GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 7 november 2012 Zaaknummer : 200.111.154/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-511 [de moeder], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. A.C. de Bakker te Zwijndrecht, tegen de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbende zijn aangemerkt:
- [de vader], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de vader,
- Stichting Bureau Jeugdzorg te Dordrecht, hierna te noemen: Jeugdzorg. Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt: [de grootvader], wonende te Lelystad, hierna te noemen: de grootvader. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De moeder is op 7 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 juli 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de moeder: - op 31 augustus 2012 een brief van 30 augustus 2012 met bijlagen; - op 2 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen. De zaak is op 3 oktober 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - mevrouw T. Phillipart namens de raad; - mevrouw G. Feenstra (gezinsvoogd) en de heer H. Naus namens Jeugdzorg; - de grootvader. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, met benoeming van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Voorts heeft de rechtbank, ter effectuering van het indicatiebesluit van 29 juni 2012, de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder verleend, met ingang van 11 juli 2012 voor de duur van de ondertoezichtstelling. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van één jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling is niet langer in geschil, nu de moeder – nadat ter zitting namens Jeugdzorg is verklaard deze niet meer te zullen effectueren – haar hoger beroep voor zover gericht tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing heeft ingetrokken.
- De moeder verzoekt het hof, na wijziging van haar verzoek ter zitting, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het verzoek van de raad betreffende de ondertoezichtstelling van de minderjarige alsnog af te wijzen.
- De raad bestrijdt haar beroep.
- De moeder stelt zich op het standpunt dat het raadsrapport van 26 juni 2012 inconsistent en onduidelijk is op het punt hoe en welke zorg er aan de minderjarige geboden dient te worden. Hoewel ieder van de partijen de minderjarige de beste behandeling wil aanbieden, zit de moeder niet op één lijn met de raad en Jeugdzorg. Volgens de moeder heeft zij een duidelijk plan en maakt de raad niet duidelijk waarom het door hem, althans door Jeugdzorg, voorgestelde zorgaanbod beter is dan dat van haar. Verder is de moeder van mening dat niet geconcludeerd kan worden dat andere middelen ter afwending van een bedreiging naar redelijke verwachting zullen falen, nu niet onderzocht is of de thuissituatie van de moeder ontoereikend is. Zij betwist dat er sprake is van een steeds terugkerend patroon van aantrekken en afstoten van de hulpverlening, waardoor de hulpverlening niet gecontinueerd wordt en de zorgen over de minderjarige blijven bestaan. Ook betwist de moeder dat zij apert onjuiste keuzes heeft gemaakt of zal maken, waardoor de veiligheid van de minderjarige in gevaar komt. Dat de moeder de minderjarige in verband met een verkrachtingsincident op Doenersdreef heeft weggehaald, wil niet zeggen dat zij geen continue zorg zou willen verlenen aan de minderjarige. Ter terechtzitting heeft de moeder nog verklaard dat zij de ondertoezichtstelling als een last ervaart. De minderjarige gaat – hoewel de moeder haar wel heeft aangemeld – wegens het ontbreken van toestemming van Jeugdzorg niet naar school. Daarnaast kan de moeder de minderjarige zonder indicatiebesluit niet laten logeren of naar de zaterdagopvang laten gaan. De moeder wil graag samenwerken met de instellingen, maar niet in het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling. Zij staat volledig achter een dagbehandeling van de minderjarige, aldus de moeder.
- De raad heeft ter terechtzitting verklaard dat er sprake is van een jarenlange hulpverleningsgeschiedenis. Ook is de minderjarige onder andere gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis, een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO en een aandachtstoornis met hyperactiviteit. De minderjarige heeft hiervoor specifieke hulp nodig. Verder heeft de raad meegedeeld dat de moeder wantrouwend staat tegenover de hulpverlening. De moeder schopt telkens tegen hulpverlening en het ontbreekt aan samenwerking. Zolang het strookt met de mening van de moeder loopt het, maar anders haakt zij af. Ook is de moeder eigenhandig opgetreden door de minderjarige bij Doenersdreef weg te halen. Verder stelt de raad dat de moeder zelf hulp had kunnen inschakelen, maar heeft gewacht op Jeugdzorg. Volgens de raad dient de ondertoezichtstelling gehandhaafd te worden om ervoor te zorgen dat er behandeling van de minderjarige plaatsvindt en ook zal blijven plaatsvinden.
