GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 10 oktober 2012 Zaaknummer : 200.106.491/01 Rekestnummer rechtbank : F1 RK 11-2792 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. H.D. Jager-van den Berg te Dordrecht, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.S. Clarenbeek te Maassluis. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 8 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 februari 2012 van de rechtbank Rotterdam. De vrouw heeft op 10 juli 2012 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend. De man heeft op 20 augustus 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: op 14 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen; van de zijde van de vrouw: op 9 augustus 2012 een brief van 8 augustus 2012 met bijlagen. De zaak is op 30 augustus 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 21 augustus 2006 van de rechtbank Rotterdam en naar de bestreden beschikking. Bij beschikking van 21 augustus 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover thans van belang, met ingang van 1 oktober 2006 ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) van € 862,- per maand toegekend. Voorts zijn de tussen partijen getroffen regelingen, zoals neergelegd in het door partijen op 11 juli 2006 ondertekende echtscheidingsconvenant, in de echtscheidingsbeschikking opgenomen. Bij de bestreden beschikking zijn de verzoeken van de man - tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 mei 2011 en voor recht te verklaren dat de man tot en met april 2011 een bedrag van € 7.000,72 teveel aan partneralimentatie aan de vrouw heeft betaald, onder bepaling dat de vrouw dit bedrag aan hem dient terug te betalen - afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
- In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
- De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad: - te bepalen dat de beschikking van 21 augustus 2006 wordt gewijzigd voor zover het de partneralimentatie betreft, en dat de partneralimentatie met ingang van 1 mei 2011 op nihil wordt gesteld, althans het in de beschikking opgenomen convenant te wijzigen in die zin dat bepaald wordt - per datum van indiening van het verzoek in hoger beroep, althans per datum als het hof juist acht - dat alleen van de salarisverhogingen van de vrouw 1/3 deel wordt verrekend met de partneralimentatie, althans de partneralimentatie te bepalen op € 518,05 per maand met ingang van 1 april 2011, althans op het bedrag en met de berekeningswijze en met een ingangsdatum als het hof juist acht; - een verklaring voor recht te geven, inhoudende dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud tot en met april 2012 een bedrag van € 10.555,65 te veel heeft voldaan, althans tot en met april 2011 € 7.458,41 te veel heeft voldaan, althans een bedrag en tot een datum als het hof juist acht, welk bedrag de vrouw zal moeten terugbetalen aan de man.
- De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof: in principaal appel: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven, althans zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen; in incidenteel appel: de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die ziet op de overweging betreffende het ingangsmoment van de verrekening en te bepalen dat partijen hebben bedoeld af te spreken dat inkomsten van de vrouw uit meeruren worden verrekend eerst na 2 maanden en niet met terugwerkende kracht, onder handhaving van het overige dat partijen zijn overeengekomen over wijziging van de partneralimentatie, en is opgenomen in de beschikking van 21 augustus 2006, en de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie per 1 juni 2011 te stellen op een bedrag van € 795,65 per maand.
- De man verzet zich daartegen.
- Nu de vrouw geen ander dictum bepleit, is zij niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep. Hetgeen de vrouw in dit verband aanvoert, zal het hof als zijnde haar verweer in hoger beroep beoordelen. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zullen tezamen worden beoordeeld.
- In hoger beroep ligt de vraag voor wat partijen in het convenant hebben afgesproken en welke consequenties daaraan verbonden moeten worden. In het door partijen op 11 juli 2006 ondertekende convenant zijn partijen in de artikelen 3.1 en 3.2 het volgende overeengekomen: “3.1 De man verdient € 4.441 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De vrouw verdient € 1.437 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Onder verwijzing naar de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen als in punt 1.2e aangegeven, achten partijen, conform de Tremaberekening, de man in staat € 862 per maand aan de vrouw te voldoen als financiële bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Uitgangspunt van partijen is dat beiden dezelfde bestedingsruimte zullen hebben, waarbij aan de kant van de vrouw de ontvangen kinderalimentatie en kinderbijslag geen rol spelen, nu deze inkomsten worden besteed aan de kinderen. 3.2 Indien de vrouw meer gaat verdienen, omdat zij meer gaat werken, zal zij dit meedelen aan de man. Het onderlinge verschil ten opzichte van de bruto maandinkomsten van beiden, exclusief vakantiegeld, als in punt 3.1 vermeld, wordt vervolgens berekend waarna de financiële bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met 1/3 (eenderde) van het verschil zal worden verminderd.”
