 van de rechtbank Rotterdam. De man heeft op 29 juni 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend. De vrouw heeft op 27 juli 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vrouw: - op 29 mei 2012 een brief van 25 mei 2012 met bijlage; - op 27 juli 2012 een brief van 25 juli 2012 met bijlagen; van de zijde van de man: - op 5 juli 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen (het verweerschrift met bijlagen); - op 6 augustus 2012 een brief van 3 augustus 2012 met bijlagen. De zaak is op 16 augustus 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - met wijziging van de beschikking van 17 november 2010 van de rechtbank Rotterdam waarin de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 5 mei 2010 is bepaald op € 244,- per maand en vanaf 5 mei 2010 op € 420,- per maand - de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 4 februari 2010 op nihil bepaald. Voorts is bepaald dat de vrouw hetgeen zij uit hoofde van voormelde wijziging van de partneralimentatie te veel aan alimentatie van de man heeft ontvangen, niet aan hem behoeft terug te betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
- In geschil is de partneralimentatie voor de vrouw.
- De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn inleidende verzoeken, respectievelijk dat de inleidende verzoeken van de man als ongegrond worden afgewezen. Voorts verzoekt de vrouw de door de man aan haar te betalen partneralimentatie met ingang van 4 februari 2010 respectievelijk 1 augustus 2011 te bepalen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren, kosten rechtens.
- De man bestrijdt het beroep van de vrouw en verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw de teveel door de man betaalde alimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren, kosten rechtens.
- De vrouw verzoekt de man in zijn incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn beroep te verwerpen en/of ongegrond te verklaren, kosten rechtens. besteedbaar inkomen man
- De vrouw kan zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank dat de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak ten behoeve van de draagkrachtberekening op het fiscale loon in mindering dient te worden gebracht zodat het inkomen van de man waarvan dient te worden uitgegaan bij de draagkrachtberekening € 33.063,- bedraagt en dat de bijdrage ten behoeve van de vrouw daardoor van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Volgens de vrouw had de rechtbank dienen te onderzoeken wat het besteedbaar inkomen van de man was ten tijde van het uiteengaan van partijen en of, en zo ja, welk inkomen de man uit zijn vennootschap heeft genoten. Zij stelt dat de man willens en wetens zijn besteedbaar inkomen vanaf december 2008 lager heeft gehouden dan voordien het geval was, nu hij zijn baan vrijwillig heeft opgezegd en een nieuwe baan heeft aanvaard tegen een lager inkomen, maar met een auto van de zaak. Met deze daling van het besteedbaar inkomen mag geen rekening worden gehouden nu de bijtelling in feite een belasting op loon in natura betreft. De bijtelling wordt voor de man ruimschoots goed gemaakt door de besparing die het gratis gebruik van de auto hem oplevert. Er dient aldus van een hoger inkomen van de man te worden uitgegaan bij de berekening van zijn draagkracht.
- De man acht de grief van de vrouw onbegrijpelijk. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank uitdrukkelijk verklaard dat in haar beschikking van 17 november 2010 ten onrechte van een verkeerd inkomen is uitgegaan. In zijn tweede (voorwaardelijke) incidentele grief betoogt de man dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte slechts een bedrag van € 500,- per maand, in plaats van € 716,- per maand, inzake de auto van de zaak in mindering heeft gebracht op zijn inkomen. Het is immers aan de werkgever om te bepalen in welke auto er moet worden gereden. Het jaarinkomen van de man bedraagt derhalve € 30.471,- in plaats van € 33.063,-.
- Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak geen daadwerkelijk ontvangen loon is en dat deze bijtelling ten behoeve van de draagkrachtberekening op het fiscale loon in mindering dient te worden gebracht. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de man in casu middels de beschikbaarstelling van de auto loon in natura ontvangt, in de zin dat deze stelling tot een verhoging van de draagkracht dient te leiden. De stelling van de vrouw dat de man een hoger besteedbaar inkomen heeft gehad en willens en wetens zijn besteedbaar inkomen bij zijn nieuwe baan vanaf december 2008 lager heeft gehouden dan voordien het geval was is, gelet op de betwisting daarvan door de man, onvoldoende onderbouwd. Het hof zal, in tegenstelling tot de rechtbank, rekening houden met de volledige bijtelling van € 716,- per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties, nu het hof dit bedrag niet buitensporig hoog voorkomt. Het hof zal derhalve bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 30.471,- uit [bedrijfsnaam 1]. Vordering van € 44.000,-
- De vrouw is van mening dat de rechtbank zonder enige onderbouwing de verklaring van de man, dat hij een vordering heeft op zijn bedrijf van € 44.000,- in verband met de oprichting en dat het bedrijf behoudens telefoonkosten en kosten personal computer, geen kosten heeft, als vaststaand aangenomen. Voorts stelt de vrouw dat de overweging dat de man geen inkomsten uit [bedrijfsnaam 2] heeft, in strijd is met de door haar verstrekte gegevens, met name de balans van 31 december 2010 die de man op 15 december 2011 bij de Kamer van Koophandel te Rotterdam heeft gedeponeerd. De vrouw stelt voorts dat voor de bepaling van een bedrijfsresultaat kennis dient te worden genomen van de jaarstukken over de laatste drie jaren: de balans, de winst- en verliesrekening en de toelichting op beide. Daarnaast is van belang wie de stukken heeft opgemaakt en met welk doel.
- De man betwist de stellingen van de vrouw en betoogt dat hij geen andere inkomsten heeft dat het inkomen welk hij verkrijgt van [bedrijfsnaam 1]. en derhalve niet enig inkomen van [bedrijfsnaam 2]. Dit blijkt volgens de man uit de belastingaangiften en de betreffende aanslagen.
- Het hof overweegt als volgt. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de vrouw betwist dat de man geen inkomsten zou hebben uit [bedrijfsnaam 2]. Gelet op deze betwisting had het op de weg van de man gelegen om met stukken te onderbouwen dat hij geen inkomsten heeft uit [bedrijfsnaam 2]. Hij heeft weliswaar de aanslagen Inkomstenbelasting over 2009 en 2010 overgelegd maar geen verlies- en winstrekening van [bedrijfsnaam 2], geen aangifte Inkomstenbelasting over 2011 en ook de (voorlopige) aanslag Inkomstenbelasting 2011 en jaarstukken betreffende [bedrijfsnaam 2] ontbreken. Nu de man heeft nagelaten de nodige stukken die inzage in zijn financiële positie mogelijk zouden maken, in het geding te brengen, is het hof van oordeel dat de man zijn stelling dat hij geen inkomsten heeft uit [bedrijfsnaam 2], niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Ook de stelling van de man dat hij een vordering van € 44.000,- heeft op het bedrijf heeft de man niet onderbouwd met verificatoire bescheiden. Gelet op het voorgaande en rekening houdende met de inkomsten uit loondienst bij [bedrijfsnaam 1] gaat het hof er bij gebrek aan gegevens van uit dat de man voldoende draagkracht heeft om de door de rechtbank bij beschikking van 17 november 2010 vastgestelde partneralimentatie te betalen.
- De overige stellingen van de vrouw in principaal hoger beroep en van de man in incidenteel hoger beroep behoeven geen bespreking meer, nu zij niet kunnen leiden tot een andersluidend oordeel.
- Dit leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende: wijst het inleidende verzoek van de man alsnog af; compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Leuven en Van der Linden, bijgestaan door de griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2012.