← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ5581

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 7 november 2012 Zaaknummer : 200.108.063/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8313 [de man], thans gedetineerd in de Pompe Kliniek te Nijmegen, verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam. Als belanghebbende zijn aangemerkt:

  1. [de moeder], zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: de moeder,
  2. [de bijzondere curator], kantoorhoudende te Katwijk, hierna te noemen: de bijzondere curator, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen: [oudste minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], en [jongste minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], alsmede
  3. Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland te ’s-Gravenhage, hierna te noemen: Jeugdzorg, advocaat mr. M.E. Tuinman te ’s-Gravenhage. Op grond van het bepaalde in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: het Ressortsparket van het openbaar ministerie in het ressort ’s-Gravenhage, hierna te noemen: het Openbaar Ministerie. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 11 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 april 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage. Op 1 oktober 2012 heeft de man een aanvullend beroepschrift ingediend. De bijzondere curator heeft op 31 juli 2012 een verweerschrift ingediend. Jeugdzorg heeft op 10 augustus 2012 een verweerschrift ingediend. Het Openbaar Ministerie heeft op 27 september 2012 een conclusie ingediend. Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen: van de zijde van de man: - op 27 juni 2012 een brief van 26 juni 2012 met bijlagen. De zaak is op 3 oktober 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de bijzondere curator; - mr. M.E. Tuinman namens Jeugdzorg. De moeder en het Openbaar Ministerie zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarigen afgewezen. Verder is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot vaststelling van een omgang- en informatieregeling. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat vast dat de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarigen is ontheven, waarna Jeugdzorg tot voogdes over de minderjarigen is benoemd. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
  4. In geschil zijn de vervangende toestemming tot erkenning door de man van de minderjarigen en de vaststelling van een omgang- en informatieregeling tussen de man en de minderjarigen.
  5. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende zijn oorspronkelijke verzoeken alsnog toe te wijzen.
  6. Jeugdzorg bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man in zijn verzoek tot vernietigen van de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn grieven af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden.
  7. De bijzondere curator adviseert het hof het verzoek van de man ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning alsnog toe te wijzen.
  8. Het Openbaar Ministerie acht de grieven van de man ongegrond en adviseert het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. Standpunten van partijen
  9. De man stelt zich op het standpunt dat er reden is om tot erkenning over te gaan, omdat hij de vader van de minderjarigen is en zich – met de goedkeuring van de moeder – ook als zodanig heeft gedragen. Hij is bij de geboorte van de minderjarigen aanwezig geweest en er zijn in oktober 2005, november 2005 en februari 2006 vier contacten geweest tussen hem en de minderjarigen. Verder is de man ervan overtuigd dat de minderjarigen weten wie hij is en dat zij behoefte hebben aan contact met hun vader. Volgens de man hebben de minderjarigen er belang bij dat de minderjarigen vragen aan hem kunnen stellen. Hoe langer zij worden weggehouden van de man, hoe moeilijker de minderjarigen het zullen hebben. Dat zal immers niet tot verwerking van vragen leiden of problemen veroorzaken, aldus de man. Voorts betwist de man dat de erkenning de ongestoorde verhouding van de moeder met de minderjarigen zal schaden, nu de relatie tussen partijen al jaren voorbij is en de moeder geen enkele reden heeft om bang te zijn voor hem. Tot slot wijst de man erop dat hij, via zijn advocaat, bij Jeugdzorg heeft aangedrongen op afgifte van (geanonimiseerde) stukken aangaande de achtergrond van het verblijf van de minderjarigen in een behandeleenheid. Hij heeft hieromtrent echter geen enkele informatie gekregen, aldus de man.
  10. Jeugdzorg is van mening dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarigen. Zij betwist dat de man zich als een vader van de minderjarigen heeft gedragen. De moeder is vlak na de geboorte van de minderjarigen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis gevlucht om aan het gewelddadige gedrag van de man te ontsnappen, waarna de man de oma van de minderjarigen heeft vermoord, aldus Jeugdzorg. Verder heeft de man de (toen zeer jonge) minderjarigen tijdens zijn detentie slechts een aantal maal gezien en hebben de minderjarigen geen bewuste herinnering aan het betreffende bezoek. Daarnaast stelt Jeugdzorg dat de belangen van de moeder zullen worden geschaad door het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning, nu de moeder grote angst heeft voor de man, die haar tijdens de relatie zeer gewelddadig heeft bejegend en haar moeder om het leven heeft gebracht. Ook zal volgens Jeugdzorg de erkenning de ongestoorde verhouding van de moeder met de minderjarigen schaden. Hoewel de moeder uit het gezag over de minderjarigen is ontheven, heeft zij wel een goede band met de minderjarigen en ziet zij hen regelmatig. Dit ongestoorde contact dient gehandhaafd te blijven. Verder is Jeugdzorg van mening dat ook de belangen van de minderjarigen door erkenning zullen worden geschaad. Door erkenning zullen de minderjarigen – die al een belaste voorgeschiedenis hebben en kampen met veel ontwikkelingsproblemen – met feiten worden geconfronteerd waar zij, gelet op hun nog jonge leeftijd, nog niet aan toe zijn. Tot slot verzet Jeugdzorg zich tegen een omgang- en informatieregeling tussen de man en de minderjarigen.