- De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bij de uitleg van het tussen partijen gesloten convenant de zogenaamde Haviltexnorm toegepast. In hoger beroep is niet gebleken dat de rechtbank op een verkeerde wijze heeft getoetst. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt ze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de vrouw meer uren is gaan werken waardoor haar inkomen is toegenomen en waardoor de bestedingsruimte van partijen opnieuw door partijen zal moeten worden vergeleken. Immers, de bestedingsruimte is volgens artikel 3.1, tweede zin van het convenant, uitgangspunt voor de berekening van de hoogte van de partneralimentatie. De bestedingsruimte van partijen dient gelijk te zijn, niet alleen op het moment van de echtscheiding van partijen zoals door de man is gesteld, maar ook daarna. Het convenant geeft geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van de man. Van te veel betaalde partneralimentatie ter hoogte van het door de man gestelde bedrag is derhalve geen sprake.
- Voor zover de man heeft betoogd dat de tussen partijen getroffen regeling vreemde (ongewenste) uitkomsten tot gevolg heeft omdat de man geen verdere inkomensgroei kan realiseren zonder dat dit financieel nadelige consequenties heeft voor de alimentatie en dat om die reden dat onderdeel van het convenant dient te worden gewijzigd, overweegt het hof als volgt. Partijen zijn door het overeenkomen van vorengeschetste regeling in die zin bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Immers, niet de behoefte van de vrouw en haar behoeftigheid zijn leidend voor de vraag wat de hoogte van de uitkering tot levensonderhoud moet zijn, maar leidend is bij welk bedrag aan een uitkering tot levensonderhoud ieder van partijen een zelfde bestedingsruimte heeft. Gesteld noch gebleken is dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle (zich thans voordoende) omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Het hof merkt daarbij nog op dat de vrouw nadrukkelijk heeft verklaard dat ook in haar visie het realiseren van een zelfde bestedingsruimte voor ieder van partijen niet tot gevolg kan hebben dat de man haar een hogere uitkering tot levensonderhoud zou moeten betalen dan partijen in het convenant (en dan geïndexeerd) zijn overeengekomen.
- Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat niet valt in te zien waarom bij structurele meerinkomsten van de vrouw de ingangsdatum van de verrekening eveneens eerst na twee maanden zou moeten plaatsvinden nu partijen hierover niets hebben vastgelegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de man redelijkerwijs mocht verwachten dat een verrekening zou plaatsvinden vanaf het moment dat de structurele meerinkomsten aan de zijde van de vrouw werden gerealiseerd.
- Het bovenstaande brengt mee, dat partijen op grond van hetgeen zij zijn overeengekomen gehouden zijn te bezien of de vergelijking van de bestedingsruimte aanleiding is om de hoogte van de partneralimentatie te wijzigen. In zoverre is niet relevant of en in hoeverre sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW en komt het hof niet toe aan een beoordeling daarvan en evenmin aan het opnieuw beoordelen van behoefte en draagkracht. Hetgeen partijen over en weer in dat verband hebben aangevoerd behoeft derhalve geen beoordeling.
- Partijen verschillen nog van mening over de vraag of de vrouw gehouden is de door haar teveel betaalde alimentatie terug te betalen.
- De man heeft betwist, bij gebrek aan aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting, dat de partneralimentatie geconsumeerd is. Tot en met april 2012 heeft de man € 10.555,65 te veel voldaan aan de vrouw.
- De betaalde alimentatie is door de vrouw geconsumeerd en het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid om dat geld terug te vorderen, aldus de vrouw in haar verweerschrift. Volgens de vrouw bedraagt de partneralimentatie na de herberekening per juni 2011 uit een bedrag van € 795,65 per maand en per 1 januari 2012 op € 805,99 per maand ervan uitgaande dat het inkomen van juni 2011 van de man juist is.
- Uit het voorgaande volgt dat de vrouw te veel partneralimentatie heeft ontvangen van de man, zij het dat dit bedrag niet zo hoog is als door de man gesteld. Nu de vrouw ter zitting bij het hof heeft verklaard dat zij het rechtvaardig vindt dat zij het te veel door de man aan haar betaalde moet terugbetalen en dat zij daarom reeds is begonnen met het reserveren van bedragen om aan de man terug te kunnen betalen, zal het hof bepalen dat de vrouw het door de man te veel aan de vrouw betaalde moet terugbetalen. De hoogte van dit bedrag kan het hof evenwel niet vaststellen, zodat met genoemde vaststelling wordt volstaan.
- Dit leidt tot de volgende beslissing BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; bepaalt dat de vrouw de door de man aan haar te veel betaalde uitkering tot haar levensonderhoud aan de man moet terugbetalen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad; verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar incidenteel hoger beroep; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Husson en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2012.