← Nederland

ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6024

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 16 mei 2012 Zaaknummer : 200.097.541/01 Rekestnr. rechtbank : F1 RK 11-2581 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. F.L. van der Eerden te Rotterdam, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. M.C.E. Eikenboom te Rotterdam. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De man is op 21 november 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 oktober 2011 van de rechtbank Rotterdam. De vrouw heeft op 10 januari 2012 een verweerschrift ingediend. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de man: - op 21 februari 2012 een brief van 20 februari 2012 met bijlagen; van de zijde van de vrouw: - op 16 februari 2012 een brief van 14 februari 2012 met bijlagen. De zaak is op 2 maart 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij beschikking van 17 januari 2011 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en zijn de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het op 15 december 2010 door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant opgenomen. Bij de bestreden beschikking is - met wijziging van het echtscheidingsconvenant van 15 december 2010, welk convenant is opgenomen in de tussen partijen gegeven beschikking van 17 januari 2011 - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 mei 2011 bepaald op € 750,- per maand, vanaf de datum van de beschikking bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

  1. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, hierna ook partneralimentatie.
  2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 november 2011 te bepalen op nihil, althans te bepalen op een bedrag als het hof vermeent te behoren.
  3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in hoger beroep, dan wel het beroep van de man ongegrond te achten en de bestreden beschikking - zo nodig onder verbetering van gronden - te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. Wijziging van omstandigheden
  4. Bij echtscheidingsconvenant van 15 december 2010 zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat zij na ontbinding van hun huwelijk tegenover elkaar niet tot betaling van alimentatie gehouden zijn. Daaraan ligt ten grondslag dat de man uitsluitend draagkracht heeft voor de overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de twee kinderen van partijen (€ 400,- per maand per kind) en dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud wenst te gaan voorzien. Partijen zijn het er over eens dat zich sinds het sluiten van het convenant wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan maar hen houdt verdeeld of er sprake is van zodanige wijzigingen dat op grond daarvan de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man (opnieuw) moeten worden beoordeeld.
  5. De omstandigheid dat de zorgregeling met betrekking tot de dochter van partijen (de zogenaamde week op / week af regeling) niet meer wordt nagekomen en de man op grond daarvan met ingang van 1 mei 2011 de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie ten behoeve van zijn dochter heeft stopgezet, merkt het hof aan als een wijziging van omstandigheden. Beide partijen hebben immers ter terechtzitting van het hof verklaard dat de bij convenant overeengekomen kinderalimentatie overeenkomstig de behoefte van de kinderen is vastgesteld. Omdat de man de volledige kosten van de kinderen heeft gedragen terwijl beide partijen aanvankelijk de helft van de zorg van de kinderen voor hun rekening namen, zal een deel van de kinderalimentatie ten goede zijn gekomen aan de vrouw. De omstandigheid dat het de vrouw niet is gelukt om geheel in eigen levensonderhoud te voorzien, is ook een wijziging van omstandigheden. Het hof is van oordeel dat, mede gezien de economische recessie, de leeftijd van de vrouw en haar opleiding, vast staat dat het de vrouw buiten haar toedoen niet is gelukt haar werkzaamheden bij haar huidige werkgever uit te breiden dan wel elders werk te vinden. De enkele wens van de vrouw om in haar eigen levensonderhoud te voorzien leidt er niet toe dat de omstandigheid dat zij daar niet in slaagt, voor haar rekening en risico dient te komen. Wel mag van de vrouw worden verwacht dat zij inspanningen blijft verrichten teneinde uiteindelijk geheel in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De samenwoning van de man met zijn huidige partner brengt met zich dat de man de woonlasten kan delen, aangezien zijn partner in eigen levensonderhoud voorziet. Gelet op het vorenstaande zal het hof de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man (opnieuw) beoordelen. Behoefte
  6. Voor het vaststellen van de behoefte van de vrouw volgt het hof de door haar overgelegde behoefteberekening (productie 20 bij brief van 14 februari 2012), aangezien de man die berekening niet heeft betwist. Uit die berekening blijkt dat de aanvullende behoefte van de vrouw, rekening houdend met haar inkomen uit arbeid van € 660,- bruto per maand en haar maandlasten, € 1.756,- bruto per maand bedraagt. De door de vrouw verzochte partneralimentatie van € 750,- per maand overstijgt dit bedrag niet. Draagkracht man