  11. De bijzondere curator ziet – gelet op de huidige omstandigheden van de man – geen gronden op basis waarvan toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning niet in het belang van de minderjarigen kan zijn en evenmin dat de erkenning de ongestoorde verhouding tussen de moeder en de minderjarigen kan schaden. Volgens de bijzondere curator hebben zowel de minderjarigen als de man er recht op dat hun relatie wordt vastgelegd in een familierechtelijke betrekking. Nu de moeder is ontheven van het ouderlijk gezag, de vader in een TBS-kliniek verblijft en Jeugdzorg toeziet op de belangen van de minderjarigen, zal de enkele erkenning geen reëel risico ten aanzien van de evenwichtige sociaalpsychologische- en emotionele ontwikkeling kunnen opleveren. De bijzondere curator is van mening dat in het kader van de belangenafweging het belang van de man en de minderjarigen bij het vastleggen van de familierechtelijke betrekking dient te prevaleren. De bijzondere curator kan zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank dat het aan de minderjarigen moet worden overgelaten te zijner tijd zelf te beslissen.
  12. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat de minderjarigen door erkenning direct meer in de invloedssfeer van de man zullen raken. Met deze nieuwe status heeft de man ook meer middelen in handen om een doorbraak in omgang/gezag te forceren. Volgens het Openbaar Ministerie zal dat voor de moeder en de minderjarigen angst en stress kunnen opleveren. Dat is – met name gezien de huidige emotionele ontwikkelingsproblematiek waarmee zij kampen en hun belaste voorgeschiedenis (het ombrengen van de oma van de minderjarigen door de man) – niet in het belang van de minderjarigen. Naar de mening van het Openbaar Ministerie is voldoende aannemelijk geworden dat erkenning de relatie van de moeder met de minderjarigen zal kunnen verstoren en/of een reëel risico voor belemmering in een evenwichtige, sociaalpsychologische- en emotionele ontwikkeling van de minderjarigen zal veroorzaken. Vervangende toestemming tot erkenning
  13. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek kan de toestemming van de moeder voor erkenning van het kind, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zal schaden en de man de verwekker is van het kind.
  14. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarigen. Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarigen of de belangen van de minderjarigen zou schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de minderjarigen als de man er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de minderjarigen of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarigen geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen. Van schade aan de belangen van de minderjarigen is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hen reële risico’s zijn dat zij worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische- en emotionele ontwikkeling.
  15. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof aannemelijk dat de erkenning van de minderjarigen door de man veel angst en stress bij de moeder zal veroorzaken. Deze angsten hebben een reële achtergrond, nu de man haar ten tijde van hun relatie gewelddadig heeft bejegend en haar moeder (de oma van de minderjarigen) om het leven heeft gebracht. Het hof is daarom van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat door de erkenning van de minderjarigen door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarigen worden geschaad. Dat de moeder thans is ontheven uit het gezag over de minderjarigen, de man in een TBS-kliniek verblijft en de relatie tussen partijen al jaren voorbij is, maakt dat niet anders. Verder zijn er in dit licht bezien ook reële risico’s dat de minderjarigen – die reeds een belaste voorgeschiedenis hebben en kampen met een aantal ontwikkelingsproblemen – door een erkenning zullen worden belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische- en emotionele ontwikkeling nu de spanningen die een erkenning bij de moeder teweeg zal brengen onvermijdelijk hun weerslag zullen hebben op de minderjarigen en hun band met hun moeder. Het hof acht dit niet in het belang van de minderjarigen.
  16. Gelet op voorgaande zal het hof het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen. Omgang- en informatieregeling
  17. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:377a, eerste lid, BW hebben de minderjarigen en degene die in nauwe persoonlijke betrekking tot hun staan recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarigen.
  18. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarigen. Dat de vader na de geboorte van de minderjarigen op kraambezoek is geweest en de minderjarigen hem in 2005/2006 nog een aantal maal in detentie hebben bezocht, is daartoe onvoldoende. Ook hebben de moeder en de man nooit samengewoond. De door de man aangevoerde omstandigheid – dat het binnen de Antilliaanse gemeenschap gebruikelijk is dat de vader niet in het gezin woont – kan, indien al van de juistheid van die niet nader onderbouwde stelling kan worden uitgegaan, evenmin leiden tot een ander oordeel.
  19. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking eveneens bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de man tot vaststelling van een omgang- en informatieregeling tussen hem en de minderjarigen is afgewezen. Stukken Jeugdzorg
  20. Het hof passeert de stelling van de man dat hij stukken over de achtergrond van het verblijf van de minderjarigen in een behandeleenheid had moeten verkrijgen, nu Jeugdzorg – op basis van de voorhanden zijnde stukken, de gesprekken met de reclassering, de verklaringen en angst van de moeder en de gedragingen van de minderjarigen – haar stellingen omtrent de man en de impact die zijn gedrag op de minderjarigen en de moeder heeft gehad en het veiligheidsrisico bij het verstrekken van de gevraagde gegevens, voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
  21. Mitsdien beslist het hof als volgt. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Van Kempen en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.