GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 7 november 2012 Zaaknummer : 200.095.955/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-1752 de vader], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. K.J. Kerdel te ’s-Gravenhage, tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Zuid te Dordrecht, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: Jeugdzorg. Als belanghebbende is aangemerkt: [de moeder], wonende op een geheim adres, hierna te noemen: de moeder. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming te Dordrecht, hierna te noemen: de raad. Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt: mevrouw M. Probbel, begeleidster van de na te noemen minderjarige. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 21 oktober 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juli 2011 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vader: - op 28 oktober 2011 een brief van 27 oktober 2011 met bijlagen; - op 6 februari 2012 een brief van 3 februari 2012 met bijlage.. Van de zijde van de raad is bij het hof op 4 november 2011 een brief van 3 november 2011 ingekomen waarin is meegedeeld dat de raad niet ter zitting aanwezig zal zijn. De zaak is voor de eerste keer op 15 februari 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de heer J. Dorresteijn (voogd) namens Jeugdzorg; - mevrouw M. Probbel. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is de zaak pro forma aangehouden tot 30 juni
- Volgens afspraak ter zitting van 15 februari 2012 is het volgende stuk bij het hof ingekomen: van de zijde van de vader: - op 13 juni 2012 een brief van 12 juni 2012 met bijlage. Vervolgens is een nieuwe zitting bepaald op 26 september
- De mondelinge behandeling is op 26 september 2012 voortgezet. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door mr. D.M. Enthoven, een kantoorgenoot van zijn advocaat; - de heer J. Dorresteijn namens Jeugdzorg. De moeder en mevrouw Probbel zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] heeft schriftelijk haar mening kenbaar gemaakt. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de vader: - de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 1996, waarbij het recht op omgang tussen de vader en [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), is ontzegd, te wijzigen en vast te stellen dat de vader recht heeft op omgang met de minderjarige, alsmede - een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de vader de minderjarige eenmaal per maand mag bezoeken, alsmede eenmaal per week telefonisch contact kan hebben met de minderjarige, althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist acht, - een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige.
- De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoeken, zoals opgenomen in zijn verzoekschrift van 1 april 2011, alsnog toe te wijzen, althans een zodanige regeling vast te leggen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.
- Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de vader.
- De vader stelt zich op het standpunt dat hem in het verleden het recht op omgang met de minderjarige weliswaar door de rechtbank en het gerechtshof is ontzegd, maar dat deze beslissing was ingegeven door de onzekere, instabiele en spanningsvolle (thuis)situatie waarin de minderjarige destijds verkeerde. Volgens de vader zijn deze gronden voor ontzegging van de omgang thans niet meer aanwezig, nu de voogd in 2010 heeft ingestemd met een bezoek- en belregeling tussen de vader en de minderjarige. Hoewel deze regeling eind 2010 is stopgezet, heeft de voogd hem medio 2011 weer toegezegd dat de omgang (onder begeleiding) kon worden hervat. Naar de mening van de vader had de rechtbank hieruit de conclusie moeten trekken dat de gronden om omgang te ontzeggen, kennelijk niet meer aanwezig waren. Voorts wijst de vader erop dat de minderjarige verstandelijke beperkingen heeft en door ervaringen in het verleden getraumatiseerd is. Gelet op de kwetsbare positie van de minderjarige dient volgens de vader te worden voorkomen dat nog meer schade wordt aangericht, doordat contact met de vader wordt afgehouden. Ook bestaat bij de minderjarige mogelijk de indruk dat hij haar in de steek heeft gelaten, hetgeen de vader schadelijk acht voor haar ontwikkeling.
- Jeugdzorg heeft ter terechtzitting van 15 februari 2012 verklaard dat de minderjarige zich cognitief redelijk ontwikkelt, maar op emotioneel gebied functioneert op het niveau van een meisje van negen jaar. Volgens Jeugdzorg geeft de minderjarige aan contact met haar ouders te willen hebben, maar krabbelt zij weer terug als het er op aan komt. De contacten tussen de moeder en de minderjarige verlopen ook moeizaam, hetgeen onrust bij de minderjarige oplevert. Tot slot heeft Jeugdzorg verklaard dat zij de minderjarige niet kan dwingen om tegen haar zin contact met de vader te hebben. Wel acht Jeugdzorg het een goed idee om te proberen (bel)contact tussen de minderjarige en de vader te bewerkstelligen.
- Mevrouw Probbel heeft ter terechtzitting van 15 februari 2012 meegedeeld dat de minderjarige wel (begeleide) contacten met haar vader wil op neutraal terrein. De bedoeling was ook op regelmatige basis contact te hebben met haar vader. De vader heeft één van de drie gemaakte afspraken echter afgebeld, hetgeen veel bij de minderjarige heeft losgemaakt. Zij wordt dan agressief, in zichzelf gekeerd en begint om zich heen te slaan. Volgens mevrouw Probbel moet er continuïteit zijn in het contact. Het is moeilijk in te schatten of het verkeerd zal gaan als de minderjarige contact met haar vader heeft. Tot slot heeft mevrouw Probbel verklaard dat er afspraken voor belcontacten kunnen worden gemaakt. De minderjarige kan dan op een vaste dag worden gebeld, waarna de minderjarige kan aangeven of zij contact wil. Belcontacten zijn beter voor de minderjarige dan persoonlijk bezoek, omdat zo’n contact makkelijker is te beëindigen. Contact via Hyves is geen goed idee, omdat daar soms nare berichten worden achtergelaten, aldus mevrouw Probbel.
- Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben een kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
- Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er thans geen ontzeggingsgronden aanwezig zijn zoals bedoeld in artikel 1:377a BW, die maken dat het recht op omgang aan de vader zou moeten worden ontzegd. Het hof overweegt daartoe dat de vader in 1996 weliswaar de omgang met de minderjarige is ontzegd, maar dat er thans sprake is van een gewijzigde situatie. De voogd heeft in 2010 immers ingestemd met een regeling, waarbij de vader de minderjarige eenmaal per maand mocht bezoeken in de jeugdinrichting en eenmaal per week telefonisch contact met de minderjarige mocht opnemen. Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit dat de gronden om de vader de omgang met de minderjarige destijds te ontzeggen niet meer aanwezig waren. De omstandigheid dat deze omgangsregeling eind 2010 is stopgezet, maakt dat niet anders. Ter zitting van 15 februari 2012 heeft Jeugdzorg toegezegd te proberen een contactregeling op te zetten. Nadat de zaak door het hof om die reden was aangehouden, is gebleken dat van de kant van Jeugdzorg geen pogingen daartoe zijn ondernomen. Niet is gebleken dat er bij de vader op dit moment (wederom) contra-indicaties bestaan die een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige in de weg staan. Er zijn geen aanwijzingen dat de vader een bedreiging zou vormen voor de minderjarige en/of haar ontwikkeling. Evenmin is gebleken van factoren aan de zijde van de minderjarige die maken dat contact met de vader niet in haar belang is. Jeugdzorg heeft daarvoor onvoldoende gesteld en/of haar stellingen niet genoegzaam onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en een omgangsregeling vaststellen zoals door de vader is verzocht.
- Mitsdien beslist het hof als volgt. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt – met wijziging van de beschikking van 1 november 1996 van de rechtbank ’s-Gravenhage - dat de vader de minderjarige eenmaal per maand mag bezoeken, alsmede eenmaal per week telefonisch contact kan hebben met de minderjarige; verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Lückers en Willems, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2012.