  7. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man neemt het hof een bruto inkomen van € 59.777,- per jaar in aanmerking overeenkomstig zijn jaaropgaaf
  8. Weliswaar is uit de overgelegde jaaropgaven 2011 gebleken dat de man er in inkomen op achteruit zou zijn gegaan (totaal € 52.133,- bruto per jaar) maar hij heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn inkomen in 2011 niet gewijzigd is. Het hof houdt voorts rekening met de op de jaaropgaaf 2010 vermelde ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet, hierna: ZVW van € 2.340,- per jaar. Met het niet betwiste eigen woningforfait van € 1.251,- per jaar en de fiscaal aftrekbare rente op de hypothecaire geldlening van € 11.124,- houdt het hof eveneens rekening, alsmede met de op de man toepasselijke heffingskortingen. Aangezien de kinderen van partijen bij de man staan ingeschreven neemt het hof de norm voor een alleenstaande ouder in aanmerking en een draagkrachtpercentage van
  9. Tot 1 november 2011 (zijnde de datum waarop de samenleving van de man met zijn huidige partner effectief is geworden) neemt het hof de volgende maandlasten van de man in aanmerking: € 1.287,- rente op een hypothecaire geldlening, € 74,- premie levensverzekering, € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 98,- nominale premie basisverzekering ZVW, € 41,- aanvullende premie ZVW en € 75,- kosten omgangsregeling. Op de woonlasten brengt het hof de “gemiddelde basishuur” van € 210,- in mindering en op de premie ZVW het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van € 45,- per maand. Voorts houdt het hof conform het convenant rekening met de kinderalimentatie van € 400,- per maand ten behoeve van de minderjarige zoon van partijen. Met ingang van 1 november 2011 neemt het hof – ook fiscaal gezien – de helft van de woonlasten van de man in aanmerking, aangezien de man zijn woonlasten vanaf die datum met zijn huidige partner kan delen. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat de partner van de man vanaf 25 juni 2011 de helft van de woonlasten moet voldoen. Weliswaar staat de huidige echtgenote van de man met ingang van 25 juni 2011 op zijn woonadres ingeschreven maar als onvoldoende betwist staat vast dat zijn echtgenote op grond van een huurovereenkomst van 23 december 2010 tot 1 november 2011 een huur van € 675,- per maand verschuldigd is geweest.
  10. Met betrekking tot de draagkracht van de man merkt het hof voorts nog het volgende op. De vrouw heeft ontbetwist gesteld dat het niet aftrekbare deel van de rente van de hypothecaire geldlening € 360,- per maand bedraagt in plaats van het door de man opgevoerde bedrag van € 488,- per maand. Bovendien blijkt die stelling, gezien de overgelegde stukken, juist. Het hof gaat te dezen dan ook uit van een maandbedrag van € 360,-. Met betrekking tot het forfait overige eigenaarslasten heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat van het gebruikelijke bedrag van € 95,- per maand moet worden afgeweken zodat het hof het door de man opgevoerde bedrag van € 129,- per maand niet in aanmerking neemt. Het door de man opgevoerde bedrag van € 216,- per maand ter zake van de op aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW laat het hof buiten beschouwing aangezien de vrouw dat bedrag terecht heeft betwist. De man is in loondienst en een dergelijke bijdrage is uitsluitend verschuldigd door mensen met een eigen onderneming. De door de man opgevoerde premie begrafenisverzekering van € 17,- per maand laat het hof - conform de tremanormen - eveneens buiten beschouwing nu deze geen voorrang verdient boven de onderhoudsverplichting jegens de vrouw. De man heeft niet betwist dat de kosten omgangsregeling € 75,- bedragen in plaats van het in zoverre opgevoerde bedrag van € 150,-per maand.
  11. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man in de periode van 1 mei 2011 tot 1 november 2011 een alimentatie voor de vrouw toe¬laat van € 351,- per maand en dat hij vanaf 1 november 2011 in staat is om de door de vrouw verzochte bijdrage van € 750,- per maand te voldoen. Gelet hierop zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor de periode van 1 mei 2011 tot 1 november 2011 en voor het overige bekrachtigen.
  12. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten wordt derhalve afgewezen.
  13. Dit alles leidt tot de volgende beslissing. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw in de periode van 1 mei 2011 tot 1 november 2011 betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2011 - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man in de periode van 1 mei 2011 tot 1 november 2011 op € 351,- per maand; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige; compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, van Nievelt en Mertens-de Jong, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2012.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.