GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 10 oktober 2012 Zaaknummer : 200.106.777/01 Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8277 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. V.T.E. Kuijpers te Capelle aan den IJssel. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 14 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 maart 2012 van de rechtbank Dordrecht. De moeder heeft op 26 juni 2012 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vader: op 1 juni 2012 een brief van 31 mei 2012 met bijlage. De zaak is op 30 augustus 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is bepaald dat de vader met ingang van 1 augustus 2011 aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), dient te betalen van € 169,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook: kinderalimentatie.
- De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij met ingang van 28 maart 2012 een kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen van € 72,- per maand, kosten rechtens. Voorts heeft de vader ter zitting bij het hof gesteld dat hij over de periode van 1 augustus 2011 tot 28 maart 2012 geen kinderalimentatie kan betalen en dat zijn verzoek aldus moet worden gelezen dat hij verzoekt om de kinderalimentatie in die periode op nihil te stellen. De moeder heeft tegen die uitleg door de vader van zijn verzoek geen (procesrechtelijk) bezwaar gemaakt.
- De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de grieven van de vader af te wijzen. Wijze van behoefteberekening
- De vader kan zich niet verenigen met de wijze waarop de behoefte van de minderjarige is vastgesteld. Volgens de vader dient het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie leidend te zijn. Op basis van zijn inkomen van toentertijd € 1.000,- tot € 1.100,- per maand bedraagt de behoefte van de minderjarige € 155,- per maand. De rechtbank heeft een verkeerde maatstaf genomen door uit te gaan van het huidige inkomen van de vader en van de moeder. De vader stelt dat dat niet in overeenstemming is met het Tremarapport. Volgens dat rapport behoort een verhoging van het inkomen van een ouder, voor zover dit hoger is dan het gezinsinkomen tijdens het huwelijk, in beginsel van invloed te zijn op de vaststelling van de behoefte. Voor het geval het inkomen van één ouder het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere inkomen de maatstaf voor de behoeftebepaling. Daarom dient het inkomen van de vader leidend te zijn bij de vaststelling van de behoefte. Het aandeel van de vader in de behoefte bedraagt dan € 72,- per maand.
- De moeder is van mening dat de rechtbank op juiste wijze de behoefte van de minderjarige heeft vastgesteld.
- Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat partijen in 2009 uit elkaar zijn gegaan. Bepalend voor de behoefte van de minderjarige is het netto gezinsinkomen tijdens de relatie, dus van beide ouders opgeteld, dan wel, na de beëindiging van de relatie, het netto inkomen van een van de ouders, dus niet bij elkaar opgeteld (zoals de rechtbank heeft gedaan), ingeval dit inkomen het voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Tevens staat vast dat de vader ten tijde van de relatie een inkomen uit arbeid had en de moeder een opleiding volgde en geen inkomen had. Inmiddels heeft ook de moeder inkomsten uit arbeid. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het inkomen van zowel de vader als de moeder afzonderlijk niet het netto gezinsinkomen in 2009 overtreft. Gelet hierop zal het hof bij het bepalen van de behoefte van de minderjarige uitgaan van het netto gezinsinkomen in 2009, zijnde het netto inkomen van de vader. Uitgaande van dit inkomen van rond de € 1.100,- per maand bedraagt de behoefte van de minderjarige € 155,- per maand. De vader heeft gesteld dat, uitgaande van een behoefte van € 155,- per maand, zijn aandeel in de behoefte € 72,- per maand bedraagt en het aandeel van de moeder € 83,- per maand. De moeder heeft tegen deze verdeling van de behoefte geen bezwaar gemaakt. Het hof stelt de kinderalimentatie vast op een bedrag van € 72,- per maand. Ingangsdatum kinderalimentatie
- De vader stelt dat hij in eerste aanleg al heeft gesteld dat hij in financiële nood komt als de kinderalimentatie wordt vastgesteld met terugwerkende kracht. Hij is niet in staat om grote bedragen ineens te betalen omdat hij op bijstandsniveau leeft en hij heeft de krachtens de bestreden beschikking verschuldigde alimentatie niet betaald.
- De moeder kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.
- De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de vader kennis heeft kunnen nemen van het verzoekschrift van de moeder waarin zij om kinderalimentatie verzoekt, nu de vader vanaf de datum van de indiening van het inleidend verzoekschrift rekening heeft kunnen houden met een eventuele onderhoudsverplichting. Het hof komt deze ingangsdatum redelijk voor en zal derhalve voornoemde kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 2011 vaststellen.
- Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
- Dit leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 augustus 2011 op € 72,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Mink en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2012.