GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 28 november 2012 Zaaknummer : 200.113.345/01 Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-1540
- [verzoeker 1], en
- [verzoeker 2], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers in hoger beroep, hierna te noemen: de ouders, advocaat mr. S.C. van Paridon te Rotterdam, tegen de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de raad. Als belanghebbende is aangemerkt: De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Diemen, hierna te noemen: de WSS. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De ouders zijn op 17 september 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 augustus 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam. De raad heeft bij brief van 30 oktober 2012 medegedeeld geen verweerschrift in te sturen maar wel ter zitting aanwezig te zullen zijn. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de ouders: - op 16 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, op 18 oktober 2012 ingekomen als brief met bijlage. De zaak is op 7 november 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - namens de ouders hun advocaat; - mevrouw A. Hardonk namens de raad. De ouders en de WSS zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Het hof verwijst naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de kinderrechter de hierna te noemen minderjarige voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is bepaald dat de ondertoezichtstelling zal worden uitgevoerd door de WSS. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. De moeder heeft het gezag over de minderjarige: - [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012, hierna te noemen: de minderjarige, De (hoofd)verblijfplaats van de minderjarige is bij de ouders. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
- In geschil is de ondertoezichtstelling van de minderjarige.
- De moeder (het hof leest: De ouders) verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen.
- De advocaat van de ouders heeft de stukken eerste aanleg niet volledig aan het hof overgelegd. Overgelegd zijn slechts de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank. Het verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming, met onderliggende stukken, ontbreekt. Het hof heeft zowel schriftelijk als telefonisch bij de advocaat verzocht om de betreffende stukken. De advocaat heeft aangegeven dat de stukken, ondanks zijn herhaald verzoek daartoe, door de rechtbank niet zijn verstrekt en heeft het hof verzocht deze stukken zelf bij de rechtbank op te vragen. Ter zitting heeft de advocaat verklaard er geen begrip voor te hebben dat het hof deze stukken niet heeft opgevraagd dan wel zal opvragen, met name nu de zaak betrekking heeft op een maatregel van de overheid, te weten ondertoezichtstelling.
- Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 34 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is appellant verplicht - kort weergegeven - de processtukken aan het hof over te leggen. Indien partijen dat niet doen kan het hof, op grond van lid 3 van voornoemd wetsartikel, zelf de stukken opvragen. Het enkele feit dat appellant stelt tevergeefs te hebben getracht het verzoekschrift met onderliggende stukken bij de rechtbank op te vragen acht het hof echter onvoldoende om zelf over te gaan tot het opvragen van stukken. Gesteld noch gebleken is immers dat de ouders het verzoekschrift met onderliggende stukken niet zelf hebben ontvangen - er had zich in eerste aanleg geen advocaat gesteld - ter gelegenheid van de procedure in eerste aanleg. Zij hadden via de advocaat deze stukken aan het hof kunnen toezenden. Ook had de advocaat van de ouders de raad voor de kinderbescherming kunnen verzoeken een exemplaar van de stukken aan hem toe te zenden. Nu de advocaat van de ouders naar het oordeel van het hof onvoldoende inspanningen heeft verricht om de ontbrekende stukken aan het hof over te leggen zal hem niet nogmaals de gelegenheid worden geboden zulks te doen en ziet het hof ook geen aanleiding gebruik te maken van het bepaalde in lid 3 van artikel 34 Rv.
- Het hof zal, nu een beoordeling van het hoger beroep zonder de thans ontbrekende stukken niet mogelijk is, het hoger beroep afwijzen. BESLISSING OP HET HOGER BEROEP Het hof: wijst het in hoger beroep verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van den Wildenberg en Kamminga, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2012.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.