GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 12 december 2012 Zaaknummer : 200.110.040/01 Rekestnummer rechtbank : 385074/FA RK11-325 en 391658/FA RK11-2748 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vrouw is op 16 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 april 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking). Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: van de zijde van de vrouw: - op 1 augustus 2012 een brief van 27 juli 2012 met bijlagen. De advocaat van de man in eerste aanleg, mr. N. Türkkol te Amsterdam, heeft het hof op 7 november 2012 desgevraagd telefonisch meegedeeld dat hij de man in hoger beroep niet meer vertegenwoordigt en dat hij de processtukken naar de man heeft doorgezonden. Het hof heeft de man vervolgens per aangetekende brief opgeroepen. De zaak is op 16 november 2012 mondeling behandeld. Ter zitting waren aanwezig: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede door B.P. den Butter, tolk in de Turkse taal; - de man. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 8 augustus 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage en naar de bestreden beschikking. Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, althans de goederen die gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen, als volgt vastgesteld (met dien verstande dat waar het betreft schulden deze niet worden verdeeld maar bepaald wordt wat in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw voor wat betreft de draagplicht heeft te gelden). Bepaald is dat: - elk der partijen ten aanzien van de inboedel van de echtelijke woning behoudt wat hij of zij momenteel onder zich heeft, behoudens de kindermeubelen van de minderjarige dochter van partijen, welke worden toebedeeld aan de vrouw; - in hun onderlinge verhouding ieder der partijen voor zijn of haar rekening zal nemen de helft van de schulden, zoals in de bestreden beschikking overwogen onder ad 4, 5, 8, 9, 10, 11, 13 en 15, onder vrijwaring van de ander voor dat deel van de schulden; - de man in de interne verhouding tussen partijen de schulden, zoals overwogen onder ad 6, 7, 12 en 14 van de bestreden beschikking voor zijn rekening zal nemen onder vrijwaring van de vrouw voor die schulden. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.