GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE Sector Civiel recht Uitspraak : 19 december 2012 Zaaknummer : 200.113.246/01 Rekestnummer rechtbank : F2 RK 10-2705 [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de vader, advocaat mr. G. van Mastrigt te Leeuwarden, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. I.P. Biemond te Krimpen aan den IJssel. PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP De vader is op 12 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 juni 2012 van de rechtbank Rotterdam, bekend bij het hof onder zaaknummer 200.113.244/01. Bij dat beroep heeft de vader tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.113.246/01. De moeder heeft op 26 november 2012 een verweerschrift ingediend. van de zijde van de vader: - op 1 oktober 2012 een brief van 27 september 2012 met bijlage; - op 2 oktober 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage; - op 14 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage; - op 16 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage. De zaak is op 29 november 2012 mondeling behandeld, doch uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. Ter zitting waren aanwezig: - de advocaat van de vader; - de moeder. De vader, evenals de advocaat van de moeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is vastgesteld dat verzoeker in hoger beroep de vader is van [minderjarige], geboren [in 2006] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), en is bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 20 december 2010, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor wat betreft de na 15 juni 2012 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 391,- per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN BESCHIKKING 1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking. 2. De vader verzoekt het hof de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking te schorsen voor zolang het hof geen uitspraak heeft gedaan in hoger beroep. 3. De moeder verweert zich daartegen. 4. De vader voert het volgende aan. De bestreden beschikking berust op een juridische en feitelijke misslag. Zo heeft de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van de minderjarige onvoldoende gemotiveerd aangenomen dat partijen hebben samengewoond, terwijl de vader dit uitdrukkelijk heeft betwist en heeft gewezen op de tegenstrijdigheden in de verklaringen van de moeder. Door deze aanname is de behoefte onjuist berekend. Ten onrechte is er voorts bij de verdeling van de behoefte over de vader en de moeder geen rekening gehouden met de draagkracht van de moeder. Uit de opgestelde draagkrachtberekening blijkt echter dat de moeder wel degelijk in staat is een bijdrage te voldoen. Bij de bepaling van de draagkracht van de vader is de rechtbank uitgegaan van onjuiste feiten. De vader heeft in eerste aanleg uitvoerig betwist dat hij de beschikking had over zwarte inkomsten. Het enige bewijsstuk dat de moeder aan haar stelling ten grondslag had gelegd is door de vader weerlegd, namelijk dat het een reguliere salarisbetaling betrof. Daarnaast zal er naar het oordeel van de vader een noodtoestand ontstaan op het moment dat er nakoming wordt gevorderd van de bestreden beschikking. De vader is financieel niet in staat om de vastgestelde bijdrage en de door de aangenomen ingangsdatum ontstane achterstand te voldoen. Het inkomen van de vader is lager dan de gehanteerde bijstandsnorm, waardoor niet kan worden gesteld dat de vader van zijn inkomen eveneens een bijdrage dient te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De vader is derhalve van mening dat bij het afwegen van de belangen zijn belangen zwaarder dienen te wegen dan het belang van de moeder bij een directe tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. De moeder ontvangt een WWB-uitkering en is derhalve in staat om in de feitelijke behoefte van de minderjarige te voorzien. Daarnaast zal een eventuele bijdrage in mindering worden gebracht op de uitkering van de moeder, waardoor zij geen belang heeft bij een executie van de bestreden beschikking. De vader daarentegen is niet in staat om zijn vaste lasten te voldoen naast de vastgestelde kinderalimentatie. 5. De moeder betwist het belang van de vader bij een schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking, nu hij tot op heden nog niets heeft betaald en kennelijk in [woonplaats] het nodige onderneemt om incasso te bemoeilijken, aangezien zij problemen ondervindt bij het ten uitvoer leggen van de bestreden beschikking in [woonplaats]. Gelet op het feit dat de vader een aanzienlijke eigen bijdrage is opgelegd, blijkens de overgelegde toevoeging heeft hij een aanzienlijk inkomen, betekent dit volgens de moeder dat zijn financiële nood niet zo hoog zal zijn. De moeder is van mening dat haar belang bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking zwaarder weegt dan dat van de vader bij schorsing daarvan. 6. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.