- Jeugdzorg heeft ter zitting van het hof naar voren gebracht dat de samenwerking tussen haar en de moeder moeilijk verloopt, omdat de moeder de noodzaak van de hulpverlening niet inziet. Er is sprake van een heftige problematiek van de minderjarige, maar de moeder heeft daar een eigen kijk op en laat zich weinig zeggen door anderen. De moeder en Jeugdzorg zijn het er niet over eens welke behandeling het beste voor de minderjarige is. Jeugdzorg heeft – om de moeder gemotiveerd te krijgen om met de hulpverlening mee te werken – ervoor gekozen om een stap terug te doen en een behandeltraject thuis bij de moeder ingezet. Indien een zorgtraject niet door de moeder wordt gedragen, heeft dat traject volgens Jeugdzorg weinig zin.
- De grootvader heeft ter terechtzitting meegedeeld dat hulp voor de minderjarige noodzakelijk is, maar geen van de betrokken instanties tot op heden is staat is geweest om die te verlenen. In de afgelopen jaren heeft hij geen enkele zorg gezien. Verder heeft de grootvader verklaard zelf extra zorg aan de moeder en de minderjarige te hebben gegeven en wil hij hen op de goede plek krijgen.
- Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan slechts worden uitgesproken indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. Bij zijn beoordeling dient het hof derhalve te onderzoeken of de minderjarige zodanig opgroeit, dat haar zedelijke of geestelijke belangen dan wel haar gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
- Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat er thans onvoldoende gronden aanwezig zijn voor een ondertoezichtstelling. Het hof overweegt daartoe dat de noodzaak van de ondertoezichtstelling niet genoegzaam door de raad is onderbouwd. Weliswaar is duidelijk dat er bij de minderjarige sprake is van zeer complexe problematiek en zij daarvoor behandeling nodig heeft, maar er is niet gebleken dat deze behandeling niet thuis in het vrijwillige kader kan plaatsvinden. De moeder erkent de problematiek van de minderjarige en zij wijst de hulpverlening niet af. Evenmin is gebleken dat het in de thuissituatie ontbreekt aan voldoende pedagogisch inzicht en vaardigheden om bij de minderjarige aan te kunnen sluiten. Het enkele feit dat de hulpverlening in het verleden niet is gecontinueerd, rechtvaardigt – nu de oorzaak daarvan onduidelijk is – in dit geval geen ondertoezichtstelling. Voorts weegt het hof mee dat de ondertoezichtstelling tot op heden geen profijt voor de minderjarige heeft opgeleverd. De minderjarige gaat op dit moment niet naar school en er is nog geen behandeling gestart. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de moeder en Jeugdzorg thans wel op één lijn zitten over de behandeling van de minderjarige bij Yulius. Jeugdzorg is – zoals door de moeder al eerder was voorgesteld – akkoord met een intensief traject van dagbehandeling (kinderpsychiatrische thuishulp) bij Yulius. Ook is de moeder – indien de dagbehandeling niet afdoende blijkt te zijn – bereid om de minderjarige in het vrijwillige kader op te laten nemen.
- Uit het voorgaande volgt dat het inleidende verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige alsnog moet worden afgewezen. De bestreden beschikking dient in zoverre dan ook te worden vernietigd.
- Dit leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende: wijst af het inleidende verzoek van de raad om de minderjarige onder toezicht te stellen. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, van Nievelt en Penning-de Vries, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2012.